Markt voor Vrijheid

.

ALGEMEEN:

Het eerste Nederlandse boek over de libertarische geschiedenis in “de Lage Landen” is verschenen.
Schrijvers: Aschwin de Wolf en Stefan van Glabbeek.

Het werd op een bijzonder geslaagde bijeenkomst op 12 mei in Breda gepresenteerd en enthousiast ontvangen.

INHOUD:

Het boek bestaat uit vier delen en een NABESCHOUWING.

DEEL I geeft in enkele artikelen aan de situatie van het libertarisme op dit ogenblik en het verband met het klassiek liberalisme.

DEEL II behandelt de geschiedenis van de laatste 25 jaar in meer details.

  • Wat is er gebeurd.
  • Wie waren de personen die het allemaal gedaan hebben.
  • Wat waren de moeilijkheden en problemen.
  • Wat is er bereikt.

DEEL III Geeft een groot aantal artikelen die eerder in de VRIJBRIEF verschenen zijn in die afgelopen 25 jaar

DEEL IV behandelt in een zevental nieuwe artikelen verschillende “hete hangijzers” die ook nu nog vaak onderwerp van discussie zijn.

COMMENTAREN:

—–Algemeen positief
—–Commentaar IVO ZERKEL
—–Antwoord ASCHWIN de WOLF
—–Antwoord STEFAN van GLABBEEK
—–Commentaar van HENK JELGERHUIS SWILDENS

ALGEMEEN COMMENTAAR:

De commentaren die tot nu toe over het boek bij het Libertarisch Centrum zijn binnengekomen, zijn in het algemeen positief.

Velen zijn blij dat er nu een boek is waarin de recente geschiedenis van het libertarisme in Nederland en België is vastgelegd.

Ook vindt men het interessant en nuttig om te weten en beter te begrijpen wat er is gebeurd, o.a.
– al die pogingen om het vrijheidsideaal verder bekend te maken,
– de moeilijkheden en het onbegrip die daarbij overwonnen moesten worden,
– de inspanning van velen die er aan hebben meegewerkt om het ideaal van individuele vrijheid en respect voor de ander te behouden en vergroten.

Deze onderwerpen zijn vooral te vinden in deel II over de geschiedenis en deel III met een aantal artikelen die in de Vrijbrief gestaan hebben.

Deel I en IV geven daarnaast een beeld van de huidige toestand en een aantal beschouwingen over onderwerpen die ook nu nog (soms hevig) onderwerp van discussie zijn. Dat daaraan door bekende hedendaagse libertarische schrijvers is meegewerkt, verhoogt de waarde van het boek.

Edoch, ook vrij algemeen is de (terechte) kritiek op het taalgebruik. De beheersing van de Nederlandse taal is bij velen niet hun sterkste punt. Libertariërs maken daarop geen uitzondering. Lezers van de Vrijbrief hebben daar eerder al veel over geklaagd.

Misschien is het een beoordelingsfout geweest bij de samenstelling van het boek dat besloten is om alle vroegere stukken in hun originele vorm op te nemen en niet te corrigeren. Immers ook dat geeft het juiste beeld van de geschiedenis. Scannen en plaatsen!

Bovendien had dit besluit veel duidelijker in het boek naar voren gebracht kunnen worden. Nu lopen we het gevaar dat door de taal/stijlfouten al het goede in het boek wordt vergeten en het hele boek wordt afgekraakt. En dat is jammer.

Op de site http://www.libertarian.nl zijn we gestart met een pagina over dit boek. Daarop zullen we meer over het boek schrijven en de commentaren verwerken.

Ook op uw opmerkingen stellen we hoge prijs.

COMMENTAAR VAN IVO ZERKEL:

Het libertarisme is een politieke filosofie wier ontwikkeling bespoedigd werd door de romans van Ayn Rand.. Een politieke filosofie bestudeert de manier waarop individuen in de samenleving met elkaar zouden moeten omgaan. Twintig jaar geleden, en wel in mei 1981, schreef Tibor Machan in de inleiding van de door hem uitgegeven artikelenbundel “The Libertarian Reader” (Totowa, New Jersey, Rowman & Allanheld, 1982) dat alhoewel alle libertariers het erover eens zijn dat vrijheid het hoogste politieke ideaal is, zij nog geen consensus bereikt hadden over wat de beste filosofische fundering was voor deze overtuiging.

