woensdag, 9 januari 2013
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De toekomst is aan vrijheid, niet aan de Staat

1. Er zijn twee manieren om tegen onze samenleving aan te kijken. Je kunt zeggen dat het goed gaat. We zijn welvarend, gezond, we leven lang, in een redelijk vrij en veilig land, we hebben veel vrije tijd, we zijn goed opgeleid.

Je kunt ook zeggen dat het niet goed gaat. Er is een financiële crisis, de werkloosheid stijgt, de pensioenen staan onder druk, de kosten van de verzorgingsstaat zijn niet meer op te brengen, de huizenmarkt zit op slot, zorg en onderwijs staan onder druk, sociale spanningen zijn groot.

Beide visies zijn verdedigbaar. Maar hoe zijn ze met elkaar te rijmen?

Hoe kan het dat we met onze hard werkende, intelligente bevolking, met onze hoge levensstandaard en goede opleidingen, met ons innovatieve bedrijfsleven, onze goede infrastructuur en onze gunstige geografische ligging, toch tegen zo’n berg problemen aan kijken?

Als mensen in Nederland wordt gevraagd hoe ze zich voelen, zeggen ze over het algemeen: met mijn leven gaat het goed, met de samenleving gaat het slecht.

Is dat niet vreemd?
We hebben het idee dat het in ons privé-leven goed gaat, maar we zijn somber over hoe het met de maatschappij gaat.

Onze toekomst zou rooskleurig moeten zijn, maar zo voelt het niet.

Hoe komt het, dat de maatschappij niet weerspiegelt wat we in ons eigen leven voelen? Dat we eigenlijk alles hebben dat ons in staat zou moeten stellen om een harmonieuze samenleving op te bouwen, terwijl de samenleving gebukt blijft gaan onder hardnekkige problemen? Dat we rijk zijn en tegelijkertijd in een crisis zitten en misschien wel afstevenen op een economische ramp, zonder dat iemand hier enige controle over lijkt te hebben?

De oorzaak voor deze tegenstrijdige situatie is in één woord samen te vatten. Dat woord is: de Staat.

De rol van de Staat in onze samenleving.

Niet voor niets hebben we het idee dat het met ons particuliere leven wel goed gaat, maar met het publieke leven niet. Ons particuliere leven onttrekt zich goeddeels aan de invloed van de Staat, het publieke leven niet.

Dit vergt enige uitleg. Het is namelijk niet wat u meestal wordt verteld. U bent gewend om te horen dat het juist de roofzuchtige particuliere sector is, die de ellende in de maatschappij veroorzaakt, en dat het de Staat is, de overheid, die ons daartegen beschermt.

De financiële crisis – is die niet veroorzaakt door hebzucht, door bonusbeluste bankiers en cynische speculanten?

Onze publieke sectoren, gaan die niet ten onder aan marktwerking, deregulering, privatisering – worden die niet leeggeroofd door graaiers en zakkenvullers?

De economie, gaat die niet ten onder aan de casinomentaliteit van aasgieren die bedrijven leegslurpen en er met de winst vandoor gaan, aan amorele markten die overheden uitkleden en sociale en monetaire stelsels omver werpen?

Hebben we juist niet méér overheid nodig – of op zijn minst: meer oog voor het publieke belang, meer verantwoordelijkheidszin, meer solidariteit, meer duurzaamheid – en zijn dat geen waarden die alleen geborgd kunnen worden door een zorgzame, niet-commerciële, integere overheid?

Dat is het verhaal dat wordt verteld door demonstranten, door schrijvers, door economen, door intellectuelen, door journalisten, door politici. En het klinkt ook best aannemelijk. Als je er niet te lang over nadenkt.

Maar het is een leugen. Het is de Grote Leugen van onze tijd, verspreid door links, rechts en midden: dat de Staat ons beschermt en de Markt ons uitbuit en bedreigt.

Het tegenovergestelde is waar.

2. Neem de economische crisis. Die bestaat feitelijk uit twee mega-problemen: onhoudbare staatsschulden en failliete banken.

Eerst die staatsschulden. Jawel, het zijn staatsschulden. Ik noem er een paar, en dit zijn cijfers uit 2011, in dollars. België heeft een staatsschuld van $398 miljard. Nederland 424 miljard. Griekenland 454 miljard. Spanje 823 miljard. Canada 1117 miljard. Het Verenigd Koninkrijk 1654 miljard. Frankrijk 1767 miljard. Italië 2113 miljard. Duitsland 2446 miljard. Japan 8512 miljard.

Dit zijn alleen de schulden van nationale overheden. Lokale overheden zijn er niet bij inbegrepen.

