woensdag, 21 maart 2001
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De Broeikasdreiging, Realiteit of Mythe?

Onlangs is
het derde rapport verschenen van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate
Change), dat in 1988 is opgericht door de VN. Het IPCC dient om de resultaten
van het wetenschappelijk klimaatonderzoek van over de hele wereld te verzamelen
en te interpreteren. In 1990 verscheen het eerste “assessment report”, in 1995
het  tweede, en onlangs het derde. Dit
omvat meer dan 1000 blz.. Een (nog niet definitieve) “summary for policymakers”
van 18 blz. omvat de essentie van het rapport, inclusief cijfers en grafieken.
De conclusies van het rapport zijn geheel in de lijn van de beide vorige
rapporten: ze voorspellen een aanzienlijke temperatuurstijging
op onze aarde in de 21e eeuw (www.ipcc.ch).

Er is in wetenschappelijke kringen herhaaldelijk
fundamentele kritiek uitgeoefend op de werkwijze en de uitspraken van het
IPCC.  De kritiek betreft de beperktheid
van de metingen, de interpretatie van de metingen en de betrouwbaarheid van voorspellingen
gebaseerd op computermodelleringen. In het nieuwste rapport is aan het eerste
bezwaar enigszins tegemoetgekomen, de beide andere bezwaren blijven onveranderd
bestaan. Hierna volgt een globale analyse van het probleem en de essentie van
de kritiek op de conclusies van het IPCC.

1. Toekomstvoorspellingen

Voorspellen van
de toekomst op wetenschappelijke gronden is alleen mogelijk wanneer wij alle
relevante wetmatigheden precies kennen. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zon-
en maansverduisteringen. Maar voor veel van wat er zich in de natuur afspeelt
geldt dit niet. We kennen meestal niet alle wetmatigheden en door wisselwerking
van verschillende processen kunnen zich “chaotische” effecten voordoen, die tot
onvoorspelbare resultaten leiden (“chaos” is een begrip uit de natuurkunde). Zo
kunnen we het weer over een periode van tien dagen niet voorspellen en het
klimaat over een periode van enige tientallen jaren evenmin. We kunnen dan
hoogstens verwachtingen over de
toekomst uitspreken en die zijn altijd gebaseerd op bepaalde veronderstellingen, die altijd genoemd
moeten worden.

2. De natuurlijke regeling van het klimaat

De gemiddelde temperatuur van de aarde wordt
op lange termijn binnen nauwe grenzen 
constant gehouden door een aantal natuurlijke processen, die zelf geen
van alle in de tijd helemaal constant zijn. De belangrijkste zijn: de
binnenkomende straling van de zon, de terugkaatsing van een deel van deze
straling door het wisselende wolkendek, de uitgaande straling vanaf het
aardoppervlak, het broeikaseffect (voornamelijk veroorzaakt door waterdamp, in
geringere mate door CO2, en daarnaast in veel geringere mate door CH4
en andere gassen), de verdamping en condensatie van water en de uitgaande
straling vanuit de wolken naar de ruimte (de helft van de vrijkomende
condensatiewarmte). Op indirecte wijze dragen hieraan verder nog bij: de CO2-opname
en zuurstofproductie van groene planten (op het land en in de zee), de CO2-productie
en zuurstofopname van dieren en aërobe micro-organismen, de productie van CH4  en H2S door anaërobe
micro-organismen, de productie van CO, CO2, CH4, H2S
en stofdeeltjes door vulkanen, de oxidatie van CO, CH4  en H2S in de atmosfeer onder
invloed van zonlicht, het oplossen van CO2 in de oceanen, alsmede
het verdampen daarvan uit de oceanen. Door een interactie van al deze processen
wordt de gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak op ongeveer 15 ° C gehouden (zie Lovelock, 1988). De wisselwerking tussen de atmosfeer
en de oceanen is bij de temperatuurregeling van groot belang. Allereerst vormen
de oceanen een reusachtige buffer zowel van warmte als van opgelost CO2.
Verder beïnvloeden de grote stromingen in de oceanen de onregelmatige en
veranderlijke temperatuurverdeling over de continenten

Hierbij moet worden opgemerkt dat het klimaat
een chaotisch karakter heeft. Door de
invloed van het grote aantal natuurlijke processen met verschillende
tijdconstanten, die elkaar voor een deel wederzijds beïnvloeden, gaat de
temperatuur berekend over een tijdsbestek van tientallen jaren op een grillige
wijze op en neer, zij het binnen zeer nauwe grenzen.