In het begin van de jaren 1960 bereikten de ideeen van Ayn Rand de Lage Landen. Dankzij de inspanningen van Hub Jongen, Fred Dekkers en Michiel van Notten groeide er vanaf het midden van de jaren 1970 een libertarische beweging in die Landen. Toen Aschwin de Wolf in 1999 de nieuwe eindredacteur werd van het libertarisch tijdschrift ‘De Vrijbrief’, kwam hij erachter dat de beweging op dat ogenblik 25 jaar bestond. Samen met Stefan van Glabbeek publiceerde hij onlangs een boek onder de titel ‘De Markt voor Vrijheid – 25 Jaar Libertarisme in de Lage Landen’.(uitgave Libertarisch Centrum, sine loco, 2001).

Aan de Wolf en van Glabbeek kwam het aldus toe om de geschiedenis te schetsen van een beweging wier leden onderling niet akkoord gaan over de filosofische fundering van hun geloof in vrijheid. Het resultaat is een meesterwerk dat weliswaar enerzijds behept is met enkele tijpfouten (probeer maar eens je hoofd en vingers koel te houden wanneer je met zoveel verschillende meningen geconfronteerd wordt) en anderzijds enkel een summiere inhoudstafel van de vier delen van het boek (die echter bij de aanvang van elk deel uitgebreid wordt ) en geen trefwoordenregister bevat.

Het werk bestaat uit vier delen.

In een eerste deel wordt, aan de hand van drie artikels, ingegaan op de definitie van het libertarisme. In een tweede deel schetst Stefan van Glabbeek de geschiedenis van het libertarisme in de Lage Landen. Dit tweede deel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel bestaat uit een negentigtal bladzijden waarin Stefan de geschiedenis van de libertarische beweging schetst. In het tweede onderdeel geeft Stefan een relaas van de interviews die hij afnam van een tiental libertarische activisten. Alhoewel de interviews opgenomen werden in alfabetische volgorde van de geinterviewden is het duidelijk dat er twee categorieen geinterviewden zijn, Enerzijds de activisten op ‘het slagveld’, anderzijds de meer academisch geengageerde of georienteerde activisten. Alzo geeft het tweede deel in haar twee onderdelen een volledig overzicht van de wijze waarop de Nederlandse en Belgische libertariers er, temidden van hun dagelijkse beslommeringen voor een grotere vrijheid, van bewust blijven dat het uiteindelijk enkel de ideeen zijn die de individuen tot nieuwe handelingen zullen aanzetten en alzo een vrijere samenleving tot stand zullen brengen.

Het derde deel geeft aan de hand van een veertigtal artikelen een overzicht van de waaier van artikels die in de loop der jaren in het ‘De Vrijbrief’ gepubliceerd werden ter staving van de filosofische fundering voor de overtuiging dat vrijheid het hoogste politieke ideaal is.

Na er in zijn interview in het tweede deel op gewezen te hebben enerzijds dat er zoiets bestaat als het beginsel van de morele autonomie, het fundamenteel rechtsbeginsel. dat impliceert dat ieder mens het recht heeft te beslissen wat hij met zijn leven zal doen en anderzijds dat je dient ter weerstaan aan de utopische verleiding, het tot het absurde doortrekken van het idee dat je al die eigenschappen, waarop de natuurlijke onderscheiden zijn gebaseerd, kunt negeren zodat je een nieuwe masatschappij zou kunnen maken, gaat Frank Van Dun in een van de zeven nieuwe artikelen anno 2000 van de vierde deel in op de klassieke idee van de natuurlijke rechten die de grondslag vormt voor het libertarisme.

In een ander artikel van Deel IV concludeert Tibor Machan dat individuen die kiezen in vrijheid, het hoogste politieke ideaal voor de libertariers, in het algemeen de neiging hebben, meer waardevolle resultaten te bereiken dan zij die onvrijwillig, onder dwang, diensten moeten verlenen.