Hoezo arme politici, arme overheden, die onder druk van kille “financiële markten” gedwongen zijn om te bezuinigen?

Vetgemeste overheden zult u bedoelen. Uitbuikende bureaucratieën die altijd maar weer méér uitgeven dan ze aan middelen binnen krijgen, altijd maar meer en meer lenen, omdat ze weten dat ze toch niet failliet gaan, omdat ze weten dat de rekening wordt doorgeschoven naar volgende generaties, omdat ze niet zelf rente en aflossing hoeven te betalen, maar dat door de belastingbetalers kunnen laten doen.

Maar dit is uiteraard een heel ander verhaal. Dit past minder in het plaatje van niet-commerciële, onbaatzuchtige overheid.

Dan hebben we het alleen maar over iets tamelijk abstracts als de staatsschuld. Omdat dit in cijfers is uit te drukken. Wat niet in cijfers is uit te drukken, is hoe bureaucratie de samenleving verstikt, de dynamiek in een economie om zeep helpt, hoe de verzorgingsstaat afhankelijkheid en parasitisme in de hand werkt. Een land als Frankrijk telt 5 miljoen ambtenaren. Die op hun 62e met pensioen mogen – oh nee, daar maken ze nu weer 60 van. En dan maar klagen over die bikkelharde financiële markten die die arme Fransen het vel over de oren trekken. Gelukkig voor Frankrijk kunnen ze nog een tijdje doorgaan met potverteren: ze kunnen eerst nog de bankrekeningen van spaargelden in Duitsland en Nederland leegtrekken.

Griekenland, het land van de eurocrisis, is berucht om zijn gigantische bureaucratie, die gestaag is gegroeid sinds het land democratisch werd in 1974. Een Griekse econoom over de tijd totdat de crisis uitbrak: “Er was echt een feestje aan de gang. De overheid deed er steeds maar bonussen en uitkeringen en pensioenen bij. Bij elke verkiezingen groeide de economie doordat de overheid banen weggaf.” Fijn voor die ambtenaren in Griekenland – maar wie een bedrijf probeerde op te zetten werd door ambtenaren gemangeld en leeggezogen. Over aasgieren gesproken.

Zo zijn er talloze voorbeelden te geven. De Engelse publieke gezondheidszorg, om een willekeurig voorbeeld te noemen, werd in een Britse krant nog niet zo lang geleden omschreven als “de grootste bureaucratie in de vrije wereld, met meer werknemers dan de bevolking van Estland en een budget groter dan dat van Slowakije. Het is een land binnen een land: een stukje Oost-Duitsland in Groot-Brittannië.”

En Amerika? Amerika, dat is toch het land van de vrije markt, van het liberalisme, waar de armen steeds armer worden en de bedelaars je overal op straat aanklampen?

De totale Amerikaanse staatsschuld bedraagt ruwweg $ 10.000 miljard. En dan hebben we het alleen maar over de schuld van de federale overheid.

Bij die federale overheid werken 2 miljoen mensen, maar als je het aantal werknemers optelt van wat wordt genoemd “federal contractors” – particuliere bedrijven die uitsluitend voor de overheid werken – dan kom je op 15 miljoen.

De Federale Overheid is overigens de grootste werkgever van de VS. Er zijn 1300 federale overheidsinstellingen in de VS. Tussen bijvoorbeeld de minister van Landbouw en een boswachter zitten 18 bureaucratische lagen.

Is Amerika een vrij land? In 1925 besloeg het federale wetboek één deel, nu zijn er het meer dan 200. Alles in Amerika is gereguleerd – in de wet is voorgeschreven hoe je in een restaurant ui-ringen moet bereiden. Er zitten een half miljoen mensen in de gevangenis in de VS wegens drugs-gerelateerde overtredingen. Amerika heeft 5% van de wereldbevolking en 25% van de wereldgevangenisbevolking. Betekent vrijheid niet vrijheid om drugs te gebruiken? Om in de prostitutie te gaan? En andere domme dingen te doen? In Amerika niet.

Maar hoe zit het dan met Wall Street? Met de banken?

De banken, ja. Dat is het tweede probleem. Is de huidige crisis niet begonnen in de Amerikaanse vastgoedsector? Hebben Amerikaanse banken niet veel teveel leningen uitgegeven – en hebben ze die waardeloze leningen niet doorverkocht aan andere banken, onder andere in Europa, waardoor het probleem zich als een inktvlek heeft uitgebreid? En die Europese banken – moeten die niet allemaal door de Staat worden gered nu, en door de Europese Centrale Bank (ECB) ? Dat is toch niet omdat ze zo’n voorbeeldig beleid hebben gevoerd? Zijn dat niet diezelfde banken die hun bestuurders miljoenenbonussen uitkeren, rentes manipuleren, woekerpolissen verkopen en god mag weet wat ze allemaal nog meer uithalen?

