woensdag, 19 november 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Het Huwelijk I


In dit artikel wil ik mijn weerzin aan u overbrengen tegen de zedelijke notie die bekend staat als het huwelijk. Mijn bezwaren zijn gericht tegen een viertal facetten van het huwelijk, die ik in het kort aan zou kunnen duiden als pact met de duivel, duurzaamheid, alomvattendheid en exclusiviteit. Het kan voorkomen dat mensen samenlevingsverbanden aangaan die niet aan deze kenmerken leiden, maar die toch door de partners als “huwelijk” worden aangeduid. Ik heb geen dogmatisch bezwaar tegen deze terminologie, en heb tegen een dergelijk huwelijk dan ook niets in te brengen. Maar aangezien ik juist al die aspecten van het huwelijk verwerp die veel anderen als essentieel beschouwen, verkies ik zelf het woord huwelijk te gebruiken voor het type relatie dat ik juist niet voorsta. Voordat ik mijn bezwaren op een rijtje zet wil ik benadrukken dat al diegenen die al jarenlang gelukkig getrouwd zijn, met alle kwalijke karakteristieken van dien, mijn uitdrukkelijke zegen hebben. Ik zie het huwelijk als een vorm van vragen om moeilijkheden, maar niet als iets immoreels. Een huwelijk kan best goed gaan – dat gebeurt zelfs regelmatig – en als mensen voor zo’n samenlevingsverband kiezen heb ik daar alle respect voor.

Het eerste facet van het huwelijk dat mij niet zint is dat het een contract is tussen een tweetal personen en een autoriteit – kerk en/of staat. De rol van de autoriteit is tweeledig: ze stelt de regels vast waaronder de partners met elkaar zullen samenleven (bijvoorbeeld of en onder welke voorwaarden het huwelijk ontbonden kan worden), en (in het geval van de staat) kent een aantal rechten en plichten toe aan echtparen die verschillen van die voor ongetrouwden. Veel mensen die met elkaar willen samenleven treden met elkaar in het huwelijk omdat dit “zo hoort”, zonder zich af te vragen of het contract met de autoriteit wel dat is wat ze willen. Veelal zal het zo zijn dat indien de partners onderling een aantal afdwingbare regels willen afspreken, ze dit beter in de vorm van een notarieel contract kunnen doen. De regels vastgesteld door de autoriteit zijn vaak hele andere en kunnen je ter zijner tijd zwaar opbreken. Zo las ik in de kennisgeving van mijn laatste snelheidsovertreding, dat als ik de boete niet betaal, deze kan worden geïnd door beslaglegging op het inkomen van mijzelf en/of mijn echtgeno(o)t(e). Dit is een goed voorbeeld van een verplichting die ik niet spontaan in een samenlevingscontract zou laten opnemen. Daarbij komt dat de kerk en de staat kwalijke instituten zijn die leugens en in de regel immorele filosofieën verkopen, respectievelijk uitbuiting en onderdrukking bedrijven. Het lijkt me dat een fatsoenlijk mens met zulke instituten geen zaken zou willen doen. Vandaar dat ik het officiële huwelijk (het contract met de autoriteit) afwijs. Hiermee heb ik echter (nog) niets ingebracht tegen een verbond tussen twee mensen dat de overige karakteristieken van een huwelijk heeft, maar gewoon door de partners zelf wordt afgesproken, zonder de kerk of de staat daarbij te betrekken. Ook heb ik er niets tegen als zo’n verbond “huwelijk” wordt genoemd.

Soms worden echtparen door de staat beter behandeld dan ongetrouwde individuen (bijvoorbeeld in de belastingheffing). In zo’n geval kan het om zuiver pragmatische redenen beter zijn het spelletje mee te spelen en een huwelijk met de staat af te sluiten. Zolang de partners maar beseffen dat ze zich niet door de huwelijkse voorwaarden gebonden voelen, en geen misbruik van de situatie maken (tegenover elkaar natuurlijk; misbruik van staatsaangelegenheden is prima), is zo’n huwelijk goed te verdedigen. Om vermenging van belangen tegen te gaan, en ook omdat je levenspartner in de regel niet de optimale kandidaat is om van staatswetten te profiteren, is er veel voor te zeggen een dergelijk huwelijk niet af te sluiten met degene met wie je echt samenleeft. Aan de andere kant is een officieel huwelijk met je echte partner natuurlijk beter bestand tegen argwaan van de staat.