3.  Kan de
mens de natuurlijke klimaatregeling verstoren?

Er is in de 20e eeuw een
aanzienlijke stijging gemeten van het CO2-gehalte in de atmosfeer,
namelijk van ongeveer 295 ppm in 1900 tot ongeveer 305 ppm in 1940 en tot 365
ppm in 2000 (1 ppm is een miljoenste volumedeel). Over deze getallen bestaat
algemene overeenstemming. De sterke stijging van 60 ppm in de laatste 60  jaar wordt in verband gebracht met de
verbranding van fossiele brandstoffen door de mens, hoewel het helemaal niet
zeker is dat dit inderdaad de oorzaak is. In principe zou de temperatuur op
aarde door het toenemende CO2-gehalte kunnen stijgen, vanwege een
mogelijk versterkt broeikaseffect. Ook dit is, in tegenstelling tot wat velen
denken, niet vanzelfsprekend. Het is goed denkbaar dat de natuurlijke
klimaatregeling de aangebrachte verstoring compenseert.

De door de mens in de atmosfeer gebrachte
hoeveelheid CO2 wordt geschat op 6,5 Gt C per jaar (1 Gt C is een
gigaton koolstof; 1 Gt = 109 ton). Per jaar worden door de atmosfeer
en de oppervlaktelaag van de oceanen 90 Gt C uitgewisseld, door de atmosfeer en
de planten op het land (inclusief micro-organismen) 60 Gt C, door de oceanen en
algen e.d. 50 Gt C, en door de oppervlaktelaag en de diepe zee 100 Gt C. De
door de mens geproduceerde CO2-stroom is dus ongeveer 4% van de
natuurlijke stromen die de atmosfeer in- en uitgaan. Van alle CO2
die de atmosfeer bevat is dus hoogstens 4% afkomstig van menselijke activiteit.

De gemeten zaagtandvormige curve die het CO2-gehalte
in de tijd weergeeft toont een daling van ongeveer 6 à 9 ppm in de zomer, en
een iets groter stijging in de winter. Dit hangt samen met de groei van de
planten op het land. Omdat er op het noordelijk halfrond veel meer land is  dan op het zuidelijk halfrond, vindt de
meeste plantengroei plaats in onze zomer. Uit de cijfers blijkt dat de
jaarlijkse variatie in de natuurlijke CO2- stromen 4 à 6 maal groter
is dan de totale menselijke uitstoot.

De atmosfeer bevat een hoeveelheid CO2
overeenkomend met 750 Gt C, de oppervlaktelaag (de bovenste 100 m) van de
oceanen 1.000 Gt C, de oceanen in totaal 38.000 Gt C (meest in de vorm van
bicarbonaat) de planten en organismen in de aardbodem 2.200 Gt C. (zie literatuuroverzicht
van Soon et al.,1999).

De gemiddelde jaarlijkse toename van het CO2-gehalte
van de atmosfeer, die nu is opgelopen tot ongeveer 1,5 ppm, komt dus overeen
met ongeveer (1,5/365)x750 = 3 Gt C. 
Blijkbaar wordt nu ongeveer de helft van de menselijke uitstoot
opgenomen door de planten en de oceanen. Dat dit (nog) niet méér is komt
doordat de natuurlijke opnameprocessen achterlopen bij de toegenomen productie.
De toenemende plantengroei komt langzaam op gang. De uitwisseling van CO2
tussen de atmosfeer en de bovenste laag van de oceanen heeft een tijdconstante
van de orde van grootte van een jaar en die van de oppervlaktelaag met de diepe
wateren van meer dan een eeuw (schattingen van de schrijver). Wanneer de
atmosfeer op den duur weer in evenwicht is met de oceanen zal van de extra CO2
die door de mens aan de atmosfeer wordt toegevoegd,  en voor zover die niet door de planten is opgenomen, 98% in de
oceanen oplossen.

Uit deze cijfers blijkt dat het niet
aannemelijk is dat de menselijke CO2-uitstoot het klimaat blijvend kan
beïnvloeden.

4. De temperatuur
van de aarde in de 20e eeuw

De belangrijkste cijfers uit het IPCC-rapport betreffen
metingen van het CO2-gehalte in de atmosfeer en metingen van de
temperaturen van het aardoppervlak (op een groot aantal plaatsen) en in de
atmosfeer.

