woensdag, 19 november 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Langs de meetlat


Er zijn maar heel weinig verstandige mensen die het feministische maandblad Opzij lezen. Dat is jammer, want het is soms onthullende lectuur die geboden wordt.

‘Langs de meetlat’ is de naam van de serie interviews met onze mannelijke regenten die in Opzij is verschenen. Het is werkelijk verbijsterend om te zien hoe deze baasjes zich voor de dames in het stof werpen, hoe ze likkend en kruipend pogen de Opzijlezeressen te behagen. Maar hoe luid het mea culpa ook klinkt, Opzij is niet onder de indruk. Relus ter Beek kreeg van Opzij een drie voor emancipatie, Bert de Vries een twee, Hans van den Broek een nul, Pieter Bukman een één, Wim Kok een drie, Hans Alders een vijf. Erg vermakelijk: slijmen bij de meester en toch een onvoldoende krijgen. Bravo dames! Slechts drie ministers scoorden een voldoende: Jo Ritzen en Pieter Kooijmans een zes, en Jan Pronk, de grootste feminist, een zeven.

Door deze cijfers zult u misschien gaan denken dat het nogal meevalt met het feminisme van de ministers. Maar de cijfers zijn bedriegelijk; van mij zouden alle heren een tien hebben gekregen op Bert de Vries na, die een zes minnetje verdient. Lubbers ten slotte verdient een pluim omdat hij het als enige aandurfde om Opzij een interview te weigeren – toch nog een reden om sympathie te gaan koesteren voor deze man.

Jacques Wallage

Jacques Wallage is de staatssecretaris die na het vermakelijke vertrek van Elske ter Veld over de vrouwenemancipatie gaat.

Wallage doet z’n uiterste best zich zijn onwaardige taak waardig te betonen. Hij is als man natuurlijk zwaar gehandicapt ten opzichte van zijn voorganger Elske, die althans officieel een vrouw was. Dit is waarschijnlijk ook de reden dat Wallage nog roomser is dan zijn voorganger. Had Elske al ingezien dat de deprimerende postbus 51-spotjes over seksueel geweld maar beter gestopt konden worden, Wallage daarentegen is ‘laaiend enthousiast over die spotjes. Ze zijn zo indringend en confronteren met name jongens zo goed met branieachtig gedrag, prima.’ Voorts is Wallage’s ‘role model’ in de politiek uiteraard een vrouw: Hedy D’Ancona. U weet wel, een van de ministers die bij de verkiezingen tot ‘politicus van het jaar’ zowel door de parlementaire pers als door het publiek incompetent werd bevonden. Waarom is Hedy het ‘role model’ van Wallage? Omdat ze zo lekker emotioneel kan zijn… Het is dat deze feminist het zegt, anders zou ik hem beschuldigen van een stereotyp en onderdrukkend vrouwbeeld.

Zelfs bij het beoordelen van de bijbel verloochent Wallage zijn feministische opvattingen niet. Het Oude Testament bijvoorbeeld vindt hij heel mooi, maar, zo voegt hij er snel aan toe, ‘wel wreed en vrouwonvriendelijk’.

Ook fulmineert Wallage tegen de schoolbesturen die het wagen om bij het aanstellen van een nieuwe directeur liever naar de competentie van de kandidaat kijken dan naar het geslacht. De scholen die het ongeluk hebben dat de meest geschikte kandidaat een man is, beticht Wallage van ‘nalatig heid’. ‘Maar ja, hier zit je met de autonomie van de schoolbesturen. En als je daar in Nederland aan komt, zwaait er wat.’ Je moet Wallage in ieder geval nageven dat hij, in tegenstelling tot sommige van zijn collega’s, weinig moeite doet om zijn verlangen naar een totalitaire staat te verbergen.

Maar Wallage heeft zelf al een oplossing bedacht om weerspannige schoolbesturen tot de orde te roepen. Straffen voor ‘nalatigheid’ vindt hij vervelend, dus wil hij dat voortaan ‘schoolbesturen die wel een vrouwelijke directeur benoemen daarvoor beloond worden, bijvoorbeeld met een extra formatieplaats. Dus een beloning voor een goede daad in plaats van straf voor nalatigheid.’ Feministes die hebben geklaagd dat Elske door een man werd vervangen, zijn voorbarig geweest. Als weinig vrouwen beheerst Wallage de vrouwenlogica. Hij meent werkelijk dat ‘scholen die een vrouwelijke directeur benoemen belonen door ze een formatieplaats meer te geven dan scholen die een mannelijke directeur benoemen’ iets anders is dan ‘scholen die een mannelijke directeur benoemen straffen door ze een formatieplaats minder te geven dan scholen die een vrouwelijke directeur benoemen.’