Helemaal waar. Banken zijn vandaag de dag zonder meer corrupte instellingen. Bankiers zijn graaiers en dieven. Ze zijn medeverantwoordelijk, samen met de overheden, voor de financiële crisis waarin we ons nu bevinden.

Maar – en dat is het cruciale punt waar het om draait – onze banken hebben niets te maken met de vrije markt. De banken van Wall Street en de Zuidas en de City van Londen en het Bankenviertel in Frankfurt zijn in essentie staatsinstellingen. Het zijn verlengstukken van de Staat. Handlangers van de Staat.

Dat is niet zo moeilijk om aan te tonen. Hoe werkt een bank? Er zijn wellicht nog mensen die denken dat als zij hun geld naar de bank brengen, de bank dit voor hen bewaart. Vooruit, de bank mag het ook uitlenen en proberen er geld mee te verdienen, maar dat uitlenen en bewaren moet enigszins in balans blijven. Mis! De bank mag het geld dat u naar de bank brengt niet uitlenen, hij mag tien, vijftien keer zoveel uitlenen. Met het geld dat u naar de bank brengt, mag de bank geld scheppen. Zomaar, uit het niets.

Van wie mag hij dat? Van u? Van mij? Van de vrije markt? Nee, van de Staat. Van de wet. Zo is ons financiële systeem geregeld.
De “dekking” die de bank moet aanhouden om aan zijn verplichtingen te voldoen is maar een paar procent.

Zo kon het gebeuren dat de IJslandse banken vele keren meer geld hadden uitstaan dan heel IJsland waard was. De banken in Cyprus, zo meldde NRC Handelsblad onlangs, hebben acht keer het nationale inkomen van Cyprus uitgeleend. Aan wie? Vooral aan Griekse banken!

En dit geldt voor alle andere banken, ook de Nederlandse.

En wat gebeurt er als het mis gaat, en de bank kan niet meer aan zijn verplichtingen voldoen, omdat hij roekeloos geld heeft uitgeleend? Dan wordt hij gered door de Centrale Bank of door de Staat. Dan wordt de bank “geherkapitaliseerd”, zo wordt dat genoemd. Waarmee? Gewoon, met geld dat opnieuw uit het niets wordt gecreëerd.

Die Centrale Banken, voor alle duidelijkheid, zijn staatsinstellingen. (Ja, de Amerikaanse Federal Reserve is formeel eigendom van een aantal particuliere banken, maar het is in alle andere opzichten wel degelijk een staatsinstelling.)

Waarom vindt de Staat het goed, dat dit gebeurt? Waarom laten ze de banken die het niet goed doen gewoon failliet gaan, zoals ieder ander bedrijf in de vrije markt? Simpel: het zijn diezelfde banken die de staatsobligaties kopen waarmee de Staat zijn uitgaven financiert. Zo is de cirkel rond.

De Staat wil altijd aan geld kunnen komen – dus de banken moeten altijd genoeg geld hebben om staatsobligaties te kopen. En dat hebben ze dan ook altijd.

Het is in feite nog gekker. De staatsobligaties die banken kopen kunnen namelijk op hun beurt weer als “dekking” dienen, op grond waarvan de banken nog meer geld kunnen scheppen!

Spin in het web van dit systeem zijn de Centrale Banken.
Die bepalen direct en indirect hoeveel geld er in het systeem wordt gepompt. In Amerika gaat dat bijvoorbeeld zo: de banken kopen staatsobligaties van de overheid, de Centrale Bank koopt die staatsobligaties van de banken, de banken kunnen met die “dekking” (die dus uit staatsschuld bestaat!) pakweg tien keer zoveel geld in de markt slingeren. Zo kocht de Federal Reserve in de periode 2001-2006 voor $ 200 miljard aan staatsobligaties van banken, die daarmee $2000 miljard te besteden hadden.

In Europa gaat het meestal iets anders, hoewel de ECB in recente tijden ook voor vele honderden miljarden aan staatsobligaties heeft gekocht van de banken. De ECB verstrekt ook leningen aan de banken tegen spotgoedkope tarieven. De ECB heeft nu in een jaart tijd (half 2011 tot half 2012) €1000 miljard in het bancaire systeem gepompt.