Het IPCC rapporteert een stijging van de gemiddelde
oppervlaktetemperatuur van 0,6 °C over de laatste 100
jaar. Deze stijging is opgebouwd uit drie effecten: een stijging van ongeveer
0,45 °C tussen 1900 en 1940, een
daling van ongeveer 0,2 °C tussen 1940 en 1976,
en een stijging van ongeveer 0,35 °C tussen 1976 en 2000.
Deze laatste stijging komt overeen met ongeveer 0,15 ± 0,05 °C per decade. De toevoeging “± 0,05 °C” geeft de veronderstelde
betrouwbaarheid aan. Sinds 1950 zijn er ook metingen gedaan van de temperatuur
van de atmosfeer met weerballonnen en sinds 1979 met satellieten. Het IPCC
vermeldt voor beide series metingen een geringe stijging van 0,05 ± 0,10 °C per decade.

Commentaar:

De door het IPCC gerapporteerde
stijgingen en dalingen van de gemiddelde temperatuur in de 20e eeuw
zijn gebaseerd op metingen aan het aardoppervlak. De bepaalde gemiddelden zijn
echter om verschillende redenen minder betrouwbaar:

·Het betreft
gemiddelden per etmaal, gemiddeld over het hele kalenderjaar, en dan nog
gemiddeld over het hele aardoppervlak. Er komen verschillen voor van (vele)
tientallen graden tussen dag en nacht op één plaats, tussen verschillende dagen
van het jaar op één plaats en tussen verschillende plaatsen op aarde op elk
moment. Er bestaat niet een voldoende dicht meetnet over de hele wereld om
werkelijke jaargemiddelden op 0,1 °C betrouwbaar te bepalen (Corbyn en
Golipour, in “The Global Warming Debate”, 1996). De meetstations zijn niet over
de hele wereld gelijkmatig verspreid en daarom zal het zo bepaalde gemiddelde
afwijken van het werkelijk gemiddelde. In het zo bepaalde gemiddelde wegen de
temperaturen in de dichter bewoonde delen van de wereld, waar de meeste
meetstations zijn, zwaarder. Dit betreft vooral delen van het noordelijk
halfrond. Het IPCC meldt nog dat men geprobeerd heeft het effect van
“warmte-eilanden” (dit zijn stedelijke en industriële gebieden waar de
temperatuur gemiddeld hoger is) te verdisconteren, maar dit neemt niet weg dat
er nog altijd significante verschillen kunnen bestaan in de
temperatuurontwikkeling tussen verschillende delen van het aardoppervlak.

·Verder kunnen de zo berekende
gemiddelde temperaturen van het aardoppervlak tussen opvolgende jaren enkele
tienden van een graad op en neer gaan. Een trend die daaruit wordt bepaald over
een periode van 25 jaar heeft een onnauwkeurigheid van enkele tienden van een
graad. Berekende veranderingen in de gemiddelde aardtemperatuur van diezelfde
grootte over diezelfde periode zijn daarom niet significant.

De discrepantie tussen
temperatuurmetingen aan het aardoppervlak en in de atmosfeer is opvallend. De
laatste geven ongetwijfeld een beter beeld van een over de aarde gemiddelde
temperatuur. Het IPCC meldt over de laatste 21 jaar een niet significante
gemiddelde stijging de temperatuur van de atmosfeer van 0,05 ± 0,10 °C, bepaald met weerballonnen en
satellieten, maar verbindt daar geen conclusies aan.  Als het juist is dat er sprake was van een merkbare
temperatuurstijging in het dichter bewoonde deel van de aarde (gecorrigeerd
voor warmte-eilanden), terwijl de gemiddelde temperatuur op aarde vrijwel
constant was, dan is dus blijkbaar op een ander deel van de aarde de
temperatuur iets gedaald. Dit kan heel goed het gevolg zijn van oceaanstromingen
die geleidelijk van grootte en richting veranderen.

Een duidelijke correlatie
tussen de gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak en het CO2-gehalte
van de atmosfeer is voor de laatste 150 jaar alleen te vinden voor de periode
1976-2000. De temperatuurstijging vóór 1940 en de daling tussen 1940 en 1976,
zouden die al significant zijn, moeten dan een natuurlijke oorzaak hebben gehad
(in de jaren ’70 maakten deskundigen zich serieus zorgen over een naderende
ijstijd, zie Calder 1974). Aangezien de grootste temperatuurstijging lag vóór
1940 en de grootste stijging in het CO2-gehalte daarna, lijkt het
dat het CO2-gehalte de temperatuur volgde, en niet andersom.