Wallage laat tevens zijn gedachten gaan over nieuwe, door hem te ontwerpen feministische overheidspropaganda. De Nederlandse mannen moeten van Wallage in deeltijd gaan werken en de helft van het huishouden voor hun rekening nemen, zodat hun vrouwen zonder overspannen te raken ook buitenshuis kunnen werken. ‘Een van de belangrijkste punten nu is mannen duidelijk te maken dat zij niet alleen vrouwen, maar ook zichzelf tekort doen door vrouwen buiten het maatschappelijke leven te houden en zelf buiten het gezinsleven te blijven… Als ik een spotje zou maken… dan zou ik het doen door heel duidelijk die twee zaken te benadrukken: het emotionele verlies dat je als man lijdt in zo’n verschraald leven en het verlies dat de maatschappij lijdt, omdat er nog veel te weinig vrouwen worden ingezet.’ En hoe regelt onze voorbeeldige feminist deze zaken zelf thuis? ‘Mijn vrouw Fransien draait naast haar baan voor het huishoudelijke werk en de kinderen op.’ Kortom: Wallage voelt zich wel competent genoeg om als feministische dominee miljoenen volwassen mannen bevoogdend toe te spreken over hoe ze hun leven dienen in te richten, maar zelf weigert hij aan zijn eigen ethische voorschriften te voldoen. Men kan zeggen: niets nieuws onder de zon, want ook de dominee’s die kuisheid predikten hebben altijd de kat in het donker geknepen. Maar deze vergelijking gaat niet helemaal op: Wallage knijpt de kat in het volle daglicht; hij doet helemaal geen moeite te verbergen dat hij zijn eigen moraallessen niet opvolgt.

Een dergelijke vorm van onbeschaamdheid is wel degelijk nieuw.

Pieter Bukman

Pieter Bukman bluft dat hij altijd ‘buitengewoon veel waardering’ heeft gehad voor het CDA-vrouwenberaad; uiteraard juicht hij als goed feminist het dumpen van baby’s op crèches toe; schept hij op over ‘ons departementale emancipatieplan’ met de prachtige ‘streefcijfers’ die worden gehanteerd voor vrouwen in hogere functies.

Voorts vindt hij het terecht dat de kinderopvang op zijn departement ‘slegs vir fraue’ toegankelijk is – een merkwaardige invulling van het begrip ‘gelijke rechten’. Wie meent dat dit een aberratie van Bukman is, moet weten dat de expert op het gebied van gelijke rechten, de Commissie Gelijke Behandeling, Bukman gelijk geeft en de klagende mannen in het ongelijk heeft gesteld. Dat mannen in geval van discriminatie überhaupt nog hun beklag doen bij deze commissie wordt veroorzaakt door de misleidende naam die de commissie draagt. De nutteloze en geldverslindende procedures die hier het gevolg van zijn, zouden in de toekomst voorkomen kunnen worden door een naam voor de commissie te kiezen die de lading wat beter dekt.

Tot slot schept Pieter op dat hij bij het vaststellen van de lijsten voor de Tweede Kamer ‘altijd erg op zoek was naar goeie vrouwen’ die hij dan ‘langs de mannen heen op een goeie plek probeerde te krijgen.’ Werkelijk amusant wordt het als hij zich er vervolgens over beklaagt dat hij dan door het CDA-vrouwenberaad hard werd bekritiseerd als hij ondanks al zijn vrouwvriendelijke inspanningen de ‘streefcijfers’ niet had gehaald.

Hans Alders, of: afvalscheiding op feministische grondslag

‘Van het feminisme heb ik geleerd dat mensen individuen zijn met eigen rechten’, aldus de eerste van slijm druipende poging van Hans Alders om een wit voetje te halen bij de Opzijlezeressen. Het feminisme, met z’n roep om ‘positieve discriminatie’, ‘streefcijfers’ en quota, als voorvechter van de rechten van het individu; ook Alders kijkt niet op een leugen meer of minder.

Ook in de rest van het interview doet Hans zijn uiterste best aan het plaatje van de ideale feministische schoonzoon te voldoen. ‘Ik kan voor honderd procent voor mezelf zorgen. Ik kan koken, ik kan mijn overhemden strijken.’ Echt waar Hans? Knappe jongen!

