woensdag, 9 juni 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Mythe 8: Vrijwillige beperkingen zijn niet protectionistisch


FEIT: Dergelijke beperkingen zijn niet WERKELIJK vrijwillig, zij zijn wel protectionistisch.

Enkele goedwillende burgers binnen en buiten de regering onderkennen de gevaren, die aan een openlijk protectionisme kleven en stellen daarom zogenaamde “vrijwillige beperkingsovereenkomsten” (VBO’s) voor. Deze overeenkomsten worden op bilateraal niveau tussen de regering van de Verenigde Staten en andere regeringen overeengekomen. De andere regeringen gaan ermee akkoord om “vrijwillig” hun export naar Amerika te beperken.

Eén van de meest bekende VBO’s is al eens eerder ter sprake geweest: Japans bereidwilligheid haar auto-export naar Amerika te beperken. Dergelijke VBOs voor staal zijn overeengekomen met Australië, Brazilië, Finland, Mexico, Zuid-Afrika en Spanje.

Er zitten drie onjuistheden in de bewering dat “vrijwillige” overeenkomsten in overeenstemming zijn met de vrije handel. Ten eerste zijn deze overeenkomsten niet vrijwillig. Andere regeringen worden tot onderhandelen gedwongen onder bedreiging dat als zij niet “vrijwillig” hun export beperken, de Amerikaanse regering het wel voor hen zal doen.

De enige werkelijke keus die zij hebben, is tussen meer of minder stringente beperkingen en of zij wel of niet willen meewerken de schijn van instemming op te houden.

Ten tweede: zelfs als deze overeenkomsten zouden zijn bereikt zonder enige al of niet bedekte vorm van dwang dan kan men ze nog steeds niet vrijwillig noemen. Zulke overeenkomsten worden gemaakt met buitenlandse regeringen en niet met buitenlandse fabrikanten. Het is erg makkelijk andere naties als enkelvoudige grootheden te beschouwen, zoals: “de Japanners” of “de Canadezen”, maar afgezien van naties met een centraal geleide economie, is het juist erg belangrijk onderscheid te maken tussen buitenlandse regeringen en buitenlandse fabrikanten. Japan bijv. beperkt haar auto-exporten naar de VS nog steeds ondanks dat President Reagan toestond de officiële VBO’s met ingang van maart 1985 als geëindigd te beschouwen. Een “vrijwillige” beperking is in werkelijkheid een overeenkomst waarin een buitenlandse mogendheid belooft om de bedrijven die onder haar zeggenschap vallen, te dwingen om minder goederen aan hun Amerikaanse klanten te verkopen. Deze bedrijven hebben net zo min toegestemd in een beperking als dat de Amerikaanse consumenten erom gevraagd hebben. Tenslotte worden de afnemers net zo zwaar getroffen door “vrijwillige” beperkingen als door eenzijdig opgelegde invoerrechten en beperkte hoeveelheden. Een VBO vermindert de hoeveelheid buitenlandse goederen op de Amerikaanse binnenlandse handelsmarkt waardoor de prijzen hoger worden. VBO’s zijn door de regering opgelegde beperkingen in de vrije keus van de verbruikers. Door het een wat vriendelijker klinkende naam te geven verandert er echter niets aan de feiten.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Onbekend, topic: Onbekend, Economie, Vrijbrief 127 (september 1988)
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.