ANTWOORD van ASCHWIN de WOLF:

Het zal wellicht verbazen als mede-redacteur van het boek maar ik ben het doorgaans geheel eens met Karel Beckman omtrent zijn kritiek op het taalgebruik in het jubileumboek. Er staan inderdaad fouten in die bijzonder storend en onzorgvuldig zijn. Iemand die de volledige jaargangen van de VB doorloopt zal zien dat de niet-geplaatste artikelen vaak qua stijl nog miserabeler en gedateerder zijn. Dit is al jarenlang voor velen een doorn in het oog. Hopelijk dat iemand hier bij een tweede druk aan zal werken.

Minstens zo belangrijk is dat het boek inderdaad in de eerste plaats voor *insiders* is geschreven. Dit was een bewuste keuze. Alle punten die Beckman in zijn recensie aanroert, zijn al in een vroeg stadium bij de totstandkoming van het boek besproken en gewogen. Aangezien gezien de omvang en de financiële situatie van het jubileumboek we niet verschillende publicaties op de markt konden brengen, was het enige wat mogelijk was, het boek een weerspiegeling te laten zijn van het Nederlandse libertarisme. Dat betekent dus zowel oude bijdragen uit libertarische publicaties als zwaar academische artikelen.

Daardoor is het boek toch een representatieve weergave van wat Libertariërs de afgelopen 25 jaar heeft bezighouden en niet in de laatste plaats van de verschillende invalshoeken binnen het libertarisme zelf. Het Libertarisch Centrum heeft een boek geproduceerd dat verschillende soorten mensen zal moeten aanspreken: buitenstaanders, historici, academici, Libertariërs zelf, etc.

De “zwaar academische artikelen” waren een must van mij persoonlijk. In de jaren dat ik betrokken was bij het Nederlandse libertarisme is mij meerdere malen pijnlijk duidelijk gemaakt dat het libertarisme een niet serieus te nemen anti-intellectuele stroming is. Ik kan me daar in Nederland zelf wel iets bij voorstellen dus het was zeker geen overbodige luxe om in het Nederlandse taalgebied een aantal academische artikelen te laten verschijnen. We hebben in de eerste plaats gezocht naar Nederlandse auteurs maar die zijn behoorlijk schaars.

Wat mij echter ten zeerste verbaast is Beckman zich aansluit bij een opmerking van Kinneging. Als hij het werk van Kinneging zorgvuldig had gevolgd zij hij toch moeten weten dat de aarts-conservatieve Kinneging in deze context met moraal iets heel anders bedoeld dan Beckman wenselijk acht, namelijk zijn opvatting om terug te gaan tot de morele opvattingen van de klassieken, de traditionele deugdenleur over te nemen en zwaar sociaalconservatieve opvattingen over te nemen.

Nog schokkender is de volgende uitspraak van Beckman:
” Niet dat het libertarisme de ethiek van Ayn Rand nodig heeft, maar het heeft wel een morele visie nodig. Iedere politieke ideologie is gebaseerd op een morele visie.” Iemand die de politieke filosofie van het libertarisme heeft gevolgd zou moeten weten dat deze stroming sinds haar bestaan een breed scala van morele funderingen voor het libertarisme heeft geproduceerd behalve het ethisch egoïsme van Rand: het thomistisch natuurrecht van Rothbard, de Hobbesiaanse sociaal-contract fundering van Gauthier, Narveson etc., de ‘utilitaristische’ funderingen van David Friedman en Leland Yeager, de argumentatie ethiek van Hans-Hermann Hoppe en Kinsella, de (neo) Aristotelische opvattingen van Rasmussen en den Uyl, de Popperiaanse rechtvaardiging van Jan Lester etc. Nu vraag ik mij af: is Beckman van al deze morele opvattingen op de hoogte en vindt hij ze dan ontoereikend ? Ik heb enige tijd geleden een lange paper geschreven omtrent de morele rechtvaardiging van libertarisme door Hoppe. Hoewel ik zo mijn twijfels heb bij Hoppe’s benadering lijkt het mij er in ieder geval een die erg serieus dient te worden genomen. Al met al: hoe kun je een dergelijke bewering doen ? Of bedoelt Beckman iets heel anders met ‘moraal': bv. dat het libertarisme *naast* het non-agressie principe een additionele moraal behoeft ?