Alders heeft de niet geringe handicap dat hij over milieu gaat, een onderwerp dat toch niet eenvoudig aan vrouwenemancipatie kan worden gekoppeld – zou men denken. Maar Alders is niet voor een gat te vangen. Hij maakt het onmogelijke mogelijk en weet zijn milieubeleid toch helemaal op feministische leest te schoeien: ‘In het emancipatieplan van het kabinet hebben we vastgelegd dat we aandacht besteden aan de gevolgen die milieumaatregelen hebben voor de emancipatie.’ Dit heeft tot gevolg dat zelfs de afvalscheiding op feministische grondslag geschiedt: ‘Wat de afvalscheiding betreft, hebben we wel degelijk rekening gehouden met de invalshoek emancipatie.’ En er bestaat zelfs een project met de naam ‘Milieu en Emancipatie’ dat door Alders genereus wordt gesubsidieerd. Een schrijver die een dergelijk project in een satirisch verhaal beschrijft, zal te horen krijgen: ‘flauw’, ‘overdreven’. Op het ministerie van Hans Alders is het realiteit.

Wim Kok

Als een schooljongen laat Kok zich door Opzij op z’n nummer zetten. Opzij, bestraffend: ‘Als je vindt dat vrouwen evenveel kansen moeten hebben als mannen, moet je er ook voor zorgen dat vrouwen in beleidsbepalende commissies terechtkomen. Dan kun je geen stuurgroep in het leven roepen waar geen enkele vrouw in zit.’ Kok, berouwvol, zonden toegevend: ‘Dat punt is voor u. Die bal ligt hoog in de touwen.’ Dat het begrip ‘gelijke kansen’ gelijk staat aan ‘gelijke uitkomsten’ wordt door Kok uiteraard zonder protest aanvaard. Dat vrouwen in tegenstelling tot mannen doorgaans de voorkeur geven aan een deeltijdbaan, die ze ook nog eens opgeven zodra ze hun eerste kind krijgen; dat dit tot gevolg heeft dat er nauwelijks vrouwen zijn die in aanmerking komen voor de hoogste functies – het is Kok allemaal niet bekend.

Kostwinnersvoordelen moeten uiteraard worden afgeschaft van Kok – stel je voor dat een van de ouders genoeg verdient om het hele gezin te kunnen onderhouden, zodat de kinderen door de ouders kunnen worden opgevoed in plaats van door de staat! En stel je voor – oh, dubbele schande! – dat de kostwinner een man is, zodat de vrouw de kinderen zou opvoeden! Dat zou al te rolbevestigend zijn. Nee: werken, allebei, of er nu voldoende werk is of niet; de kinderen dienen uiteraard in de crèche te worden gedumpt. Kinderopvang heeft dan ook ‘grote prioriteit’; Kok bluft over ‘een doorbraakje’ dat de PvdA op dit gebied heeft bereikt ondanks de vrouwonvriendelijke tegenwerking van het CDA. Niet alleen voor de vrouwen zijn de crèches goed, ‘maar ook voor de kinderen zelf is het goed om op jonge leeftijd eigen sociale contacten te hebben.’ Ja, daar zitten ze echt om te springen, al die een- twee- en driejarigen: een eigen vriendenkring opbouwen, weg uit de benauwenis van het ouderlijk huis! Durft een rasfeministe als Anja Meulenbelt al toe te geven dat crèches misschien helemaal niet zo’n ideale vorm van opvoeding vormen, Kok toont zich nog steeds roomser dan de paus. Nou ja, hij is ook een man, en dan heb je nu eenmaal minder speelruimte dan een vrouw om feministische dogma’s in twijfel te trekken.

Pieter Kooymans

Minister Kooymans verwierf landelijke faam als feminist door zijn uitlatingen over de verkrachtingen in het voormalig Joegoslavië (zie Reactie nr. 1: ‘feminisme en Joegoslavië’). In Opzij worden zijn uitspraken over dit onderwerp nog grotesker: ‘Mannen kun je doodschieten, maar vrouwen kun je nog valser aanpakken.’ Kortom, volgens deze feminist is verkrachting erger dan moord. Zou Kooymans werkelijk menen dat vrouwen, gesteld voor de keus, liever zouden worden doodgeschoten dan verkracht? Je zou bijna denken van wel, want het lijkt niet erg waarschijnlijk dat Kooymans het op zijn leeftijd nog belangrijk vindt om bij de dames in het gevlei te komen.