Een tweede facet van het huwelijk is de onbeperkte duur ervan. Een huwelijk is bedoeld te duren tot één der partners sterft, of totdat er binnen het huwelijk iets ernstig mis gaat. Dit is in mijn opinie een zeer kwalijke karakteristiek. Beter is het een relatie aan te gaan voor zolang beide partijen er voordeel aan hebben. Als de relatie na zekere tijd minder bevredigend wordt, of er zich een beter alternatief aandient, is het tijd de relatie te beëindigen. Uiteraard kunnen gemeenschappelijke projecten, met name het opvoeden van kinderen, een goede reden zijn wat langer bij elkaar te blijven.

Sommige mensen zullen zich misschien willen opofferen en een leven in een relatie doorbrengen die alleen voor de ander bevredigend is. Behalve dat ik voor een dergelijke houding persoonlijk weinig respect heb, denk ik dat het in de praktijk tot onvrede voor beide partijen aanleiding geeft. En wat een verspilling als de partners zich allebei opofferen.

Indien U tegenwerpt dat een goed huwelijk altijd blijft bevredigen, en daarom moet voortduren, heb ik daar geen probleem mee. Een huwelijk dat blijft bevredigen duurt vanzelf wel voort. Ik pleit echter tegen een van te voren gemaakte afspraak om de relatie zelfs met tegenzin te laten voortduren. Het grote aantal mensen dat blijft participeren in een onbevredigende relatie lijkt mij een minstens zo groot probleem als het grote aantal echtscheidingen.

Een derde eigenschap van het huwelijk is de alomvattendheid van de relatie. Wanneer twee mensen zich als getrouwd bestempelen, worden ze geacht samen in één huis te leven, gezamenlijk de maaltijd te nuttigen, samen op vakantie te gaan, in een gezamenlijk bed te slapen, en in sommige gevallen zelfs hun bezittingen te delen. Deze eenwording wordt ook voortdurend bevestigd in de omgang met derden. Zo wordt het als ongepast gezien op een feestje een getrouwd persoon uit te nodigen zonder de uitnodiging naar de wederhelft uit te strekken.

Beter dan deze alles-of-niets aanpak lijkt me een relatie die zich uitstrekt over die terreinen waar samenwerking optimaal is, maar niet over die waar de interesses van de betrokken zo verschillen dat een gescheiden ontwikkeling te verkiezen is. Welke terreinen dit zijn verschilt van persoon tot persoon. Zo kan het voorkomen dat twee mensen optimaal functioneren in een gezamenlijk huishouden met gezamenlijke maaltijden, maar niet dezelfde vakantie-interesses hebben. In zo’n geval moet er geen probleem zijn afzonderlijk op vakantie te gaan, zoals in veel moderne relaties gelukkig ook gebeurt. Eveneens kan het voorkomen dan de leden van een echtpaar volstrekt verschillende eetgewoontes en interesses hebben. In die omstandigheid lijkt het me logisch dat de partners in de regel afzonderlijk eten, bijvoorbeeld met vrienden die er dezelfde smaak op na houden. Hetzelfde geldt voor uitgaan, sex, slapen, wonen etc. Het opgeven van individueel bezit is in het algemeen een bron van ellende, en lijkt me alleen in zeldzame gevallen de beste oplossing.

Uiteraard kan het voorkomen dat twee personen optimaal functioneren als ze alle aspecten van hun leven delen. In zo’n geval moeten ze dat zeker doen. Het bovenstaande is geen pleidooi om amoureuze, economische, huishoudelijke, sexuele en vrijetijdsrelaties te scheiden. Ik denk zelfs dat een relatie bevredigender is naarmate deze zich over meerdere terreinen uitstrekt. Wel pleit ik tegen het vermengen van deze relaties wanneer dit niet past bij de aard der betrokkenen. Een amoureuze relatie tussen twee personen hoeft niet noodzakelijkerwijs tot ieder van die andere relaties aanleiding te geven.

