woensdag, 19 november 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Gemengde berichten

Maffia-omroep verliest monopolie

De reacties op het nieuws dat de uitzendrechten op het voetbal naar de commerciëlen waren gegaan, boden veel stof tot vermaak.

  1. De politici en publieke omroepen waren zwaar aangeslagen; men beschouwde het als een groot verlies. Dit is een merkwaardige reactie. Immers, het voortbestaan van de publieke omroep wordt altijd gelegitimeerd door te stellen dat de commerciële zenders alleen op de massa afgestemde, populaire programma’s uitzenden, en dat voor de hoogstaande kwaliteitstelevisie (kunst, cultuur, maatschappijkritiek, artistieke films, documentaires, etcetera) publieke omroep noodzakelijk blijft. Maar als er iets een schoolvoorbeeld is van op de massa gericht vermaak, dan is het wel voetballen. Iedere voetbalwedstrijd die door de publieke zenders wordt uitgezonden is er dus een teveel. Het geld en de zendtijd die het uitzenden van dergelijk massavermaak opslokt, gaat ten koste van het maken van hoogstaande programma’s. (Een van de weinige commentatoren die dit begreep was een NRC-redacteur. Hij loste dit op door te stellen dat voetbal ‘nationaal kunstbezit’ is. – Een kat in het nauw maakt rare sprongen.)

    Door de oprichting van het nieuwe sportnet kan de NOS de komende jaren honderden miljoenen guldens en duizenden uren zendtijd besteden aan het uitzenden van hoogstaande programma’s in plaats van dit te verspillen aan voetbalwedstrijden. Dat er desondanks geen vreugdedansen bij de NOS werden uitgevoerd, geeft te denken. Zou het misschien kunnen zijn dat het de publieke omroep er helemaal niet om gaat om hoogstaande programma’s te verzorgen? Zou het de hoogstaande publieke omroep misschien gewoon te doen zijn om reclamegelden, macht, invloed en privileges?

  2. Men sprak schande omdat het sportnet zo duur was – wel f2 per maand, stel je voor! De ‘sociaal zwakken’ zouden dat niet kunnen betalen. “Staatssecretaris Nuis en ik zullen ervoor zorgen dat Ajax en Feyenoord voor iedereen te zien blijven”, aldus minister Ritzen van onderwijs, die kennelijk een verband zag tussen Ajax en Feyenoord en het onderwijs. “De massa’s krijgen straks de rekening gepresenteerd”, aldus Journaille in Het Parool. “Voor de kansarmen onder ons zal het wellicht te duur zijn”, schreef Jan Blokker. Kortom: de politiek en de publieke omroep als beschermers van de armlastige burgers tegen de dure uitbuiters van de commerciële omroep. Hoe diep kan een intellectueel zinken? Het sportnet zou f24 per jaar gaan kosten, de overige vier commerciële omroepen zijn zelfs helemaal gratis; het kijk- en luistergeld voor de drie publieke omroepen bedraagt f192 per jaar, d.w.z. f64 per zender. Dat is bijna drie keer zo veel als het sportnet, en oneindig keer zo veel als de overige commerciële omroepen.

    Dankzij de commerciële omroepen zouden de sociaal zwakken zelfs gratis naar vier Nederlandse zenders kunnen kijken, ware het niet dat de staat hier een stokje voor steekt, en de armlastigen dwingt jaarlijks f192 te betalen voor het kijken naar drie publieke zenders waar de armlastige helemaal niet om gevraagd heeft. Dat is namelijk een essentieel verschil tussen een publieke omroep en een commerciële omroep: de laatste heeft niet de macht de kijker tegen zijn wil kijk- en luistergeld te ontfutselen; de laatste is geheel afhankelijk van vrijwillige bijdragen. Zou het consortium dat het sportnet beheert straks overal in Nederland controleurs laten aanbellen die zonder toestemming van de bewoners de huizen zouden binnendringen, en die vervolgens, als ze een televisie vonden, de bewoners zouden aanslaan voor f24 per jaar, dan zou iedereen spreken van maffiapraktijken. Onze overheid draait voor dit soort maffiapraktijken de hand niet om: de hele publieke omroep wordt gefinancierd door deze praktijken. In plaats van te spreken van commerciële omroepen versus publieke omroepen stel ik dan ook voor om voortaan te spreken van commerciële omroepen versus maffia-omroepen.