Voorts is Kooymans voorstander van het aanstellen van speciale rapporteurs inzake de schending van vrouwenrechten – een nieuw feministisch wanbegrip, dat op de seksistische veronderstelling berust dat vrouwen geen mensen zouden zijn, en dus niet onder de ‘mensenrechten’ zouden vallen.

Eén keer heeft Kooymans zijn mond voorbij gepraat. Feministen eisten dat het tribunaal dat de oorlogsmisdadigers in het voormalige Joegoslavië moet berechten, voor 50 % uit vrouwen zou bestaan. ‘Het gaat niet om het geslacht, maar om de kwaliteit’, heeft Pieter toen gezegd. En van die ene keer in zijn leven dat hij iets verstandigs zei, kreeg hij meteen spijt. Opzij presenteerde triomfantelijk de rekening: ‘Hebt u dat echt gezegd?’ Kooymans, bedremmeld: ‘Ja, dat heb ik gezegd.’ Opzij, meedogenloos: ‘Dat mag u nooit meer doen.’ Kooymans: ‘Nee, nee, nee, ik begrijp wat u bedoelt, omdat iets dergelijks nooit bij mannen gezegd wordt.’ Lik lik, kruip kruip. Alle feministische drogredenen kent Pieter uit z’n hoofd, en nog voor z’n feministische ondervragers ermee voor de dag kunnen komen, lepelt hij ze braaf op. Hoe zou het toch komen dat bij mannen nooit wordt gezegd: ‘het gaat niet om het geslacht, maar om de kwaliteit’? Misschien omdat er nooit iemand zo gek is om te eisen dat een bepaalde groep per se voor 50% uit mannen moet bestaan?

Om de indruk dat hij kwaliteit belangrijker vindt dan geslacht definitief weg te nemen, rept Kooymans even later over ‘een tekort aan vrouwen’ op zijn ministerie, dat snel dient te worden opgeheven.

Wat betreft het huishouden steekt Kooymans Alders naar de kroon; zodra de bonte was ter sprake komt, wordt Kooymans bijna lyrisch: ‘Ik heb altijd de was gedaan en altijd gestreken. Ik vind was sorteren een heel rustgevend werkje. En strijken? Ook heel rustgevend. Je ziet je handen zo heen en weer gaan, je ziet dat ze iets nuttigs doen, dat is een geruststellende gedachte.’ Tot zover dit bericht van het huisvrouwenfront.

Jan Pronk

Jan Pronk is het braafste jongetje in de feministische klas, en is dan ook terecht beloond met het hoogste cijfer. Bij de ontwikkelingshulp aan moslimlanden wil Pronk meer aandacht geven aan de positie van vrouwen. ‘Het verdient aanbeveling dat ontwikkelingswerkers in moslimlanden op de hoogte zijn van de religieuze en wereldlijke argumenten die gebruikt worden om het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen te vergroten’, aldus Pronk’s nota ‘Vrouwen, islam en ontwikkelingssamenwerking’. Wie had kunnen bevroeden dat een progressieve man als Pronk in staat zou zijn tot een dergelijk stuitend staaltje neokolonialistisch cultuurimperialisme! Pronk’s ontwikkelingswerkers treden in het reactionaire voetspoor van de zendelingen; het christendom is ingeruild voor het feminisme, maar verder blijft alles bij het oude.

‘Vrouwen en ontwikkeling’ is een van de ‘speerpunten’ van zijn beleid, aldus een trotse Pronk. De vrouwen die op deze afdeling werken, toetsen niet alleen alle ontwikkelingsprojecten op ‘vrouwvriendelijkheid’, maar verzorgen tevens – het kan altijd nog gekker – de voor alle ambtenaren verplichte ‘gendertraining’. Voor de niet-ingewijden in het progressieve jargon: dit laatste is een eufemisme voor ‘feministische propaganda’.

Feministische heropvoedingscursussen voor ambtenaren: in de Sovjet-Unie zijn ze er inmiddels achtergekomen dat dit soort praktijken maar beter afgeschaft kunnen worden, maar in Nederland is men nog niet zover. Intussen wachten Pronk’s ambtenaren met angst en beven de verplichte cursus antiracisme af; gezien Pronk’s fanatieke opstelling in het asieldebat kan die onmogelijk lang op zich laten wachten.

