woensdag, 9 juni 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De ethiek van privatisering


Vertaling: H. Jelgershuis Swildens

“Zonder een gedegen morele rechtvaardiging zou de mens aan privatisering ten onder kunnen gaan”

Dit essay is ontleend aan een lezing, die op 19 februari 1986 werd gegeven op een symposium te Parijs georganiseerd door de Internationale Kamer van Koophandel en het Economisch Instituut Parijs.

De pragmatische benadering gebaseerd op succesvolle productie van rijkdom is niet de voornaamste rechtvaardiging voor het Westen. Privatisering op zichzelf moet niet uitsluitend geaccepteerd worden als een n efficiënte manier om falende economieën te redden, maar als een weg terug naar de oorspronkelijke verplichting van de Westerse wereld: bevrijding van de mens van onderdrukking door anderen en hun regeringen.

Het is van vitaal belang om een goed begrip te hebben van de morele rechtvaardiging van vrijheid en privatisering, evenals voor de praktische waarde ervan.

Privatisering zal voor velen een grote verandering betekenen; te denken valt bijvoorbeeld aan de verandering in arbeidsplaatsen. De betrokken belangengroepen zullen zich er niet bij neerleggen zonder protesten en argumenten gebaseerd op rechtvaardigheid en medegevoel. Zij zullen de voorstanders van privatisering erop aanvallen dat zij uitsluitend oog hebben voor de uiterste consequentie van privatisering: de financiële voordelen. Is dat uit ethisch oogpunt niet afschuwelijk? En onthield niet juist die overheid die voordelen aan allen?

Gezond verstand

Ik wil beginnen met de elementaire constatering, dat handel een onderdeel is van het leven, waarbij zowel man als vrouw zich erop toeleggen hun eigen leven en dat van hun familieleden, te verbeteren.

Handel is een uiting van het verstandelijk handelen van de mens. Elke poging, die het vrije handelen wil dwarsbomen roept serieuze morele vragen op. Gezond verstand is een onmiskenbare volkomen menselijke eigenschap in bijna elk moreel systeem in de wereld. Daarnaast is in elk oprecht moreel systeem de vrijheid om te kunnen kiezen tussen goed en kwaad, een essentieel onderdeel van het morele leven van de mens. Iemand die niet volledig vrij is kan ook niet moreel verantwoordelijk gesteld worden voor zijn doen en laten.

Hoe meer echter een samenleving aan enkelen toestaat anderen het gedrag voor te schrijven – met inbegrip van het economisch handelen – des te meer de menselijke waardigheid beperkt wordt en daarmee iemands persoonlijke verantwoordelijkheid. Dit is echter niet het hele verhaal. Wat we tot nu toe bespraken zal duidelijk zijn, maar er gaat niet voldoende morele kracht van uit. Het is allemaal wel waar, maar niet voldoende inspirerend. Adam Smith gaf ons de sleutel hiertoe in het volgende:

“Vroegere morele filosofieën stelden voor te onderzoeken waaruit het geluk en de volmaaktheid van de mens bestond als men deze niet als een zelfstandige persoonlijkheid beschouwde, maar als een lid van een familie of stam, als onderdaan van een staat of van een grote leefgemeenschap als het mensdom. In die filosofie werden de plichten van het mensenleven beschouwd ondergeschikt te zijn aan het geluk en de vervolmaking van het menselijk bestaan. Toen echter onderwezen werd dat morele, zowel als natuurlijke filosofieën ondergeschikt waren aan godskennis werden de menselijke plichten beschouwd ten dienste te staan van een leven in het hiernamaals. In die oude filosofie werd de vervolmaking van de rede (het verstand) voorgesteld als de noodzakelijke vorm – voor de persoon die erover beschikte – om hem een gelukkig leven te bezorgen.