De details van hoe het systeem werkt zijn complex, maar ze doen niet ter zake. Waar het om gaat is het principe. Het principe is dit: het zijn Staten die via hun Centrale Banken en via de particuliere banken bepalen hoeveel geld er in de economie wordt uitgezet. Ze bepalen ook wat “wettelijke betaalmiddelen” zijn, met andere woorden, het geld dat ze uitzetten moet verplicht door iedereen worden aangenomen als betaalmiddel. De Staten hebben dus de volledige controle over ons geldstelsel – over ons monetaire en financiële systeem. De banken zijn in dit systeem de verlengstukken van de Staat – en krijgen als dank vrijwel onbeperkte middelen om met geld te strooien.

Met een vrije markt heeft dit niets, maar dan ook helemaal niets te maken.

Nogmaals: het feit dat de banken op de been worden gehouden door geld van de Staat zegt genoeg. Het zijn staatsinstellingen. Geen enkel bedrijf wordt op zo’n manier gesteund, behalve staatsbedrijven.

En Staten zelf natuurlijk – want merk op dat die ook nooit failliet gaan, ook altijd “gered” worden, met leningen en noodleningen en kapitaalinjecties en wat dies meer zij. De Staten redden de banken en de banken redden de Staten.

Je hoeft geen genie te zijn om te bedenken wat de gevolgen zijn van dit magische systeem, deze geldtovermachine. Koningen moesten het in het verleden met goud doen, en moesten zich behelpen met het afschaven van goudstukjes als ze de boel wilden flessen. De moderne Staat heeft een wonderbaarlijke geldvermenigvuldigingsmachine tot zijn beschikking. Drie keer raden wat er gebeurt als je politici en bankiers zo’n machine geeft. Dat hoeven we niet meer te raden. We weten het.

Uiteraard zijn er prachtige theoretische rechtvaardigingen bedacht voor het huidige systeem, met name door Keynes. De meerderheid van de economen volgt vandaag nog altijd in de voetsporen van deze even beroemde als beroerde Britse econoom. De theorie van Keynes houdt kortweg in dat geld in de economie pompen goed is omdat het “de vraag” stimuleert – en daarmee de economische activiteit. Deze theorie draait oorzaak en gevolg volledig om.

Ik kan in dit kader niet uitgebreid ingaan op deze Keynesiaanse onzin – maar ga zelf maar na: als je werkelijk welvaart zou kunnen creëren door de vraag kunstmatig te stimuleren, waarom is er dan nog armoede op de wereld? Waarom zijn er economische problemen? Waarom is er werkloosheid?

Maar heeft het in de economie pompen van geld dan geen effect op de economie? Zeker wel. Het creëert zeepbellen. Waar die zeepbellen ontstaan, hangt af van waar het geld naar toe gaat. In de VS was dit bijvoorbeeld de vastgoedsector – waarvan de Staat vond dat de banken daar geld naartoe moesten sluizen. In andere landen is hetzelfde gebeurd. Het creëerde de illusie van welvaart – en sommigen werden er inderdaad beter van – maar anderen verloren juist.

Uiteindelijk leidt permanente geldcreatie tot permanente inflatie. Dat is ook wat we vandaag de dag hebben. Mensen zijn er al zo aan gewend dat ze denken dat het onvermijdelijk is dat de prijzen altijd omhoog gaan. Dat is niet zo. Kijk maar naar de innovatieve sectoren van de economie: daar gaan de prijzen omlaag. Als de Staat en de banken niet continu geld in de economie zouden pompen, zou, bij een stijgende arbeidsproductiviteit, het algemene prijspeil gestaag dalen!

Economen noemen dat deflatie en maken ons wijs dat je daar bang voor moet zijn. Bent u bang als u de winkel binnen gaat dat de winkelier de prijzen verlaagt? Of bent u bang dat hij de prijzen verhoogt?

Gek idee wellicht, maar als we werkelijk in een vrije economie zouden leven, zouden de prijzen gemiddeld genomen gestaag dalen. Denkt u eens in wat dat betekent. We hoeven niet meer verwoed te sparen voor ons pensioen! In ons huidige stelsel gebeurt het omgekeerde. De pensioenen worden daarom voortdurend uitgehold. Alles van waarde is weerloos, zei de dichter, en dat klopt in een door de Staat gerunde Keynesiaanse economie.

Laat u niets wijsmaken door neo-Keynesiaanse economen: economische groei wordt bepaald door productie, niet door consumptie. De hoeveelheid geld die daarbij in de economie zit, doet niets ter zake. Productiemiddelen zijn schaars, meer geld creëren verandert daar niks aan. Geldschepping leidt niet tot meer welvaart, maar tot een herverdeling van de welvaart, waarvan sommigen profiteren en anderen armer worden.