  3. Men sprak schande omdat het consortium ‘een monopolie heeft verworven’ zoals NOS-voorzitter André van der Louw het uitdrukte. Dit is niet waar: de interessantste wedstrijden – WK, EK en Europacupvoetbal- blijven in handen van de NOS. Maar zelfs als het waar zou zijn, dan blijft het een merkwaardig bezwaar, aangezien de NOS tientallen jaren een monopolie op de voetbaluitzendrechten heeft gehad, jaren waarin men in de politiek en bij de publieke omroepen monopolievorming nooit als een probleem heeft gezien. Monopolievorming wordt vreemd genoeg alleen als een probleem gezien als men z’n eigen monopolie verliest.

  4. Men sprak schande omdat ‘de vrije nieuwsgaring in het geding was’, zoals Tweede Kamerlid De Koning het uitdrukte. Zolang de publieke omroepen een wettelijk monopolie op de uitzendrechten hadden, was er sprake van vrije nieuwsgaring; op het moment dat ook buitenstaanders de mogelijkheid kregen uitzendrechten te verwerven, kwam de vrije nieuwsgaring ineens in gevaar. Ik heb lang over deze raadselachtige stelling nagedacht, maar de achterliggende gedachtengang blijft me ontgaan. Toelichting bleef helaas achterwege.

  5. Tot slot sprak men schande omdat de KNVB de rechten verkocht aan de meest biedende. De VPRO plaatste een advertentie in de dagbladen waarin de KNVB werd aangeduid als Kommerciële Nederlandse Voetbalbond; Gijs Schreuders sprak van ‘hondse commercie’ omdat de KNVB voor slechts 100 miljoen gulden meer z’n oude partner in de steek had gelaten; Remco Campert stelde zelfs dat er sprake was van moord: “Bij de KNVB heeft men de geldpest gekregen, helaas over ons lijk”. Waarom het precies schandelijk is om je waar aan de meest biedende te verkopen, werd niet uitgelegd. Dat is jammer, want het verkopen van je waar aan de meest biedende lijkt me nogal vanzelfsprekend. En in de praktijk blijkt iedereen het met me eens te zijn: je ziet nooit mensen die hun waar aan de minst biedende verkopen. Ja, ik heb zelfs het vermoeden dat ook een integere ex-communist als Gijs Schreuders naar een concurrerende krant zou vertrekken wanneer hij daar 100 miljoen meer zou kunnen verdienen dan bij de Volkskrant.

Leve het sekstoerisme!

Sekstoeristen zijn weinig geliefd. Discriminerende, stigmatiserende en vooroordeelbevestigende uitlatingen over deze minderheid vormen schering en inslag, zonder dat er ooit een progressieve intellectueel opstaat die daar bezwaar tegen aantekent. De uitzending van Lief en Leed in januari over sekstoerisme bevestigde dit beeld: de aanwezige sekstoeristen werden door het publiek hard aangevallen, en was er niemand die een goed woordje voor ze deed.

En van de stigmatiserende vooroordelen over sekstoeristen luidt aldus: sekstoeristen zijn lelijke, oude, kale, vette mannen die alleen in de Derde Wereld nog aan hun trekken kunnen komen. Stel dat dit waar is, wat is daar dan precies zo verwerpelijk aan? Het lijkt me dat iedere verlichte intellectueel deze gang van zaken zou moeten toejuichen. Immers, door het sekstoerisme wordt de ongelijkheid in de wereld teruggedrongen – toch het ultieme doel van de progressieve denker. Mannen die door ouderdom, kaalheid, vetheid, etcetera weinig aantrekkelijk zijn, komen op seksueel gebied slechter aan hun trekken dan mannen die jong, slank, etcetera zijn. Een schandelijke vorm van ongelijkheid, zeker niet minder erg dan de ongelijkheid in inkomens die onze kapitalistische samenleving zo onrechtvaardig maakt. Gelukkig bestaat er voor de seksueel kansarmen de mogelijkheid om de Derde Wereld te bezoeken, alwaar ze hun achterstandssituatie kunnen inlopen. Men zou kunnen zeggen dat het sekstoerisme de emancipatie van het seksuele proletariaat betekent. Dat juist verlichte geesten kritiek uiten op deze vorm van gelijkheidspolitiek, is dan ook zeer merkwaardig.