Er is wel een correlatie
gevonden tussen CO2-gehaltes en temperaturen over een periode van
250.000 jaar (door analyse van ijsmonsters), maar het is niet bekend wat
oorzaak en wat gevolg was. Uit recent onderzoek is gebleken dat hier het CO2-gehalte
de temperatuur moet hebben gevolgd met een vertraging van ongeveer 1000 jaar
(Singer, 1999). Het is aannemelijk dat de natuurlijke temperatuurvariaties
steeds leiden tot kleine verschuivingen in het evenwicht tussen de atmosfeer en
de oceanen, zodat er bij temperatuurstijging CO2 vrijkomt, en
omgekeerd.

Overigens komen de gevonden
temperatuurwisselingen in de laatste 150 jaar en de eventueel daaruit
voortvloeiende correlaties geheel op losse schroeven te staan door de meer
recente temperatuurmetingen met weerballonnen en satellieten. De uitspraak van
het IPCC dat er zich in de 20e eeuw een aanzienlijke en ongewone
temperatuurstijging heeft voorgedaan, en dat deze het
gevolg is van menselijke CO2-uitstoot, is dan ook zeker onverantwoord.

5. Klimaatmodellen

Doordat er in de laatste tien jaar steeds meer bekend is
geworden over natuurlijke processen die het klimaat beïnvloeden, zijn er steeds
ingewikkelder modellen nodig geworden om het klimaat te beschrijven. Nu heeft
het IPCC een vereenvoudigd model gebruikt, dat geijkt is op ingewikkelde
modellen en daarmee de ontwikkeling van de aardtemperatuur voorspeld op basis
van verschillende scenario’s betreffende de ontwikkeling van het CO2-gehalte
van de atmosfeer. Dit vereenvoudigde model is aangepast aan de gemeten
oppervlaktetemperaturen van de laatste 150 jaar. Het bleek dat bij bepaalde
aannames over natuurlijke processen de overeenstemming kloppend was te krijgen.
Dit model werd gebruikt voor de beruchte toekomstvoorspellingen. Men ging er
daarbij van uit dat het CO2-gehalte in de 21e eeuw zou
stijgen tot waarden variërend van 540 – 970 ppm. De verwachte stijging van de
aardtemperatuur zou dan volgens
de modelberekeningen liggen tussen 1,4 en 5,8 ° C.

Commentaar

Het IPCC maakt de ernstige fout
om toekomstprojecties als betrouwbare voorspellingen te presenteren. De
uitspraken op basis van computermodelleringen zijn onzeker omdat de
achterliggende veronderstellingen over de natuurlijke processen die het klimaat
beïnvloeden onzeker zijn. Het onderzoek over deze processen loopt nog veel te
kort (ongeveer 25 jaar) om de natuurlijke variaties over enkele tientallen
jaren goed te kunnen beschrijven. Dit
geldt met name voor de
wisselende zonne-activiteit, de daarmee samenhangende wisselende grootte van
het wolkendek, de grilligheid van oceaanstromingen en de opname van CO2
door planten, micro-organismen en algen. Door “parameter fitting” heeft het
IPCC het gebruikte model zo aangepast dat het temperatuurverloop over de
laatste 150 jaar kon worden gesimuleerd. Dat betekent dat er natuurlijke
effecten door het model moesten worden gesimuleerd die de temperatuurstijging
van vóór 1940 en de temperatuurdaling van 1940-1976 zouden hebben veroorzaakt.
Let wel dat deze daling gemeten werd in een periode waarin het CO2-gehalte
sterk steeg. Verder was het model zo aangepast dat het de vermeende
temperatuurstijging na 1976 beschreef als gevolg van het gestegen CO2-gehalte.
Dat betekent dat er een sterke correlatie werd gehanteerd die uitsluitend
gebaseerd was op deze korte periode. Deze correlatie werd naar de toekomst
geëxtrapoleerd. Aangezien het echter twijfelachtig is of die
temperatuurstijging er werkelijk geweest is, is de extrapolatie van een
temperatuurstijging naar de toekomst volledig onbetrouwbaar. Verder nam het
IPCC aan dat naarmate de menselijke  CO2-productie
zou stijgen, er steeds een kleiner deel daarvan zou worden opgenomen door
planten en door oceanen. Het eerste is in strijd met wat in plantenkassen is
gemeten, het tweede is onaannemelijk op fysische gronden Het is uitvoerig
aangetoond dat hogere CO2-gehaltes in de atmosfeer de plantengroei
over de hele wereld zullen bevorderen (Soon et al. 1999). Het is te verwachten
dat dit zal leiden tot grotere oogsten. 
De verhogingen kunnen meer dan 10% bedragen. Dit kan gezien worden als
een zegen in tijden van groeiende voedseltekorten (The Global Warming Debate,
1996, The Oregon Petition, 1998).