En kom nu niet aan met het argument dat het soms nodig is om de economie te stimuleren, omdat “het vertrouwen” weg is. Dat vertrouwen is heel makkelijk weer terug te krijgen: laat de banken failliet gaan die failliet zijn, laat de lucht uit de economie lopen, bouw de schulden af, te beginnen met de staatsschulden, voer een conservatief, zeer conservatief monetair en fiscaal beleid, en moet je zien hoe snel het vertrouwen weer terug is!

De economie kan de kunstmatige manipulatie van het geldwezen heel goed missen. We hebben geen Centrale Bank nodig. We hebben geen wetten nodig die het banken mogelijk maakt om geld uit het niets te scheppen. Wat we op dit moment meemaken is niet het failliet van de vrije markt – het is het failliet van het interventionisme. Van het door de Staat gecontroleerde en gemanipuleerde financiële stelsel.

3. Nu zullen sommige mensen tegenwerpen dat we dankzij dit interventionisme ook een hoop krijgen van de Staat. De Staat zorgt toch voor uitkeringen, voor wegen, voor de gezondheidszorg, het onderwijs, enzovoort?

Nou, nee. Daar betaalt u gewoon zelf voor. De Staat kan alleen maar “geven” wat burgers en bedrijven eerst maken. De Staat creëert niet, maar herverdeelt. Zoals de Amerikaanse vrije-markteconoom Henry Hazlitt heeft geschreven: “De moderne verzorgingsstaat is slechts een ingewikkeld systeem waarbij niemand betaalt voor het onderwijs van zijn eigen kinderen, maar iedereen betaalt voor het onderwijs van alle kinderen; waarin niemand zijn eigen ziektekosten betaalt, maar iedereen betaalt voor alle ziektekosten; waarin niemand betaalt voor zijn eigen pensioen, maar iedereen betaalt voor alle pensioenen”, enzovoort.

De 19e eeuwse Franse econoom Bastiat zei het al eerder: “De Staat is de grote illusie waarbij iedereen probeert te leven op kosten van alle anderen.”

Laten we eens kijken naar de zaken die door de Staat worden geregeld in plaats van door de markt. Neem de twee grootste zogenaamde publieke sectoren: onderwijs en gezondheidszorg. Twee door de Staat gecontroleerde, kapot-gereglementeerde, verbureaucratiseerde sectoren.

Gaat het daar goed mee?

Waarom zijn onderwijs en gezondheidszorg eigenlijk sowieso “publieke” sectoren? Waarom zijn het taken van de overheid? Wat zou er mis gaan als we onderwijs en gezondheidszorg uit de handen van de overheid zouden bevrijden? Wat voegt de overheid toe behalve bureaucratie?

Is het u weleens opgevallen dat als het over onderwijs en gezondheidszorg gaat, het altijd gaat over bezuinigingen.

Als het over de supermarkten gaat of over computers, dan wordt er toch ook niet steeds gepraat over bezuinigingen?

Hoe komt dat? Dat komt omdat de kosten van onderwijs en gezondheidszorg voortdurend de pan uit rijzen. En hoe komt dat? Omdat het publieke sectoren zijn!

Marcel Olde Rikkert, hoogleraar geriatrie die zich in dit onderwerp heeft verdiept (en verder overigens niets met het libertarisme te maken heeft), verwoordde het probleem onlangs kernachtig in een ingezonden artikel in NRC Handelsblad. Het zorgstelsel laat zich niet verkleinen, schreef hij, omdat “de zorgaanbieder de unieke mogelijkheid heeft om zijn eigen markt te bepalen”.

Het koekiemonster van de zorg noemt hij dat.

Daarom werken alle bezuinigingen en reorganisaties niet: het monster bepaalt zelf wat “nodig” is om ons aan zorg aan te bieden.

Inmiddels, voegt deze hoogleraar hier aan toe, is het systeem zo groot en complex geworden dat het zich door niemand meer laat aansturen.

Maar dat is niet waar. Er is één kracht die ieder economisch stelsel, hoe complex ook, kan besturen, op een efficiënte en eerlijke manier. Dat is de kracht van vraag en aanbod. Van de vrije markt.

Waarom laten we die niet los op de gezondheidszorg, het onderwijs?