Een veelgehoord bezwaar tegen sekstoeristen is dat ze ‘misbruik’ maken van de Derde Wereld-hoertjes, die slechts door armoede gedwongen voor hoer spelen. Een merkwaardige redenering. Wie zich de armoede van de Derde Wereld-hoertjes aantrekt, zou ze juist zoveel mogelijk klanten moeten toewensen. Als de sekstoeristen wegblijven uit de Derde Wereld, is het enige gevolg dat de armoede onder de Derde Wereld-hoertjes, die de inkomsten van de sekstoeristen moeten missen, nog schrijnender vormen zal aannemen. De sekstoeristen doen in feite aan een vorm van ontwikkelingshulp, en een bijzonder effectieve vorm van ontwikkelingshulp ook nog: het geld verdwijnt voor de verandering niet in de zakken van corrupte ambtenaren en politici, en wordt ook niet besteed aan wapens of zinloze prestigeprojecten, maar komt rechtstreeks in de zakken van de arme bevolking terecht. Daar komt bij dat de sekstoeristen over het algemeen zeer vrouwvriendelijk zijn, en vrij massaal aan positieve discriminatie doen: de overgrote meerderheid geeft de voorkeur aan vrouwelijke prostitués boven mannelijke prostitués. Daarmee bieden ze de achtergestelde Derde Wereldvrouwen een extra mogelijkheid om hun economische positie te verbeteren.

Een ander bezwaar tegen sekstoeristen is dat ze de Derde Wereld-hoertjes zouden afschepen met een fooi; termen als ‘uitbuiting’ worden niet geschuwd. In deze optiek is sekstoerisme op zich niet verwerpelijk, als de sekstoeristen maar meer zouden betalen voor de hun aangeboden diensten. Ook dit is een merkwaardig bezwaar. Immers, sekstoeristen betalen ook voor eten, drinken, overnachtingen, vervoer, etcetera in de Derde Wereld ‘een fooi’, zonder dat ooit iemand zich daar druk over maakt, en zonder dat iemand de sekstoerist aanspoort restauranthouders, taxichauffeurs, en anderen meer te betalen dan de marktprijs. Waarom dan wel voor de hoertjes meer zou moeten worden betaald dan de marktprijs, blijft volledig in het duister.

Een laatste bezwaar luidt dat er in de Derde Wereld vrouwen zijn die onder dreiging van geweld gedwongen worden de hoer te spelen, en dat het sekstoerisme daarom verwerpelijk is. Maar als je de Nederlandse media mag geloven zijn er ook in Nederland de laatste jaren vele vrouwen die onder dreiging van geweld in de prostitutie te werk worden gesteld. Wie om deze reden tegen het sekstoerisme is, zou dus ook tegen de prostitutie in Nederland moeten ageren; er is geen reden om de sekstoeristen aan te vallen maar de hoerenlopers in Nederland met rust te laten. Eerder omgekeerd: wanneer de Nederlandse hoerenlopers besluiten niet meer naar de hoeren te gaan, dan kunnen de Nederlandse hoeren die op die manier brodeloos worden gemaakt gewoon de bijstand in; dit in tegenstelling tot de hoeren in de Derde Wereld, voor wie het alternatief doorgaans bittere armoede is. Voorts is het natuurlijk een merkwaardige gedachte dat wanneer er in een bepaalde industrie misstanden voorkomen, dat dan die hele industrie maar moet worden afgeschaft. Logischer lijkt het me om te pogen die misstanden aan te pakken. Men kan hier een voorbeeld nemen aan Max Havelaar. Deze vooruitstrevende organisatie heeft een keurmerk ingesteld, zodat progressieve chocolade-eters en koffiedrinkers zeker weten dat er geen uitbuiting kleeft aan hun versnaperingen. Waarom is er nog geen progressieve organisatie opgestaan die een keurmerk voor Derde Wereld-bordelen heeft ingesteld, zodat de verlichte sekstoerist de garantie heeft dat in het bordeel van zijn keus alle vrouwen op vrijwillige basis werkzaam zijn?

Conclusie: de bezwaren tegen het sekstoerisme berusten op drijfzand, terwijl met het sekstoerisme wel drie zeer progressieve doelen worden gediend:

  1. het bevordert de seksuele gelijkheid in de wereld;
  2. het bestrijdt de armoede in de Derde Wereld;
  3. het bevordert de economische positie van de vrouw.