Het vierde kwalijke aspect van het huwelijk is het bijbehorende verbod op soortgelijke relaties met anderen. Als A met B trouwt, verliest A daarmee zijn vrijheid om (ook) met C te trouwen. Dit sluit nauw aan bij het bovengenoemde aspect van alomvattendheid. Wanneer we eenmaal hebben vastgesteld dat bijvoorbeeld het delen van een huishouden niet automatisch een sexuele, economische en vrijetijdsrelatie met zich meebrengt, volgt dat A samen kan wonen met B, een sexuele relatie kan hebben met C, op vakantie kan gaan met D, zijn bezittingen kan delen met E, en genotmiddelen kan opsnuiven in het gezelschap van F t/m Z, om maar een dwarsstraat te noemen. Welk van die relaties telt dan als “huwelijk”, en waarop is het uitsluitingsprincipe van toepassing? Het lijkt me dat er argumenten zijn om ieder van die relaties als “de echte” te bestempelen. Het uitsluitingsprincipe lijkt me echter vooral gericht op liefde en sex.

Zoals door veel films en boeken wordt geïllustreerd, is dit uitsluitingsprincipe een van de grootste bronnen van menselijk leiden. En niet alleen voor de persoon die door deze perverse vorm van moraliteit “gedwongen” wordt een keuze te maken, maar vooral ook voor degene die niet gekozen wordt. Zelf zou ik nooit een relatie willen aangaan die mij op enigerlei wijze de mogelijkheid op aanvullende relaties zou ontnemen.

Overspel en jaloezie

Zonder twijfel de meest destructieve uiting van zedelijkheid is de leefregel die stelt dat een mens er maar één sexuele partner tegelijk op na mag houden, met de bijbehorende gevoelens van jaloezie wanneer een partner zich niet aan deze regel houdt. Sexuele jaloezie [voetnoot] is een uiterst curieuze emotie. Het treed op wanneer de verdenking ontstaat dat de partner seksueel contact onderhoudt, of onderhield, met een ander, of daar zin in heeft, of had. Het is logisch dat iemand verdrietig is wanneer hij iets verliest. Maar jaloezie treed ook op als er geen dreiging bestaat dat de jaloerse partner er slechter van wordt.

U vraagt zich natuurlijk af hoe iemand gekwetst kan worden door iets waar hij niet slechter van wordt, en waarmee anderen zelfs beter af zijn. Ik denk dat het officiële antwoord te maken heeft met misplaatste ijdelheid. De jaloerse partner gaat er van uit dat zijn persoonlijke eigenschappen, althans waar het de bevrediging van zijn wederhelft betreft, zo superieur zijn aan die van rest van de mensheid, dat zijn partner geen enkele behoefte aan anderen kan hebben. Wanneer die theorie door de praktijk gelogenstraft wordt, is zijn ego gekrenkt.

Indien dit inderdaad de oorzaak is, zou het verlangen van de wederhelft naar een derde even erg moeten zijn als de daad. Een echtgenoot die vanwege een sterke morele inslag de verleiding weet te weerstaan, is evenzeer een tegenvoorbeeld voor de superioriteit van de partner als een echtgenoot die bezwijkt onder de lusten van het vlees, en bovendien een huichelaar. Onder een stricte toepassing van deze theorie is het dus geenszins prijzenswaardig de verleiding tot overspel te weerstaan, tenzij huichelarij ook als een verdienste wordt gezien.

Iemand die aan jaloezie lijdt zou kunnen aanvoeren dat jaloezie een irrationele en betreurenswaardige emotie is, maar één waarmee de natuur ons opgescheept heeft, en waarmee we hebben te leren leven. De leefregel zich tot één partner te beperken is dan een rationele manier om met jaloezie om te gaan.