Veel mensen vinden dat dat niet kan, omdat “wij in Nederland nu eenmaal vinden dat iedereen goed onderwijs en goede medische zorg behoort te hebben”. Ongetwijfeld. Iedereen ‘behoort” ook goed voedsel en drinken te hebben en goede kleding. En dat heeft in ons land ook iedereen. Toch hebben we geen ministerie van Voedselvoorziening of van Kledingzaken. Onze Albert Heijnen, Aldi’s, Edah’s en C1000′s voorzien ons op een efficiënte manier tegen redelijke prijzen in onze allerbelangrijkste behoefte, namelijk voedsel, en dat doen zij zonder dat daar enige nota’s, notities, vernieuwingscommissies, tweede fases, knelpuntrapportages, richtlijnen, handreikingen en beleidsinitiatieven aan te pas komen. Waarom zouden scholen en zorginstellingen niet kunnen wat supermarkten wel kunnen?

Maar vallen er dan geen mensen buiten de boot? Dat hangt er maar vanaf hoe je de zaken regelt. Er zijn ook mensen die geen geld hebben om voedsel te kopen. We gaan toch niet de supermarkten nationaliseren omdat er arme mensen zijn in Nederland?

En de kwaliteit? Komt die niet in gevaar? Eerder andersom. Wat zou de kwaliteit zijn van onze supermarkten als die zouden zijn georganiseerd zoals de ziekenhuizen of de scholen?

Waarom zouden leerkrachten en doktoren niet voor kwaliteit kunnen zorgen? Dat zijn de echte specialisten. De scholen en zorginstellingen die het niet goed doen, zullen het domweg niet redden als ze moeten concurreren met goede scholen en zorginstellingen.

Zonder de bemoeizucht van de overheid, zal de kwaliteit van het onderwijs en de gezondheidszorg er op vooruit gaan en zullen wachtlijsten en smerige, overvolle klaslokalen uiteindelijk verdwijnen. Smerige supermarkten met slecht eten, of opticiens met wachttijden van een half jaar, bestaan immers ook niet. Die hebben geen kans in de markt.

En kom alsjeblieft niet aan met het argument van de linkse partijen, dat de problemen in onderwijs en gezondheidszorg het gevolg zijn van de introductie van “marktwerking”. Een markt is alleen een markt als het een echte markt is. Daar is geen sprake van.

Ja, het is waar – zogenaamde verzelfstandiging zonder echte concurrentie, zonder echte verantwoordelijkheid, leidt alleen maar tot grotere puinhopen. Zie de woningbouwcorporaties. Zie het spoor. Dan kun je inderdaad maar beter de boel in handen van de Staat laten. Maar er is een alternatief: echte marktwerking. Echte verzelfstandiging.

4. De keuze waar we op dit moment voor staan in Nederland, in Europa, in de wereld, is een fundamentele. Het is de keuze tussen markt en staat. Tussen meer overheid en meer vrijheid. Tussen afgedwongen solidariteit en vrijwillige samenwerking. Tussen corruptie en eigen verantwoordelijkheid.

Aan alle kanten wordt u verteld dat de crisis in de samenleving – de verschillende crises – of het nu gaat om de economie, om werkloosheid, om armoede, om slechte zorg, slecht onderwijs, graaigedrag, oorlog en geweld – het gevolg zijn van de vrije markt, het kapitalisme, de vrijheid.

Maar kijk om u heen. Waar is er in de wereld sprake van een vrije economie, of een economie die overwegend vrij is? Is er een economie, een land, een plek op aarde die niet wordt gedomineerd door de staat of door staatsingrijpen? Waar ter wereld overheerst op dit moment individuele vrijheid, zelfbeschikkingsrecht, het recht van individuen om naar eigen inzicht over hun eigendommen te beschikken?

Is er ergens op de wereld géén machtige Staat die de economie en de samenleving controleert?

Is het dan niet voor de hand liggender om te concluderen dat de problemen worden veroorzaakt door de Staat?

Wat betekent dit dan in de praktijk?
Hoe moeten we de problemen van onze tijd te lijf gaan met een abstract idee als de vrije markt?

Ik ga in vogelvlucht langs een paar van de grote problemen waar we voor staan.

De crisis? Kunnen we uit de euro stappen? Stort het systeem dan niet in elkaar?

De harde werkelijkheid is: het systeem is niet meer te redden. Een crisis is niet te vermijden.
Het is een illusie om te denken dat de schulden van de Staten ooit worden afbetaald. Laat staan dat de Staten kunnen voldoen aan de verplichtingen die ze op zich hebben genomen, bijvoorbeeld op het gebied van pensioenen en zorg. In de VS gaat volgens een conservatieve schatting om $ 111.000 miljard aan verplichtingen waarvoor niet is gespaard. Het zou ook nog $ 200.000 miljard kunnen zijn.

Gelooft er iemand dat de VS ooit hun schulden gaan terugbetalen? De Grieken? De Spanjaarden? Toch is dat de illusiepolitiek die nu wordt gevolgd. De schulden worden in stand gehouden, ze worden vooruit geschoven.