Ook over de vrouwenbesnijdenis klopt Pronk zich op de borst: ‘Het uiteindelijke kabinetsstandpunt over clitoridectomie, waarbij alle vormen van vrouwenbesnijdenis werden afgewezen, is hier gemaakt… Ik heb er mijn nek voor uitgestoken.’ Dappere Jan! Hoewel hij bij meisjes zelfs een symbolisch, niet-verminkend sneetje afwijst, rept hij over jongensbesnijdenis met geen woord; over de regels van de dubbele moraal hoef je Pronk niets te leren. Afgezien van het feit dat aan het opkomen voor de rechten van onderdrukkertjes-in-de-dop weinig eer te behalen valt, zal het waarschijnlijk een belangrijke rol spelen dat het besnijden van jongetjes een joods gebruik is. Stel je voor dat de Anne Frank Stichting je van antisemitisme zou beschuldigen! Pronk wil – net als al die andere dappere tegenstanders van vrouwenbesnijdenis – wel z’n nek uitsteken, maar niet als er een kans bestaat dat ‘ie wordt afgehakt.

Uiteraard is Pronk ook een warm voorstander van ‘positieve discriminatie’: ‘je hebt nu eenmaal positieve discriminatie nodig voor mensen die in een ontwikkelingsproces op achterstand verkeren.’ Erg idealistisch van Pronk, maar je vraagt je wel af waarom Pronk zelf niet wat meer meewerkt aan het opheffen van deze achterstand. Pronk’s machokabinet telde bij de installatie maar drie vrouwelijke ministers, bepaald geen afspiegeling van de bevolking. Wat had meer voor de hand gelegen dan dat Pronk, toen hij zijn ministerspost kreeg aangeboden, deze had afgeslagen en zijn plaats had afgestaan aan een capabele vrouw? Capabele vrouwen lopen er immers bij bosjes rond, gediscrimineerd als ze worden. Zo’n gebaar zou een behoorlijk effect hebben gehad: veel publiciteit (‘PRONK STAAT PLAATS AF AAN VROUW’), discussies in de media over het versnellen van het emancipatieproces, mannen die Pronks mooie voorbeeld vrijwillig volgen, etcetera. En het belangrijkste gevolg: het kabinet zou vier vrouwelijke ministers tellen in plaats van drie. Het zou betekenen dat op het hoogste niveau, daar waar de macht werkelijk zit, vrouwen 33% meer invloed zouden hebben. Pronk had het met een simpel gebaar allemaal kunnen bewerkstelligen. Vreemd genoeg heeft hij dit niet gedaan, maar heeft hij welbewust de achterstandspositie van vrouwen op regeringsniveau in stand gehouden. Wel verlangt hij van andere mannen dat ze zich opofferen, en dan niet vrijwillig, maar gedwongen.

Relus ter Beek

Ook Relus schept flink op over z’n feministische prestaties: gemengde ‘bemanning’ op marineschepen, speciale maatregelen voor ‘herintreedsters’, kinderopvang bij diverse grote legercentra, enzovoorts. Kortom, ons leger verandert in één grote crèche, en Relus is er nog trots op ook.

Eén citaat van Relus torent er wegens z’n bijzonder onbeschaamde leugenachtigheid boven uit. Relus is tegen militaire dienstplicht voor meisjes, want: ‘zolang de rechten nog niet gelijk zijn, vind ik het fout alvast met de gelijktrekking van de plichten te beginnen’. Onnodig te vermelden dat toelichting op die ‘ongelijke rechten’ geheel achterwege blijft.

Hans van den Broek

‘Een lichte huiver’ is Van den Broek’s eerste associatie bij het horen van het woord ‘feminisme’. En zijn standpunten zijn er dan ook naar: hij schept op over het ‘positief actieplan’ en de ‘voortrekkersrol’ van zijn eigen ministerie, waar hij ‘best een beetje trots’ op is: ‘Kijk naar het percentage vrouwen dat hier werkt: dat is inmiddels 38% en dat is boven het gemiddelde van andere ministeries. We halen onze streefcijfers vast al voor 1995.’ Dat de interviewster niet struikelt over de competitiedrifterige en prestatiegerichte manier waarop Van den Broek over zijn feministische krachttoeren praat, verbaast me wel een beetje. Kennelijk zijn deze akelige mannelijke eigenschappen niet in alle omstandigheden verwerpelijk.