In moderne filosofieën wordt het heel vaak afgeschilderd als in tegenspraak te zijn met welke vorm van geluksgevoel dan ook. Het hiernamaals kon slechts bereikt worden door boetedoening en kastijding en niet door het vrije en edelmoedige gedrag van de mens. Bijna alle afgeleiden van deze filosofieën werden op deze manier tot de meest verderfelijke.

De opmerkingen van Adam Smith doen vermoeden, dat de ethiek, die het kapitalisme en daarmee haar huidige afleiding, de privatisering, onderbouwt, gevonden zou kunnen worden in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring. De rechten op persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid zijn verbonden met het recht geluk na te streven. Om menselijk geluk na te streven op een nijvere, verantwoorde, eerlijke en waardige manier, hebben mensen, waar ook ter wereld politieke en economische vrijheid nodig. Wat duidelijk benadrukt moet worden, om met Smith’s woorden te spreken, is dat “deugdzaamheid vanzelfsprekend een stimulans is voor diegenen die erover beschikken, voor een zeer gelukkig leven”.

Dit nu is het belangrijkste van een ethisch systeem, namelijk dat het iemand een zinvolle leidraad in zijn leven geeft en het geen basis is waarop het socialisme, het fascisme, het communisme of welk ander collectief systeem dan ook gegrondvest kan zijn. Een dergelijke ethiek kan uitsluitend geïdentificeerd worden met een vrije samenleving met een rechtssysteem dat bescherming geeft aan de vrijheid om te denken, vrijheid van godsdienst, vrije handel en vrijheid om overeenkomsten aan te gaan; vrij ondernemerschap.

Economisch egoïsme?

Zoals bekend wordt het kapitalisme vaak gekoppeld aan de gedachte dat een mens egoïstisch is en dat het kapitalisme het enige economische systeem is dat een dergelijke leefwijze mogelijk maakt. Veel van de weinig fijngevoelige lezers van Adam Smith interpreteren het ook zo. De meest opmerkelijke van hen was Karl Marx, die het systeem van persoonlijk; eigendom verbond met het meest hardvochtige egoïsme toen hij stelde: “het recht van de mens op eigendom is hetzelfde recht om over zijn eigendommen te beschikken en zich ervan te ontdoen naar willekeur zonder aandacht te schenken aan anderen, onafhankelijk van de samenleving; het recht op egoïsme”.

Er zijn vele moderne economen, die het systeem van het recht op persoonlijk eigendom verbinden aan dit grove kortzichtige egoïsme, dat zij hebben geërfd van de Engelse filosoof Thomas Hobbes. Zij doen dit vaak in een vertwijfelde poging het kapitalisme een wetenschappelijke basis te geven en doen het daarbij voorkomen dat een zuivere normloze en waardenloze analyse ons ertoe dwingt een dergelijk systeem te kiezen. Deze bekrompen economische voorstelling van het egoïsme is echter onjuist. In feite kiezen mensen helemaal niet vanzelfsprekend uit wat het beste voor hen is – als dat waar was dan zouden we in een fantastische wereld leven. Evenmin weten zij altijd wat goed voor hen is – ook dat zou bijzonder handig zijn als dat waar was. Integendeel, mensen moeten erg hun best doen om uit te vinden wat goed voor hen is en zij moeten hard werken om het te bereiken. De filosofie van de menselijke zelfzucht ofwel persoonlijk geluk is iets heel anders dan wat men in het algemeen met het kapitalisme in verband brengt. Het vergt inspanning. Weer citeer ik Adam Smith, die de juiste aard duidelijk beschreef toen hij zei: “Het is niet onze genegenheid voor onze buurman en evenmin liefde voor het mensdom die ons zo vaak tot verdienstelijke daden brengt. Het is een veel grotere liefde en een veel sterkere genegenheid, die ons op zo’n moment beïnvloedt, het is het gevoel voor wat eerzaam is en nobel, het gevoel voor de grootsheid en de waardigheid en de superioriteit van ons eigen karakter”.