Door het heersende taboe op sekstoerisme worden heel wat vooruitstrevende en andere conventioneel denkende mannen ervan weerhouden om tijdens hun vakantie deze mooie doelen te verwezenlijken. In plaats van het taboe op sekstoerisme in stand te houden, zou het sekstoerisme dan ook door iedere verlichte intellectueel zoveel mogelijk moeten worden aangemoedigd.

Homo’s contra Afrikanen

Zoals bekend zijn progressieve intellectuelen hartstochtelijke aanhangers van onderdrukte minderheden (vrouwen, homo’s, allochtonen, gehandicapten, e.d.). Wanneer er sprake is van een conflict tussen een meerderheid en een van zijn favoriete minderheden, dan voelt de intellectueel zich in z’n element: zonder aarzelen kiest hij de kant van de minderheid.

Maar wanneer onderdrukte minderheden met elkaar in conflict komen, zit de intellectueel met de handen in het haar. Hij die altijd moeiteloos goed en kwaad van elkaar weet te scheiden, weet het ineens niet meer. Wat moet hij doen? Wiens kant moet hij kiezen?

Een fraaie illustratie van deze natuurwet werd onlangs gegeven door minister Pronk. Op de bijeenkomst van de Global Coalition for Africa, eind vorig jaar in Maastricht, deed de Zimbabwaanse president Robert Mugabe een nogal reactionaire uitval naar de homoseksuele medemens.

Pronk was voorzitter van de bijeenkomst; voor hem werd de nachtmerrie van iedere intellectueel werkelijkheid. Wat te doen? Zou hij Mugabe op diens vingers tikken, dan zou Pronk ongetwijfeld het verwijt van neo-kolonialistisch cultuurimperialisme naar zijn hoofd geslingerd krijgen; zou hij Mugabe’s woorden zomaar laten passeren, dan zou hij ongetwijfeld de homobeweging over zich heen krijgen. Voor Pronk was hier sprake van een lose-lose situatie: welke oplossing hij ook koos, hij zou altijd worden veroordeeld als een verwerpelijke reactionair.

Pronks hersens werkten op topsnelheid, en hij kwam met de volgende oplossing: hij besloot om niet zelf Mugabe te kritiseren, maar nodigde de andere Afrikaanse leiders uit om Mugabe te kritiseren. Waarlijk een sublieme zet: enerzijds zou zo de homobeweging worden tevredengesteld, anderzijds kon Pronk geen imperialisme meer verweten worden.

Helaas voor Pronk bleken ook de overige Afrikaanse heersers weinig homovriendelijk; niemand van hen voelde de behoefte het voor de homo’s op te nemen. Resultaat: Pronk kreeg woedende reacties van de Nederlandse homobeweging over zich heen.

Pronk kon deze smet op zijn blazoen uiteraard niet tolereren; duidelijk was dat hij vroeg of laat hard terug zou slaan. Na een paar weken broeden was Pronk eruit: eind januari kondigde hij aan Afrikaanse studenten beurzen te gaan verstrekken om in Amsterdam homostudies te kunnen studeren. (Hier komen we weer zo’n opmerkelijke kloof tussen theorie en praktijk tegen: in theorie moet Jan Modaal elk jaar honderden guldens belasting betalen om de honger in de Derde Wereld te bestrijden; in praktijk wordt hem dit geld ontfutseld om Afrikaanse studenten in de gelegenheid te stellen homostudies in Amsterdam te studeren.) Tevens kondigde Pronk aan om in Afrika een conferentie over homoseksualiteit te zullen organiseren.

De vraag is nu hoe de Afrikaanse leiders zullen reageren op Pronks neo-kolonialistische provocatie. Zullen ze de homoconferentie boycotten? Zullen ze hun studenten verbieden om homostudies te gaan studeren in Amsterdam? Zal het misschien zelfs tot een diplomatieke crisis komen? Of zijn ze bang dat Pronk de geldkraan dan zal dichtdraaien?

Ik houd u op de hoogte!

Eigenbelang

Opvallend is dat verlichte geesten steeds vaker ‘eigenbelang’ opvoeren als een rechtvaardiging voor overheidsbeleid.

Tijdens de Golfoorlog nog werd het behartigen van het eigenbelang als iets bijzonder verwerpelijks voorgesteld. ‘De Amerikanen is het er helemaal niet om te doen de internationale rechtsorde te handhaven, het is ze slechts om de olie te doen’, aldus veroordeelde het progressieve volksdeel het Amerikaanse ingrijpen in Koeweit. Het dienen van het eigenbelang werd als iets zeer verwerpelijks beschouwd, voldoende om het Amerikaanse optreden te veroordelen.