Jo Ritzen

‘Er moet nog een lange weg worden afgelegd om te bereiken dat er veel meer gelijkwaardigheid komt tussen mannen en vrouwen. Mannen hebben op veel fronten nog steeds de beste mogelijkheden’, aldus Ritzen. Nadere uitleg over deze ongelijke mogelijkheden blijft zoals gebruikelijk achterwege.

Voorts kapittelt Ritzen onze feministische universiteiten omdat ze naar zijn zin nog niet positief genoeg discrimineren. Arme universiteiten: doen ze zo hun best, en dan dit! Ook het gebrek aan feministische propaganda op de scholen zint hem niet: ‘De overheid mag kwaliteitseisen stellen aan de scholen. Zo’n kwaliteitseis zou ook betrekking kunnen hebben op de mate waarin kinderen roldoorbrekend gedrag wordt aangeboden op de scholen.’ Ritzen heeft gelijk. Feministische indoctrinatie kan niet vroeg genoeg beginnen als men optimale resultaten wil behalen. Ook de jezuïten wisten het al: bewerk een kind zo mogelijk voor zijn zevende jaar, en je krijgt God er de rest van z’n leven niet meer uitgestampt.

Ritzen durft het zelfs aan zich feministischer te betonen dan Opzij: vrouwen moeten volgens hem harder met de vuist op tafel slaan.

‘Ik ben er een voorstander van dat meisjes meer bij de techniek en de bètawetenschappen worden betrokken, want wie de techniek in z’n hand heeft, heeft in zekere zin de macht.’ Kennelijk denkt ook Ritzen dat de afkeer die de meeste meisjes van bètavakken hebben niet te wijten is aan een gebrek aan interesse en talent, maar aan de seksistische opvoeding. Maar hoeveel ouders zijn er vandaag nog die hun dochters durven te zeggen dat meisjes geen wiskunde moeten kiezen? En hoe vaak hoor je zoiets nog op radio of televisie? Hoe vaak lees je zoiets nog in kranten en weekbladen? Ik lees en hoor overal alleen het tegenovergestelde; desondanks is het aantal meisjes dat wis- natuur- of scheikunde studeert verwaarloosbaar klein. (Een beter bewijs dat ‘opvoeding’ en ‘maatschappij’ toch niet zoveel invloed hebben als feministen plegen te denken, lijkt me moeilijk te leveren.)

Uiteraard bluft Ritzen ook over zijn huishoudelijke talenten: ‘Totdat ik minister werd, ben ik altijd heel nauw betrokken geweest bij de opvoeding van de kinderen en het huishoudelijke werk. Ik deed echt van alles, afwassen, koken, strijken…’

Voorts betoont Ritzen zich behalve een voorbeeldig feminist, ook nog een eminent antiracist. Over het werk in de mijnen dat hij als student twee weken heeft gedaan, zegt hij: ‘Het was het rotste werk dat je je kunt voorstellen. Bijna al die mensen kregen stoflongen. En het allerrotste werk werd door buitenlanders gedaan.’ Ach, wat werden die arme buitenlanders toch onderdrukt en uitgebuit! Maar Ritzen vergeet te vermelden dat het rotte werk in de mijnen zonder uitzondering door mannen werd gedaan. Mannen die allemaal stoflongen opliepen om dezelfde vrouwen te kunnen onderhouden die nu volgens Ritzen harder met de vuist op tafel moeten slaan.

Bert de Vries

Bert de Vries is de enige mannelijke regent die als feminist geen tien haalt. Hij is de enige die het hoofd nog een beetje koel houdt, en een laatste restje mannelijke trots en gevoel voor recht en waarheid bewaard heeft. Af en toe lijkt deze zuurpruim er zelfs plezier in te hebben zijn feministische tegenstandster in de zijk te nemen. Om dit treurige overzicht toch nog vrolijk af te kunnen sluiten, geef ik hier tot slot een voorbeeld van de droge humor van De Vries.

Vraag van Opzij: ‘Een van de manieren waarop betaald werk en onbetaalde taken in het huishouden c.q. het opvoeden van kinderen kunnen worden herverdeeld, is korter te gaan werken. Uit onderzoek blijkt dat er ook steeds meer mannen zijn die minder willen werken, omdat ze ook eens wat meer met hun kinderen willen doen. U hoor ik daar nooit over.’ Antwoord van De Vries: ‘Moet dat dan?’

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Croughs, Bart, topic: Croughs, Bart, Allerlei, Vrijbrief 1994/4
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.