Wat is er overigens mis met een common sense benadering ? Libertariërs hanteren in hun analyses doorgaans definities van de staat en agressie die hetzelfde zijn als die van ‘de gewone man’. Alleen laten zij zien dat dit verstrekkende implicaties heeft voor hoe we over politiek denken. Met andere woorden voor veel mensen heeft non-agressie principe helemaal geen fundering nodig. Dat veel mensen niet de implicaties inzien van hun opvatting dat agressie slecht is, kun je moeilijk aan Libertariërs verwijten na duizenden jaren van pro-staat ‘propaganda’.

Nog een punt: iedereen die de afgelopen drie jaar op de vrijheid-list heeft gestaan, zou juist tot een tegengestelde conclusie kunnen komen. Namelijk dat veel Nederlandse Libertariërs juist geobsedeerd lijken te zijn met dergelijke funderingskwesties. Het is nu wat rustiger maar er zijn letterlijk honderden discussies geweest over zaken als agressie, moraliteit etc. op deze lijst.

Het karakteristieke van Nederland is nu juist dat we hier te maken hebben met een merkwaardige combinatie van moralisme en anti-intellectualisme. Nederlanders moraliseren graag en willen bij alles een morele rechtvaardiging. Tegelijkertijd wordt elke poging daartoe als ‘hoogdraverig’ en ‘elitair’ gezien. Als ik een lezing geef voor de JOVD wordt gezegd dat het allemaal wel leuk en aardig is, maar dat toch belangrijker is om die verschrikkelijke PvdA te bestrijden. Als er echter polemische artikelen / interviews verschijnen dan wordt dit weer afgedaan als ‘populisme’ of kort door de bocht. Wie hier een weg uit weet mag het zeggen…..

Als laatste, en ik sluit me hier geheel aan bij wat Bart Croughs meerdere malen heeft benadrukt, wie kritiek heeft, heeft alle mogelijkheden het zelf beter te doen. Het pleit voor Karel Beckman dat hij dit oa. door zijn site probeert te doen.

ANTWOORD van STEFAN VAN GLABBEEK:

Het blijkt dat Karel Beckman zijn huiswerk niet goed heeft gedaan.

Volgens Beckman is het niet best gesteld met het gebruik van de Nederlandse taal in het boek. Nu zal ik de laatste zijn om dit tegen te spreken. Dit heeft te maken met de haast waarmee het boek tot stand is gekomen. Van de vier voorbeelden die Beckman gebruikt om dit punt aan te tonen, zijn er echter maar liefst twee gevallen waar het een citaat betreft. Wanneer men in een boek een ander boek of geschrift citeert, dan is het uitsluitend juist om het citaat letterlijk over te nemen. Het verbeteren van het taalgebruik van een citaat en zeker het omgooien van hele zinnen of het hele gebruik van de taal, zou buitengewoon ongepast en onjuist zijn. Beckman, zelf schrijver, weet dit hopelijk. Dat hij komt aanzetten met kromme zinnen en een slecht gebruik van de taal in citaten die in het boek staan, is daarom erg ongelukkig. Hij had mijns inziens voldoende andere voorbeelden kunnen vinden.

Ondanks het taalkundige perfectionisme van Karel Beckman, heeft hij mijn naam verkeerd gespeld bovenaan het artikel. Verder in de tekst schrijft hij: In deel III worden we vergast op een “selectie” van “verschenen artikelen in de Vrijbrief”. Ja, dat komt van het werkwoord vergasten. Ik heb het nog opgezocht in het woordenboek. Daar staat een voorbeeld, waarin de kinderen vergast worden op limonade en koekjes. Maar hoewel het werkwoord vergasten bestaat, is het de laatste halve eeuw toch wel sterk in onbruik geraakt. Door het toch de gebruiken loop je het risico dat mensen bij het woord vergast plotseling heel vreemde associaties krijgen bij het lezen van het artikel.