Het idee is dat we uit de crisis zullen groeien. Dat we een dusdanige economische groei gaan zien dat daaruit de schulden kunnen worden betaald. Dat is een illusie.

Er zijn twee mogelijkheden. Ten eerste kunnen we alle schulden afschrijven, de Staten en banken die failliet zijn, failliet laten gaan. Voor de schuldenaren heeft dat een heel groot voordeel – ze zijn van hun schuldenlast af. Ja, ze kunnen niet meer aan nieuw geld komen, maar dat is precies de bedoeling. Ze zullen de tering naar de nering moeten zetten. Maar wel met een schone lei. Is dat zo erg?

In dit scenario zullen ook veel banken en financiële instellingen ten onder gaan. Dat zal een enorme chaos veroorzaken. Maar de pijn zal vooral die instellingen zelf treffen. Ook dat is precies de bedoeling. Geen bonussen meer! De mensen die geld op die banken hebben staan, moeten zo goed mogelijk worden geholpen via het depositogarantiestelsel.

Wat is het alternatief? Er is uiteindelijk maar één alternatief: net zoveel geld in het systeem pompen totdat nominaal, op papier, iedereen gered is. Dit proces is nu al aan de gang, maar we weten dat het bij lange na niet genoeg is. Er moet nog veel meer geld in het systeem.

Wat is het gevolg van deze oplossing? Hyperinflatie. De geldontwaarding die nu gestaag plaatsvindt, zal acuut worden: de prijzen zullen de lucht in vliegen. Alles wat u dacht te bezitten, in geldtermen, zal in rook opgaan.

Dit is een veel slechtere optie dan optie één. Hyperinflatie betekent de totale ineenstorting van het financiële stelsel. Dit zal vooral ten koste gaan van alle burgers die niets met het systeem te maken hebben gehad. Alle burgers die op een fatsoenlijke manier voor zichzelf hebben gezorgd. Die hebben gespaard. Wellicht hun bedrijf hebben verkocht waar ze tientallen jaren voor krom hebben gelegen.

De woede zal enorm zijn. We weten allemaal waar de crisis in de jaren twintig in Duitsland toe heeft geleid. Die geschiedenis zal zich herhalen.

Er is nog een andere reden om te kiezen voor de eerste weg, die van de faillissementen. Die zullen pijn doen, maar ook een nieuwe start betekenen. Een krap-geldbeleid en hoge rente leiden ertoe dat geld op de beste manier wordt ingezet. Activiteiten die niet rendabel zijn krijgen geen kans. Zo worden de schaarse middelen in de maatschappij op de meest efficiënte manier gebruikt.

Geldsmijterij daarentegen leidt tot chaos in de economische keuzes. Bepaalde bevoorrechte groepen komen makkelijk aan geld, steken dat in hun zak, of stoppen het in projecten die op korte termijn werkgelegenheid lijken te creëren, maar die niet rendabel blijken te zijn. Nieuwe zeepbellen dus.

De consumptie stimuleren is om die reden ook verkeerd. Onze welvaart is gebaseerd op kapitaalinvesteringen uit het verleden. Investeringen in productiegoederen, die de arbeidsproductiviteit verhogen. Daar moet het geld terecht komen, aan de bovenkant van de economie. Daarom is het zo belangrijk dat de rente de werkelijke schaarste aan kapitaal weerspiegelt.

Hoe dan ook, makkelijke keuzes zijn er niet. 
Voor libertariërs is er maar één keuze mogelijk. Stoppen met geld in het systeem te pompen.

Op de langere termijn: stoppen met een door de Staat gemanipuleerd en gecontroleerd geldsysteem.

Dat wat betreft de crisis.

De euro?
Stoppen ermee als die euro betekent dat we mee moeten doen met de bail-outs van landen en banken. Merk op dat landen als Zwitserland en Denemarken het prima redden zonder de euro. Er is geen enkele reden waarom wij dat niet zouden kunnen.

De EU?
Prima als vrijhandelsovereenkomst. Daar moet het bij blijven. Het Europarlement kan worden opgeheven net als de meeste Brusselse instellingen. Ze zijn een Staat bovenop onze eigen Staat. Dubbele ellende dus.

Gezondheidszorg, onderwijs?
Bezuinigingen moeten worden gericht op de overheid. Ministeries als die van Onderwijs en Gezondheidszorg moeten worden opgeheven. Er moet een plan komen voor de werkelijke verzelfstandiging van deze twee sectoren, waarbij in verschillende stappen een overgang plaatsvindt naar een vrije markt.

