donderdag, 10 juni 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Mijn haar, mijn auto en de werkgelegenheid


Geld dat ik ontvang (en dit geldt in Nederland voor iedereen) voor mijn werk – vroeger wel loon, salaris, provisie, honorarium, etc. genoemd – behoort aan de gemeenschap en die gemeenschap zal dienen te bepalen wat ik, als zakgeld, mag houden en “vrij” besteden. Dat dit zo is, is mij al door de toenmalige minister van financiën, de heer Hofstra, uitdrukkelijk verteld.

Deze week ontving ik echter een overdruk van een artikel in het tijdschrift Succes, waaruit blijkt dat mijn opvatting over dat “vrij” besteden volkomen verkeerd is! Uit dit artikel blijkt dat er nu verschillende organisaties zijn, die recht hebben op hun deel van dat “vrij” te besteden geld. Een tweetal organisaties werden er in dit artikel aan het woord gelaten. Met angst en beven vraag ik mij echter inmiddels af hoeveel van die rechthebbende organisaties er nog meer zijn. Opdat men een rechtvaardiger aandeel van dat zakgeld wil verkrijgen zal via een aantal nieuwe wetten een vaste claim op dat zakgeld worden gelegd. Natuurlijk zullen deze wetten wel deregulerend gaan werken zo werd er verzekerd (u moet wel begrijpen dat deregulerend hier niet is bedoeld als er een puinhoop van maken, maar op libertarische wijze deregulerend).

Wat zijn nu mijn moeilijkheden?

Een kleine 50 jaar ging ik naar diverse kappers om mijn haar te laten knippen. En hoewel ik daar ieder jaar meer geld aan kwijt was, is het mij nooit gelukt om een kapper te vinden die, tegen een redelijke vergoeding voor de bewezen diensten, mijn haar wilde knippen, zoals ik dat graag wilde hebben. Toen deze gang van zaken mij ging vervelen, heb ik een ding gekocht waarmee mijn vrouw mijn haar kan knippen. Voor het eerst in mijn leven gebeurt het zoals ik het graag heb!

Nu lees ik echter tot mijn ontsteltenis in dat artikel, dat de kappersbond recht heeft op 280 miljoen gulden extra omzet, omdat ik me door Beun de Haas laat knippen en dat is een schande. Beun de Haas heeft geen diploma en geen salon en er zouden zeker 20 % meer arbeidsplaatsen zijn wanneer ik mijn haar vakkundig en gediplomeerd zou laten knippen.

Met die nieuwe wet lijkt het mij echter toch nog niet helemaal goed te gaan. Wil zo’n nieuw systeem een klein beetje efficiënt kunnen werken, dan zou in die nieuwe wet eveneens opgenomen dienen te worden dat die gediplomeerde, goed ingerichte haarverzorger het recht heeft, ik zou willen zeggen de plicht heeft, (maar dat is in deze tijd vol rechten en zonder plichten waarschijnlijk toch niet haalbaar!) om mij voor te schrijven hoe ik mijn pruik dien te dragen. Zonder deze wettelijke verplichting zou ik waarschijnlijk binnen de volgende halve eeuw weer gefrustreerd raken omdat ik mij niet vrijwillig de pruikenwet zou laten voorschrijven.

Alsof deze klap nog niet genoeg was, lees ik in datzelfde verhaal in datzelfde Succes (ik vraag mij af wiens Succes?) ook nog dat ik niemand naar mijn auto mag laten kijken, laat staan eraan laten komen om er wat aan te sleutelen, wanneer hij geen erkend lid van de BOVAG is. Alleen al het feit dat ik zo nu en dan eens zelf wat aan mijn auto doe, blijkt de claim van 650 miljoen gulden, die de BOVAG op mijn zakgeld heeft al in gevaar te brengen. Ook hier is men enthousiast om via vorenbedoelde wetgeving de claim vast te leggen. Het argument is hier eveneens dat dit alles desastreus voor de werkgelegenheid is.

Als ik lang over deze verhalen nadenk kom ik tot de volgende vraag: als kapper en garage niet van mijn uitgaven kunnen profiteren gaat er daarom werkgelegenheid verloren? Als dit soort zaken door Beun de Haas wordt gedaan, meestal tegen een lagere prijs, dan is het resultaat alleen dat er minder geld is uitgegeven, de werkgelegenheid is precies gelijk gebleven. Aangezien mijn spaarpot door deze gang van zaken niet groter wordt, zijn er maar twee mogelijkheden: Ik geef al mijn geld uit en door Beun de Haas wordt mijn auto in een goede en verkeersveilige staat gehouden. De BOVAG mist dus eigenlijk helemaal niets, want door hen zou ik het niet kunnen laten doen en ik zou dan bovendien een gevaar op de weg zijn. Of ik heb het overgehouden geld uitgegeven aan andere zaken. In dat geval is door die (extra) uitgaven weer extra werkgelegenheid geschapen.

Mocht mijn spaarpot groter worden, (ik zou eventueel de besparingen bijeen kunnen schrapen uit puur egoïstische kapitalistische motieven) dan zou ik deze gelden naar de bank brengen. In een oude sok bewaart een rechtgeaarde uitbuiter nu eenmaal zijn gelden nooit, het moet altijd wat opbrengen. Dat spaargeld veroorzaakt dan echter weer een rentedaling, die zo hoor en lees ik overal, broodnodig is voor de werkgelegenheid. Die bank zal iets moeten doen met dat geld. Omdat het nu goedkoper is geworden, kunnen de nodige bedrijven met goedkopere leningen geholpen worden en via die investeringen kunnen weer arbeidsplaatsen geschapen worden.

In deze context zou ik tot slot willen stellen dat zonder dit “goedkope, zwarte” circuit zowel de werkeloosheid als de onveiligheid in het verkeer nog vele malen groter zou zijn.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Hulten, Walther van, topic: Hulten, Walther van, Commentaar, Vrijbrief 94 (december 1985)
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.