Nu, een paar jaar later, lijken steeds meer vooruitstrevende denkers omgeslagen. Zo verdedigde minister Pronk in een interview in het tijdschrift Bijeen (november 1995) Westerse hulp aan de Derde Wereld aldus: “Wat we doen in Azië, Afrika, of Centraal-Amerika, dat is ook in ons eigen belang.” Aanvankelijk meende ik dat Pronk in een ongekende bui van openhartigheid doelde op het feit dat het ontwikkelingsbudget voor een flink deel verdwijnt in de loonzakken van Pronk en zijn mede-bureaucraten; maar nee, Pronk bleek iets anders te bedoelen: “Het zenden van blauwhelmen naar Angola is in het belang van de stabiliteit in Afrika en van de internationale rechtsorde en dus ook een Nederlands belang.”

Ook van milieu-ondersteuning aan de Derde Wereld weet Pronk een zaak van eigenbelang te maken: “financiële steun om de bossen in de Filippijnen op peil te houden, heeft iets te maken met de longfunctie van de tropische wouden en dat is ook een Europees belang.” Een ander voorbeeld: in Elsevier (23-12- 95) stelde polemoloog Hylke Tromp dat de politieke elite minder hoogdravende argumenten moest aandragen om militair ingrijpen in Joegoslavië te rechtvaardigen; volgens Tromp zou het verstandig zijn te zeggen dat militair ingrijpen in Bosnië een zaak van eigenbelang was. En het officiële beleid van Buitenlandse Zaken gaat nu zelfs uit van ‘verlicht eigenbelang’.

Hoe moet deze ontwikkeling geduid worden? Theoretisch is het natuurlijk mogelijk dat vooruitstrevende intellectuelen en politici eindelijk verstandig zijn geworden, en daarom het dienen van het nationale eigenbelang niet langer veroordelen. Deze interpretatie lijkt me iets te optimistisch. Als we kijken naar de doelen die gerechtvaardigd worden met een beroep op het eigenbelang (ontwikkelingshulp, militair ingrijpen in Bosnië), dan valt op dat het precies het soort doelen zijn dat tot voor kort altijd op grond van solidariteit en zelfopoffering werd gerechtvaardigd.

Waarschijnlijker lijkt het me dat zaken als ontwikkellingshulp en ingrijpen in Bosnië nog steeds worden nagestreefd uit ouderwets progressieve overwegingen – de neiging om mooi weer te willen spelen met andermans geld en levens – maar dat men dit uit tactische overwegingen verbergt.

Het lijkt erop dat er een heilzame ontwikkeling op gang is gekomen: intellectuelen en politici voelen aan dat steeds minder mensen het slikken als ze verteld wordt dat ze moeten bloeden voor progressieve idealen. Wanneer de belastingbetaler geld afhandig moet worden gemaakt, neigen steeds meer verlichte geesten ertoe hem ervan te overtuigen dat de besteding van zijn centen in zijn eigen belang zal zijn; op deze manier hopen ze via een slinkse omweg alsnog hun idealen te verwezenlijken.

Deze tactiek mag op het eerste gezicht een slimme manier lijken om progressieve idealen van de ondergang te redden, uiteindelijk is het een doodlopende weg die de ondergang van het progressieve denken alleen maar zal bespoedigen. Immers, door steeds opnieuw het eigenbelang op te voeren als rechtvaardiging van overheidsbeleid wordt de boodschap verspreid dat niet solidariteit maar eigenbelang de basis hoort te vormen voor overheidspolitiek. En als die boodschap eenmaal algemeen geaccepteerd is, zullen steeds meer mensen zich gaan afvragen of de progressieve doelen die onze overheid nastreeft inderdaad in ons eigen belang zijn. Men zal zich gaan afvragen of wij inderdaad Filippijnse bomen nodig hebben om in Nederland te kunnen ademhalen, en of gevechten tussen Angolezen, Bosniërs en Serviërs onze veiligheid werkelijk bedreigen, of dat deze dreiging slechts bestaat in de fantasie van progressieve intellectuelen. Op het moment dat er over deze vragen serieus wordt nagedacht, is het gedaan met de progressieve idealen.

Bart Croughs is auteur van de essaybundel In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon (De Arbeiderspers, f.34,90).

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Croughs, Bart, topic: Croughs, Bart, Commentaar, Vrijbrief 1996/2
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.