Beckman schrijft dat je ideeën alleen kunt begrijpen indien je ze in goed Nederlands kunt opschrijven. Hij is ongetwijfeld nooit in aanraking gekomen met het wetenschappelijke wereldje. Er zijn veel mensen die goed zijn in taal, en slecht in logisch denken, en andersom zijn er ook veel mensen die goed zijn in logisch denken en slecht zijn in taal. Sommige mensen zijn goed in beiden en weer anderen in geen van beiden. De stelling die Beckman hier inneemt is niet serieus te nemen. Het begint er hier dan ook al aardig op te lijken dat Beckman naar argumenten aan het zoeken is om het boek af te kraken.

Beckman schrijft: “Een bouwwerk van ideeën zoals het libertarisme valt alleen te doorgronden als je het zelf eerst hebt afgebroken en daarna opnieuw hebt opgebouwd – in je eigen woorden, met voorbeelden en toepassingen die voor jou relevant zijn – en het persoonlijk hebt verdedigd tegen opponenten die er tegenaan willen schoppen of het af willen breken.” Wanneer hij kritiek geeft op mijn stukje over het objectivisme, dan kan ik mij echter niet aan de indruk onttrekken dat Beckman het storend vindt dat ik niet de letterlijke woorden van Ayn Rand gebruik, maar in plaats daarvan mijn eigen woorden. Wellicht heeft het dogmatische objectivisme dat hij vroeger aanhing, zo toch nog zijn sporen achtergelaten.

Zo schrijft Beckman: “Volgens Van Glabbeek ‘schreef’ Aristoteles een formule, A=A, die het volgende zou betekenen: “Deze formule betekent dat je voor de variabele A een object, een ding kunt invullen. Een ding is dus gelijk aan zichzelf. Dit is de wet van identiteit. Een ding heeft een eigen identiteit. De werkelijkheid is opgebouwd uit objecten met een eigen identiteit.” (55) Maar Ayn Rand schrijft hierover: “Whatever you choose to consider, be it an object, an attribute or an action, the law of identity remains the same.” Het gaat dus niet alleen om objecten. (Ik vraag me trouwens af of Aristoteles ooit ergens letterlijk A=A heeft opgeschreven; ik heb dat nooit ergens kunnen vinden. Bovendien lijkt me dit onderwerp eerder vallen onder het ‘hoofdstuk’ logica dan onder metafysica. Dat terzijde.) ”

Wat Ayn Rand hier zegt is dat de wet van de identiteit geldt voor objecten, eigenschappen en acties. Ayn Rand zegt hier niet dat de werkelijkheid is opgebouwd uit objecten, eigenschappen en acties. Die eigenschappen zijn namelijk eigenschappen van objecten of wellicht eigenschappen van acties. De werkelijkheid is ook niet opgebouwd uit objecten en acties. De werkelijkheid is opgebouwd uit objecten. De objecten kunnen bijvoorbeeld veranderen of verplaatsen, en dan spreken we van acties. Wat Ayn Rand hier zegt spreekt dus niet tegen wat ik heb geschreven. Dat is een kwestie van logica. Het lijkt me hier duidelijk dat Beckman zich er aan stoort dat ik Ayn Rand niet heb geciteerd, maar zelf in mijn eigen woorden heb geschreven waar het objectivisme over gaat.

Met de kritiek tussen haakjes, waarin hij er aan twijfelt dat Aristoteles heeft geschreven dat A=A, laat Beckman duidelijk zijn dat hij niet erg bekend is met beschouwende filosofische werken. Anders zou hij dit wel geweten hebben. Beckman schrijft iets eerder: “Om te beginnen schijnt hij te denken dat de filosofie is onderverdeeld in “hoofdstukken”, zoals “het hoofdstuk metafysica”. In beschouwende filosofische werken wordt nog al eens geschreven over de indeling van een filosofie in de hoofdstukken metafisica, epistomologie, ethiek, politiek en esthetiek. In het voorwoord van Capitalism schrijft Ayn Rand: “Politics is based on three other philosophical disciplines: metaphysics, epistomology and etics – on a theory of man’s nature of man’s relationship to existence.” In “The Romantic Manifesto” schrijft zij over de vijfde discipline: esthetica. Goed, Ayn Rand schrijft hier over disciplines en niet over hoofdstukken. De indeling is duidelijk, en wordt bij de cursussen van over het objectivisme veelvuldig herhaald.