Gezien de vele relaties die door jaloezie verwoest worden, en de manifeste aanwezigheid in veel partners van lust naar derden, kan zo’n rationalisatie alleen serieus genomen worden als ze gepaard gaat met de erkenning dat jaloezie inderdaad een betreurenswaardig verschijnsel is. Maar wanneer iemand dit eenmaal erkent, verliest hij naar mijn verwachting zijn neiging tot jaloezie vanzelf. Ik geloof namelijk niet dat de mensheid opgescheept is met onvermijdelijke sociale instincten die het leven alleen maar rottig maken. Jaloezie is net als schaamte een cultureel verschijnsel, aangepraat door de medemens. Ik pleit er dan ook voor deze emotie kritisch te overdenken, zo mogelijk te onderdrukken, en de leefregel zich tot één sexuele partner te beperken op te zeggen, of tenminste niet op uw partners van toepassing te verklaren.

Zodra jaloezie als beweegreden is verdwenen, reist de vraag of “overspel” misschien om andere redenen is te betreuren. Een van die redenen is dat als de partner P van betrokkene B er een ander op na houdt, dit zou impliceren dat er iets schort aan P’s relatie met B. In het algemeen lijkt me dit een verkeerde conclusie. Het kan bijvoorbeeld goed zijn dat P meer sex verkiest dan hij of zij krijgt, of gewoon voor de verandering iets anders wil. Net als dat je wel eens ergens anders uit eten wilt. De meeste mensen hebben sexuele fantasieën van sex met anderen dan hun vaste partner. Dit impliceert geen tekortkoming in de relatie met die partner, en het uitleven van die fantasieën in de realiteit doet dit daarom ook niet.

Het kan natuurlijk wel voorkomen dat de relatie van P met een ander gepaard gaat met verminderde interesse (sexueel of anderszins) in B. In zo’n geval is de conclusie dat er iets schort aan de relatie tussen P en B wel zinnig. De oplossing ligt dan in de verbetering van die relatie; niet in de bestrijding van symptomen zoals overspel.

Een tweede reden om relaties van partner P met derden D te betreuren, is dat zo’n relatie wel eens beter zou kunnen uitpakken dan de oorspronkelijke relatie van P met B. Dit zou dan kunnen leiden tot een verbreking van de laatste.

Het eerste wat ik hier tegen in kan brengen is dat zelfs als de relatie van P met D beter uitpakt dan de relatie van P met B, dit niet hoeft te leiden tot verbreking van de relatie met B. Stel dat P boswandelingen in het algemeen leuker vindt dan kaartspelletjes, dan volgt toch ook niet dat P nooit meer kaart speelt. Die conclusie is alleen dan gerechtvaardigd wanneer P nooit enig plezier aan kaartspelletjes zou beleven, of wanneer P ten alle tijden en onder alle omstandigheden een boswandeling verkiest boven een kaartspelletje, en er bovendien altijd een bos voorhanden is. Dus, zolang B nog iets te bieden heeft dat D niet in zich heeft (of als D vaak onbeschikbaar is) kan de relatie met B gewoon voortduren. De voornaamste reden dat een relatie van P met D de oorspronkelijke relatie van P met B verbreekt, is de zedelijke notie dat P er maar één relatie tegelijk op mag nahouden, en daarom een keuze moet maken tussen B en D. Zodra we inzien dat dit een verwerpelijk idee is kunnen de relaties met B en D vrolijk naast elkaar bestaan. Indien de relatie tussen B en P bevredigend was vóór de ontmoeting van P met D, lijkt het me redelijk te veronderstellen dat deze relatie eveneens bevredigend zal blijven nadien.