Zoals Smith het dus zegt een onvervalste betrokkenheid met onszelf is een veeleisend en inderdaad nobel streven. Onze taak in het leven is te streven naar menselijke grootsheid. Hier wordt ons een tip gegeven die antwoord kan geven op de vele vragen die rijzen naar aanleiding van privatisering. Vrije handel is een noodzakelijk onderdeel van een menswaardig bestaan. Wij kunnen ons niet rechtvaardigen er inbreuk op te maken, zelfs niet voor zaken als werkeloosheidsuitkeringen, een welvaartvast bestaan, medelijden met een mogelijk vergeten minderheidsgroep voor wie het niet de moeite loont zich in te spannen en zo meer. Een dergelijk compromis kan aantrekkelijk lijken als men uitsluitend oog heeft voor de benarde positie van die weinigen die niet rechtstreeks profiteren van privatisering.

Als we ons echter realiseren dat een politiek-economisch systeem ten dienste hoort te staan van (morele) persoonlijke zelfontwikkeling en niet ten dienste van zelfopoffering, dan zal het duidelijk zijn dat privatisering zich op een morele grondslag bevindt en dat zij die er afbreuk aan willen doen de problemen die zij op hun weg vinden zelf dienen op te lossen zonder om compromissen te vragen.

Verdediging van de vrije samenleving

Het is aan hen, die momenteel werkzaam zijn in de vrije wereld en in de sectoren die geprivatiseerd zijn om de vrije samenleving te verdedigen. Wij kunnen geen beroep doen op intellectuelen waarvan de meeste een bestaan hebben dankzij de overheid en die ervan overtuigd zijn dat de staat superieur is in haar bedoelingen en capaciteiten boven datgene wat de vrije markt bestuurt.

De verdediging van de vrije maatschappij, met inbegrip van haar nieuwste verschijningsvorm – privatisering – zal eerst op het filosofische front gevoerd moeten worden. Daarbij behoeft men zeker niet aan de materiële voordelen voorbij te gaan die zo’n systeem voor de mensen in die leefgemeenschap met zich meebrengt; maar wat veel belangrijer is, is dat het iedereen de vrijheid geeft om te kiezen op morele gronden met inbegrip van de keuze van iemand persoonlijke economische inspanningen. Dergelijke keuzen mogen terecht ook gericht zijn om de welvaart van hen, die ons na staan (familie – vrienden – collega’s) en ook allerhande andere (economische) factoren te bevorderen.

Het mensdom is niet zo maar iemand – één héél groot mens – wiens welvaart wij moeten dienen, zoals ons hart en lever de welvaart van ons lichaam dienen. Het mensdom zijn u en ik. Als we niet de vrijheid hebben om voor onszelf het maximum te bereiken, als het niet aan onszelf wordt overgelaten om in ons leven naar menselijk grootsheid te streven, dan kan het doel door niemand anders worden overgenomen. Elke redenering, die hiermee in tegenspraak is berust op dromen en niet op feiten.

Het idee van privatisering houdt grote beloften in en moet verder uitgebreid worden om het economische leven van de mens vrijer te maken dan nu. Men moet er echter voor waken het als een wondermiddel voor alle kwalen te beschouwen – het mag niet ten offer vallen aan een stelletje hersenschimmigen die denken dat een systeem alle problemen in onze samenleving op kan lossen.

Voor alles moet duidelijk onderstreept worden dat privatisering een eigen morele rechtvaardiging heeft. Zonder dat zal het slechts een voorbijgaande fantasie zijn.

Dr.Tibor R. Machan is professor in de filosofie aan de Auburn Universiteit te Auburn Alabama, erelid van de Reason Foundation en schrijver van (o.a.) “Menselijke Rechten en Menselijke Vrijheid”. Het boek dat hij voor Random House redigeerde: “Het voornaamste Geschilpunt: Communisme versus Kapitalisme” zal in 1987 verschijnen.

Vertaling H. Jelgerhuis Swildens

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Machan, Tibor R., topic: Machan, Tibor R., Libertarische theorie, Vrijbrief 110 (april 1987)
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.