Veel van deze kritiek is reeds
eerder geformuleerd door Böttcher (1992).

Er zijn
geen redenen zijn om te verwachten dat de mens in staat is om het klimaat
blijvend te beïnvloeden. De grootte van de menselijke CO2-uitstoot
valt immers bijna in het niet bij de fluctuaties van de natuurlijke processen.
Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een positieve
niet-lineaire terugkoppeling (waardor een kleine verstoring grote gevolgen zou
kunnen hebben). Door de grote tijdconstante van de uitwisseling met de diepe
oceaanwateren kunnen door de mens aangebrachte verstoringen wel langer dan een
eeuw merkbaar zijn.

Het is algemeen bekend dat er
binnen het IPCC aanzienlijke verschillen van mening over deze voorspellingen
bestaan en dat men uitspraken baseert op meerderheid van stemmen. Let wel dat
het IPCC geen wetenschappelijke organisatie is, maar een bureaucratische. Men
kan vermoeden dat het IPCC ook een politieke agenda heeft. Hoewel het IPCC zelf
vermeldt dat de modellen nog niet volmaakt zijn, worden niettemin  drastische uitspraken gedaan. Deze zijn in
belangrijke mate gebaseerd op aannamen die niet verantwoord zijn. De met
stelligheid uitgesproken voorspelling van een 
aanzienlijke temperatuurstijging in de 21e eeuw is dan ook volkomen
ongegrond.

6. Afgeleide effecten

Het IPCC voorspelt dat langdurige droogtes en perioden met
overvloedige regen plaatselijk zullen toenemen. Dit wordt niet verwacht voor
tropische wervelstormen.

Verder wordt voorspeld dat door de vermeende
temperatuurverhoging het niveau van de oceanen zal stijgen en dat
daardoor laaggelegen landen zullen onderlopen.

Commentaar

De verwachtingen over extreme
weersomstandigheden zijn weer voornamelijk gebaseerd op de veronderstelling van
een snelle temperatuurstijging, die op basis van de satellietmetingen
allerminst waarschijnlijk is. Dus ook deze voorspellingen zijn ongegrond.

Ook de conclusies over stijging
van de zeespiegel zijn onvoldoende gefundeerd. Als zich al hogere temperaturen
zouden voordoen, zullen er verschillende effecten tegelijk optreden: door
smelten van gletsjers die in de zee uitmonden en door  thermische uitzetting van de bovenste lagen zal het
zeeniveau  stijgen, maar door verdamping
en neerslag op de landmassieven met eeuwige sneeuw zal het niveau dalen. Welk
effect zal overheersen is niet zeker. Doordat het niet eens waarschijnlijk is
dat de temperatuur op aarde zal stijgen, is het publiceren van dergelijke
rampenscenario’s geheel onverantwoord.

7. Wetenschap, politiek en psychologie

Wanneer nu voor het eerst de feitelijke stand van het onderzoek wereldkundig was geworden,
zonder de tendentieuze interpretatie van het IPCC, zou er geen enkele reden
zijn geweest tot ongerustheid. Er zouden geen Klimaatconferenties en geen
internationale afspraken nodig zijn voor terugdringen van de CO2-emissie,
laat staan een “handel in emissierechten”. Er zou helemaal niets aan de hand
zijn.

We zitten echter met een erfenis uit het verleden. De
ongerustheid uit 1990, veroorzaakt door een toenmalige voorzichtige uitspraak
van het IPCC, heeft geleid tot een stroomversnelling in het politieke denken,
die geheel door het algemene publiek is overgenomen. De broeikastheorie heeft
nu het karakter van een mythe gekregen. In feite twijfelt de moderne mens hier
niet meer aan. In het NOS-Journaal werd het nieuwe IPCC-rapport aangekondigd
met de woorden: “Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken wat we allemaal al
wisten, namelijk dat de aarde opwarmt”. Dat zijn drie onwaarheden in één zin!
Dan werden beelden getoond van smeltende gletsjers, die je elke zomer aan de
kust van Groenland kunt fotograferen, en die dus met de conclusie niets te
maken hadden.

We kunnen zeggen dat er inmiddels sprake is van een wijd
verspreid geloof in de broeikasmythe. Waarom de politici indertijd in brede
kringen voor dit geloof hebben gekozen laat zich raden. Waarschijnlijk was het
de bedoeling om de burgers bang te maken en hen een schuldbesef aan te praten,
zodat men gemakkelijker argumenten kon vinden om extra belastingen te heffen (zie
Calder, 1997). Een andere verklaring is dat men zo de publieke aandacht kon
afleiden van werkelijk nijpende problemen en dat men zich vrijblijvend van een
grote aanhang kon verzekeren. Inmiddels is er een volgende generatie politici
verschenen die zich niet meer kan veroorloven aan het broeikasgeloof te
twijfelen.