Blijft over het geval dat de relatie met B voor P geen waarde heeft naast de relatie met D. Vaak zal dit zijn omdat de relatie van B en P sowieso geen waarde heeft voor P. In dat geval had de relatie met B ook kunnen sneuvelen zonder tussenkomst van D. Maar ook als de relatie met B haar waarde verliest vanwege de betere relatie met D, lijkt het me niet gerechtvaardigd P een relatie met D te ontzeggen om daardoor de relatie met B waardevol te laten blijven. P doet er namelijk het beste aan zo goed mogelijk te leven, en is er bij gebaat optimale levenspartners uit te kiezen. Natuurlijk is B is er vaak niet bij gebaat als P er met D vandoor gaat, maar als B echt van P houdt zal deze toch blij moeten zijn als P een meer bevredigende partner krijgt. De vraag die hier aan de order is is echter niet of de relatie met D gerechtvaardigd is, maar of P, eventueel naast een relatie met D, de potentieel waardeloze relatie met B moet laten voortduren. Indien P en B een belangrijk gemeenschappelijk project hebben af te maken, zoals het opvoeden van kinderen, is er veel voor te zeggen de relatie tussen P en B te laten voortduren. In dat geval is de relatie echter niet waardeloos; het gemeenschappelijk project geeft de relatie waarde. Maar ook in dit geval lijkt het me niet juist P een aanvullende relatie met D te ontzeggen.

Een derde argument tenslotte is dat de tijd die P met D doorbrengt ten koste gaat van de tijd die P aan B besteed. Als dit voor B echt een argument is, zou deze redenering ook van toepassing moeten zijn op tijd die P zonder B met andere activiteiten doorbrengt, zoals het wekelijks kaartavondje of de breiclub. Maar vaak vindt B het juist prettig om eens een poosje zonder P door te brengen, en wordt het kaartavondje dan wel de breiclub niet als overspel aangemerkt. Sexuele uitspattingen zouden dan eveneens niet zo moeten worden gezien.

Indien de relatie met D erg intensief wordt in vergelijking met de relatie tussen P en B, of indien P er veel relaties tegelijk op na houdt, kan het natuurlijk wel zijn dat er voor B erg weinig tijd overblijft. Hier voer ik dan weer aan dat als dit voor P het beste is, B daar dan maar vrede mee moet hebben. Uiteraard doet B, ingeval de relatie met P erg verwatert, er beter aan naar een alternatieve of aanvullende relatie uit te zien. De beste omstandigheid is natuurlijk dat B en D elkaar ook wel liggen; in dat geval is er ruimte voor een leuke driehoeksrelatie, waarin de gevoelens niet gedeeld, maar vermenigvuldigd worden.

Ik concludeer daarom dat er niets mis is met meervoudige, gelijktijdige sexuele of amoureuze relaties. Integendeel, deze kunnen inspirerend werken en elkaar versterken. Wel ben ik erg tegen contractbreuk en bedrog; als twee mensen zo dom zijn een dogmatisch monogame relatie met elkaar aan te gaan is het immoreel om er heimelijk aanvullende relaties op na te houden.

…Jaloezie

Een oppervlakkige analyse zou sexuele jaloezie kunnen qualificeren als een vorm van algemene jaloezie of afgunst. Er zijn twee vormen van afgunst: het een ander niet gunnen wat je zelf ook niet heb, en het een ander niet gunnen wat je zelf wel hebt. De vorm van sexuele jaloezie waar de meeste mensen aan leiden valt dan in de tweede categorie. Er zijn echter twee belangrijke verschillen: het een ander niet gunnen wat je zelf wel heb is op niet-sexueel gebied geen algemeen voorkomende emotie. Bovendien is bijna iedereen het er over eens dat deze vorm van afgunst verwerpelijk is, en niet iets waaraan een redelijk mens zou toegeven. Vandaar dat het me zinniger lijkt sexuele jaloezie apart te behandelen.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Glabbeek, Rob van, topic: Glabbeek, Rob van, Persoonlijke vrijheid, Vrijbrief 1997/4
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Giovanni schreef op : 1

    Interessant artikel. Maar of het bijdraagt om de zelfgekozen detentie van heel veel mensen op te heffen is de vraag. Maar je moet ergens beginnen. Het is als met het schier onuitroeibare geloof in een God, het hiernamaals, het vorige leven enz.: vermoeiend maar wel een realiteit omdat zo velen er in geloven.
    ( p.s. Er staan wat spellingfouten in )