Beckman vervolgt met: “Vervolgens lezen we: “In het hoofdstuk Epistemologie beschrijft Ayn Rand hoe wij de werkelijkheid kunnen waarnemen met onze zintuigen, hoe de zenuwprikkels van de zintuigen in de hersenen worden omgevormd tot waarnemingen en hoe we op basis daarvan met onze rationele vermogens concepten (gedachten) vormen over die werkelijkheid. Pas op het niveau van de concepten gaan de verschillende belevingswerelden van mensen een rol spelen.” (55) Wat er met die laatste zin wordt bedoeld, begrijp ik totaal niet. Verder beschrijft Ayn Rand beslist niet ‘hoe’ wij de werkelijkheid kunnen waarnemen met onze zintuigen noch ‘hoe’ de zenuwprikkels van de zintuigen in de hersenen worden omgevormd tot waarnemingen. Dat zijn wetenschappelijke onderwerpen, geen filosofische.”

Ik citeer Ayn Rand uit Introduction to Objectivist Epistomology, hoofdstuk 1:
“Consciousness, as a state of awareness, is not a passive state, but an active process that concists of two essentials: differentation and integration. Although, chronologically, man’s conciousness develops in three stages: the stage of sensationsm, the perceptual, the conceptual – epistomologically, the base of all man’s knowlegde is the perceptual stage. SENTATIONS, as such, are not retained in man’s memory, nor is man able to experience a pure isolated sensation. As far as can be assertained, an infant’s SENSORY experience is an undifferntiated chaos. Discriminated awareness begins on the level of percepts. A percept is a group of SENSATIONS automatically retained and integrated by the BRAIN of a living organism. It is in the form of percepts that man grasps the evidence of his senses and apprehends reality. When we speak of “direct perception” or ” direct awareness”, we mean the perceptual level. Perceptions, not sensations, are the self-evident. The knowledge of sensations as components of percepts is not direct, it is acquired by man much later: it is a scientific, conceptual discovery. ”

In het verdere verloop van het hoofdstuk gaat Ayn Rand nog dieper in op dit proces. Uiteraard gaat Ayn Rand niet in op het biologische proces (van de neurotransmittors etc.), maar dat beweer ik ook niet in het boek.

Beckman vervolgt met ” Maar het belangrijkste is dat concepten geen gedachten zijn; concepten zou je met een ander woord ‘begrippen’ kunnen noemen – maar een begrip is iets heel anders dan een gedachte. De hele epistemologische theorie van Ayn Rand draait nu net om dat verschil. Zie hier hoe slordig taalgebruik samenvalt met gebrek aan kennis.”

Het is Beckman zelf die hier slordig is. De hele epistomologische theorie van Ayn Rand gaat namelijk om het verschil tussen percepties en de objecten zelf aan de ene kant, en tussen concepten en percepties aan de andere kant. Ik moet toegeven dat in de zinsnede “en hoe we op basis daarvan met onze rationele vermogens concepten (gedachten) vormen over die werkelijkheid” de vertaling van concepten met gedachten, een erg vrije vertaling is. Ik heb deze keuze gemaakt om het de lezer voor wie dit alles nieuw is niet al te moeilijk te maken. Het zou eigenlijk “gecondenceerde gedachte” moeten zijn, maar dan zou ik weer veel meer tekst nodig hebben om dat uit te leggen. Ik had misschien de tekst “gedachten” tussen de haakjes weg moeten laten, of inderdaad begrippen moeten schrijven. Maar belang wat Beckman aan deze vrije vertaling hecht lijkt mij buiten proportioneel groot, en “not to the point”.