Verder heeft de internationale milieubeweging hierbij een
belangrijke rol gespeeld. Deze is in het laatste tien jaar zeer machtig
geworden. Het gaat hier om organisaties die over enorme financiële middelen
beschikken en die aan niemand verantwoording schuldig zijn. Ze komen in het
nieuws door vaak bizarre “acties” en adverteren op grote schaal in kranten en
op de televisie, en dat brengt hun steeds meer geld op. Ze appelleren daarbij
aan het schuldgevoel van de burgers en kunnen daarbij rekenen op hun onkunde en
goedgelovigheid. De burgers hebben merkwaardig genoeg een impliciet vertrouwen
in milieuorganisaties.

Maar de wetenschap gaat ook niet vrijuit. In vele landen is
ruimschoots subsidie aanwezig voor onderzoek dat uitgaat van de broeikastheorie. Die subsidies worden maar al te
vaak toegewezen door “broeikasgelovige” ambtenaren. Het werken aan
klimaatmodellen kreeg daarbij voorrang op experimenteel onderzoek. Dit is
bedenkelijk, want men heeft de neiging om de resultaten van berekeningen met
geavanceerde modellen serieus te nemen, zonder zich de onzekerheden van de
achterliggende veronderstellingen voldoende te realiseren. Het is echter  inmiddels ook in  wetenschappelijke kringen riskant geworden om zich in dit verband
kritisch of sceptisch op te stellen.

8.
Conclusies

  • De interpretaties van het wetenschappelijk onderzoek door het IPCC zijn
    tendentieus en onverantwoord.

  • De berekeningen van een gemiddelde temperatuur op aarde op basis van
    metingen aan de grond zijn niet voldoende betrouwbaar gebleken.

  • De bewering van het IPCC dat de gemiddelde temperatuur op aarde
    stijgend is, wordt weersproken door de metingen met satellieten, die het IPCC
    zelf publiceert.

  • Doemscenario’s die voorspellen dat lage landen zullen onderlopen zijn
    ongegrond en daarom onverantwoord.

  • Het is mogelijk dat door natuurlijke oorzaken de gemiddelde temperatuur
    op bepaalde delen van het aardoppervlak stijgend is, en op andere dalend,
    zonder dat de over de aardbol gemiddelde temperatuur noemenswaard verandert.

  • Een duidelijke correlatie tussen een stijgend CO2-gehalte
    van de atmosfeer en een stijgende temperatuur is voor de periode 1850-2000 niet
    aangetoond.

  • Er bestaan verscheidene natuurlijke processen die fluctueren met
    tijdconstanten van enkele maanden tot enkele tientallen jaren en die stuk voor
    stuk grotere effecten hebben op de temperatuur op aarde dan de menselijke CO2-uitstoot.

  • Het is onwaarschijnlijk dat de mens in staat is met de CO2-uitstoot
    het wereldklimaat op termijn te beïnvloeden, omdat er geen positieve
    niet-lineaire terugkoppelingen zijn aangetoond.

  • Het is onwaarschijnlijk dat wij binnen afzienbare tijd het chaotische
    gedrag van het klimaat op bevredigende wijze zullen kunnen simuleren.

  • De conclusie dat de mensheid drastische maatregelen moet nemen om een
    komende temperatuurstijging af te buigen is volledig ongefundeerd.

  • De aanbeveling dat de mensheid moet bezuinigen op het gebruik van
    fossiele brandstoffen is zinvol, maar niet vanwege een eventueel versterkt
    broeikaseffect.

  • De broeikasdreiging is geen realiteit maar een mythe.
  • De belangrijkste onzekerheid betreft het niveau waarop het CO2-gehalte
    van de atmosfeer zich zal instellen waarbij de opname gelijk wordt aan de
    menselijke uitstoot.  Of dit gehalte
    nadelige effecten kan hebben is niet bekend. Het heeft waarschijnlijk wel
    gunstige effecten: het kan leiden tot grotere oogsten over de gehele wereld.
    Dit is in een tijd met steeds grotere voedseltekorten zeer welkom.

Dit artikel verscheen eerder op de website van Heidelberg Appeal Nederland.


Literatuur (chronologisch)

  • Nigel Calder, “De weermachine en de bedreiging van
    het ijs” (1974). (Nederlandse vertaling bij Bosch en

  • Keuning).
  • James
    Lovelock, “The Ages of Gaia” (1988). (Oxford University Press).