Beckman schrijft verder: “Vanaf dit punt gaat het artikel van kwaad naar erger en er volgt een hele serie uitspraken (over zintuiglijke waarneming en ethiek) die kant noch wal raken. De auteur laat merken dat hij niets heeft begrepen van het Objectivisme. Wat te denken van een uitspraak als deze: “Het rationele vermogen om goede concepten over de werkelijkheid te vormen is de basis van de objectivistische filosofie.” (56) Wat “goede concepten” zijn, weet ik niet. Bovendien is de bewering onjuist: het ‘rationele vermogen van de mens’ is absoluut niet ‘de basis’ van de objectivistische filosofie. De rede is (volgens Ayn Rand) het overlevingsmiddel van de mens in de natuur, het attribuut dat hem onderscheidt van alle andere levende wezens; maar dat is heel iets anders als ‘de basis van de objectvistische filosofie’. ”

Over wat goede concepten zijn, daar gaat nu juist de hele epistomologie van Ayn Rand over. Het gaat om het rationele vermogen om de goede, en niet de slechte concepten te vormen. Het lijkt me niet best als Beckman niet weet wat “goede concepten” zijn, zeker omdat ze nodig zijn voor de overleving. Het citaat van Ayn Rand spreekt ook hier mijn verhaal niet tegen, en dat Beckman dat hier achter schrijft toont te meer aan dat Beckman liever een verhaal had gelezen dat uit citaten van Rand was opgebouwd. Over de basis van het objectivisme zegt Ayn Rand het volgende in het interview met Playboy:

PLAYBOY: What are the basic premises of Objectivism? Where does it begin? RAND: It begins with the axiom that existence exists, which means that an objective reality exists independent of any perceiver or of the perceivers emotions, feelings, whishes, hopes or fears. Objectivism holds that reason is mans only means of perceiving reality and his only guide to action. By reason, I mean the faculty which identifies and integrates the material provided by mans senses.

Beckman, zelf jaren lang aanhanger van het objectivisme, weet dus kennelijk niet (meer) wat de basis van het objectivisme eigenlijk is.

De kritiek van Beckman dat niet alles wat in het boek staat, ook voor in de inhoudsopgave staat, deel ik wel. Dan zijn er nog wat commentaren over de keuze van artikelen, waarin zijn smaak verschilt van die van Aschwin en mij.

Zoals Aschwin al eerder heeft opgemerkt, is het nogal vreemd dat Beckman vindt dat Kinnegings kritiek op het libertarisme sterk overeen komt met die van Ayn Rand. Ja, de kritiek is in beide gevallen dat het libertarisme te weinig zegt over ethiek. Maar daar houdt de overeenkomst toch wel op.

Al met al denk ik dat het boek “De Markt voor Vrijheid” zeker nog eens kritisch moet worden doorgenomen (met name op taalkundig gebied) voordat de tweede druk wordt gemaakt. Voor de recensie van Karel Beckman is weinig hoop meer. Hij kan hem het beste weer van zijn site halen.


COMMENTAAR van HENK JELGERHUIS SWILDENS:

Kort geleden heeft de Stichting Libertarisch Centrum een boek onder bovenstaande titel uitgebracht ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van die stichting.
De samenstellers en alle andere medewerkers hebben – als amateurs – een zeer lezenswaardig boek gemaakt.
Door een indeling in vier verschillende delen is het daarmede ook voor niet-libertariers een alleszins aantrekkelijk stuk lectuur geworden.

Het eerste deel over het Libertarisme geeft een aardige indruk van de vele facetten van het Libertarisme, waarbij speciaal Vrijheid belicht wordt.

Delen Twee en Drie verhalen op een frisse manier de wederwaardigheden van het Libertarisme in de Lage Landen, waarbij een greep uit de verschenen artikelen van de afgelopen jaren, een goede indruk geeft van de verscheidenheid van onderwerpen en meningen – van voor-, als van tegenstanders. Daarbij wordt één van de principes van het Libertarisme: de volledige vrijheid van het individu goed gestalte gegeven.

Het Vierde deel vormt met een verscheidenheid van onderwerpen een goede afsluiting, waarin nogmaals het Libertaristische gedachtegoed en de filosofie aan de lezer overgedragen wordt in artikelen, die stuk voor stuk het lezen waard zijn.

Jammer is het, dat er ongewenst, nog veel verschrijvingen in de tekst voorkomen.
Vermoedelijk heeft tijdgebrek hierin een belangrijke rol gespeeld, maar met een beetje goede wil is daar zeker overheen te komen.
Het boek zal voor de lezer een geestelijke verfrissing zijn, zoals dat met het Libertarisme als gedachtegoed (filosofie) ook het geval is.