  • C.J.F. Böttcher, “Science and Fiction of the
    Greenhouse Effect and Carbon Dioxide” (1992),

  • (The
    Global Institute for the Study of Natural Resources, The Hague).

  •  “The Global Warming
    Debate” (1996), European Science and Environmental Forum, verzameling van 22

  • artikelen van verschillende schrijvers over
    dit onderwerp (Bourne Press, Bournemouth).

  • Nigel Calder, “De Grillige Zon” (1997)
    (Nederlandse vertaling bij Schuyt & Co, Haarlem).

  • “The Oregon Petition”, (1998), ondertekend door
    17.000 wetenschappers, gebaseerd op het artikel:

  • A.B. Robinson, S.L. Baliunas, W. Soon en Z.W.
    Robinson, “Environmental Effects of Increased

  • Atmospheric
    Carbon Dioxide”, www.oism.org/pproject

  • W. Soon, S.L. Baliunas, A.B. Robinson en Z.W.
    Robinson, “Environmental Effects of Increased

  • Atmospheric Carbon Dioxide”. Climate Research 13,
    149-164 (1999)

  • (overzichtsartikel
    met ruim 150 verwijzingen).

  • “The Science and Environmental Policy Project”, www.sepp.org/, zie op deze site S.Fred Singer,
    “Parting

  • Green
    Clouds” (1999) en “Global Warming, Unfinished Business”  (2000),

  • IPCC , Third Assessment
    Report (2001), www.ipcc.ch 
 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Prof.dr.ir. D. Thoenes, topic: Broeikaseffect
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Gunter schreef op : 1

    In het verre verleden zijn er sterke klimaatsveranderingen op korte tijd geweest. Dat bewijst de 2 kilometerslange ijsstaal uit Vostok (CO2-concentratie doorheen de tijd) en fossiele resten van toenmalige fauna en flora. Daaruit kan men ook een onmiskenbaar verband uit afleiden: het verband tussen CO2-concentratie en T°. Men kan als het ware de 2 grafieken op elkaar zetten, zo treffend is het verband! In de laatste 400.000 jaar varieerde de CO2-conc. tussen 180 en 290 ppm, ofwel een verschil van 110 ppm. De T° in Vostok varieerde tussentijds 12°C. We verwachten een verdubbeling van CO2 oftewel van 280 ppm in 1850 naar 560 ppm tussen 2050 en 2100. En u wilt vertellen dat klimaatsverandering een fabel is??? Als ecoloog merk ik nu al duidelijk de gevolgen van klimaatsverandering, en we staan nog maar aan de voet van de CO2-conc. die ons te wachten staat. En dan spreek ik niet over de dalende T° in de lagere stratosfeer -hetgeen bewijst dat straling minder gemakkelijk weg kan- of andere ‘fingerprints’. Ik weet één ding: deskundigen die klimaatsverandering weglachen zijn het niet waard zich wetenschapper te noemen. Zijn jullie ziende blind of ben ik de enige hier die een analytisch talent heeft? Door je te focussen zie je door het bos de bomen niet meer,… en dan lijkt het dat er niets gebeurt. Triestig… .

  2. Albert Spits schreef op : 2

    Op de Libertarian.nl geeft Prof. Thoenes een uitstekende verhandeling over klimaatsveranderingen. In een reactie beweert een ecoloog, genaamd Gunter Van den Bossche, dat er wel degelijk een klimaatsverandering aanwezig, want zo zegt hij ,,als ecoloog merk ik nu al duidelijk de gevolgen van klimaatsverandering, en we staan nog maar aan de voet van de CO2-conc. die ons te wachten staat”. Dit is een perfect voorbeeld van subjectieve waarneming.

    Elke wetenschapper verifieert via gedegen objectieve waarnemingen of zijn of haar stelling houdbaar is. Dit kan alleen gebeuren door middel van onderzoek op diverse niveau’s, in het geval van klimaat moet dit zijn op geologisch, meteorologisch en natuurkundig gebied. Daarbij moet elk sensationalisme worden vermeden, iets dat vaak helaas gebeurt, zonder daarbij met concrete bewijzen te komen.

    Daarom denk ik, dat de ecoloog Van den Bossche een grote denkfout maakt en dat is dit: klimaatveranderingen hebben altijd plaatsgevonden in de geschiedenis van de aarde, geologen bevestigen dit met strata-onderzoek. Men weet nog steeds niet zeker of bepaalde veranderingen plotseling zijn geweest, of zich deze over duizenden jaren hebben afgespeeld. Met betrekking tot het broeikaseffect, over het CO2 gehalte en de zogeheten opwarming van de aarde, heb ik dan ook het volgende te zeggen.

    Er zijn op dit moment drie onzekerheden, die als zekerheden worden geponeerd door de ecologische lobby:

    1. Men moet eerst zeker weten, dat het klimaat op aarde warmer wordt, wetenschappelijk is er geen sluitend bewijs hiervoor, ongeacht de beweringen van Gunter Van den Bossche. Hooguit, dat er een consensus bestaat dat in bepaalde regio van de aarde er een zekere opwarming of afkoeling plaatsvindt en dan nog maar op grondniveau. De bovenste luchtlagen ondervinden helemaal geen opwarming, want dit is geconstateerd door weerballonnen en satellieten. Als de aarde zou opwarmen, dan zouden ook deze luchtlagen een verandering moeten ondergaan.

    2. Als er een opwarming of afkoeling van de aarde plaatsvindt, zou dan de menselijke activiteit hiervoor verantwoordelijk zijn. U ziet, dat dat ook een zeer speculatief gegeven is, zoals Prof. Thoenes en tevens andere wetenschappers hebben aangetoond.

    3. Wanneer er een opwarming van de aarde zou plaatsvinden, zou dat dan een slechte zaak blijken te zijn. Dat betekent, dat de regenval in de woestijngebieden zou stijgen, waardoor de vruchtbaarheid toeneemt. Tevens zouden hoger gelegen gebieden weer toegankelijk worden voor de landbouw. Dit zou dus de wereldvoedselproductie ten goede komen, omdat kooldioxide (CO2) voor planten is, wat zuurstof is voor mensen, namelijk onontbeerlijk voor overleving.

    Zoals men ziet zitten er meer haken en ogen aan het debat over klimaatveranderingen dan de ‘wetenschappelijke zekerheden’, die worden verkondigd door de ‘groene lobby’. Het is daarom zo spijtig, dat men zich te veel richt op het CO2-debat in plaats van te kijken naar andere mogelijke oorzaken en deze aan een grondige wetenschappelijke analyse te laten blootstellen. De discussie is in feite beland op een basaal niveau van welles-nietes en dat vind ik een trieste zaak.

    Zie verder: http://www.libertarian.nl/EU/index.php?itemid=586

  3. R. Voller schreef op : 3

    Het debat is inderdaad gebaseerd op tal van (on)zekerheden. Maar om het zekere voor het onzekere te nemen denk ik dat de huidige (minimale) aandacht en maatregelen beslist niet overbodig zijn…

    Wel vind ik het jammer dat een dergelijk kritisch geluid van een persoon als Prof. Thoenes moet komen. Thoenes is
    de voorzitter van het Hoogewerff-fonds dat in 1917 is
    opgericht onder meer “ter bevordering van de Chemische
    Nijverheid in Nederland en zijn Koloniën”, een bedrijfstak die voor het overgrote deel verantwoordelijk is voor de vervuiling van de aarde…

  4. Albert Spits schreef op : 4

    Het is niet alleen Prof. Thoenes die er zo over denkt, maar duizenden wetenschappers. Zelfs binnen het IPCC zijn de meningen ernstig verdeeld over de mate en onzekerheden. Om het ,,zekere voor het onzeker” te nemen kost ons wel tientallen miljarden dollars om de klimaatstijging met een fractie van een graad terug te brengen (volgens het IPCC).

    We moeten niet vergeten dat vervuiling en uitstoot een vorm van verspilling is, die veel geld kost. Als we deze verspilling terug kunnen dringen via voortschrijdende technologische ontwikkelingen slaan we in feite twee vliegen in een klap.

    1: Dat zijn de uitstootvermindering, wellicht zelfs een minimalisering daarvan en

    2: De aanslag op de grondstoffen, zoals olie, waarvan deze zich bevindt in kwetsbare gebieden. Dus moeten we het bedrijfsleven vrij baan geven om te komen tot een goede technologische ontwikkeling en geen tientallen miljarden dollars verspillen aan overheidsinstituten die het meeste daarvan verkwanselen. We hoeven alleen maar te kijken naar ons onderwijs- en gezondheidsstelsel.

    Zoals gezegd levert dat ons economisch gezien de meeste voordelen op, d.w.z. economische vooruitgang via hoge technologie en een lagere belastingdruk, een besparing op grondstoffen en een minimalisering of verdwijning van de vervuiling.

    Voor Europese bedrijven om het Kyoto-akkoord uit te voeren zal economische zelfmoord worden. Niet doen dus.