Dat geldt ook voor ons sociale stelsel, de verzorgingsstaat. Die kun je niet zomaar even afschaffen. Maar er moet wel worden gewerkt aan afschaffing van de verzorgingsstaat. Ook hiervoor moet een gedetailleerd meerjarenplan komen, dat duidelijk maakt waar iedereen aan toe is.

Alle subsidies aan cultuur, ontwikkelingssamenwerking en het bedrijfsleven kunnen per direct worden beëindigd, binnen een jaar. Wie kunst wil uitoefenen, mag zijn gang gaan. Op eigen kosten.

De strijdkrachten moeten defensief worden ingericht. We hebben een leger nodig, we moeten onszelf kunnen verdedigen. Maar we hebben geen strijdkrachten nodig om elders te interveniëren.

Wie vindt dat de Afghanen moeten worden “geholpen”, of de Zambianen of de Eskimo’s, die mag ze gaan helpen. Prima. Wij houden niemand tegen.

Wie dit soort dingen zegt, wordt er al snel van beschuldigd met de rug naar de buitenwereld te staan. Dat is onzin. Laat één ding duidelijk zijn: protectionisme, nationalisme, het sluiten van grenzen, zelfvoorziening – dat zijn recepten van fascistisch rechts, van conservatief rechts. Niet van het libertarisme. Protectionisme is een economische ramp. Die kant moeten we niet op. Openheid, vrije markten, handel, communicatie – dat is wat de vooruitgang drijft. Dat is waar het libertarisme voor staat

Wat immigratie betreft, wij hebben niets tegen buitenlanders die hier willen werken of studeren. Die kwalificaties meenemen of geld. Die iets te bieden hebben. Die zijn welkom. Echte vluchtelingen ook. Helaas is de harde werkelijkheid dat de grenzen niet kunnen worden afgeschaft. Misschien ooit, in een ideale wereld.

Integratie – dat is iets wat van onderaf moet gebeuren. Door mensen zelf. Niet afgedwongen, door de overheid.

We zijn ook niet voor “law en order” in de zin dat drugsgebruik en dergelijke moeten worden “aangepakt”. Dit noemen wij slachtoffer-loze misdaden. Mensen zijn vrij om drugs te gebruiken. Ze zijn ook vrij om te drinken. Dit soort verboden leiden juist tot criminaliteit en tot een versterking van de georganiseerde misdaad.

We willen ook niet dat de rechten van verdachten worden ingeperkt of dat de Staat meer middelen krijgt om de burgers te bespieden. Wij vinden wel dat misdaad en misdadigers moeten worden aangepakt, dat burgers moeten worden beschermd.

Dit is geen conservatieve agenda. Maar onze agenda is ook niet links. We zijn net zo hard tegen de bemoeizucht van links, de mentaliteit van mensen die menen te weten wat goed is voor een ander. Die hun eigen kliekjes bevoordelen in de kunst, de ontwikkelingshulp, de publieke omroepen en ga zo maar door. Die menen dat ze het recht hebben om ondernemers voor te schrijven hoeveel vrouwen en hoeveel allochtonen ze in dienst moeten hebben. We zijn tegen anti-discriminatiewetgeving.

We hebben niets tegen kunst, of tegen ontwikkelingshulp, of tegen goede televisieprogramma’s. We hebben er wel iets op tegen dat sommigen mensen worden gedwongen te betalen voor de activiteiten van anderen.

Dit is de visie die het libertarisme drijft. Is dit zelfzuchtigheid? Ieder voor zich? 
Nee. Het is verantwoordelijkheid nemen in plaats van parasiteren op een ander.

Het is een misverstand om te denken dat vrijheid, de vrije markt, moreel leeg zou zijn en gebaseerd op egoïsme. Luister naar de grootste libertarische econoom die ooit heeft geleefd, een man die zijn hele leven lang pal heeft gestaan voor de vrije markt, voor het kapitalisme: Ludwig von Mises. Wat is volgens deze aarts-kapitalist, de meest pro-kapitalistische econoom onder de economen, de basis van de vrije markt, de vrije samenleving, de beschaving?

Is dat particulier eigendom van de productiemiddelen? Zelfbeschikkingsrecht? Nee. Samenwerking. Samenwerking tussen mensen – vrijwillige, vreedzame samenwerking, op basis van arbeidsverdeling – dat is volgens hem de bron van alle beschaving – het is de bron van alle verbeteringen in de levensomstandigheden van mensen.

En vrijwillige, vreedzame samenwerking – dat is de markt. Dat is de kern van de vrije markt, van het liberale systeem. Dit is geen hyperindividualistisch, atomistisch systeem waarin iedereen voor zichzelf bezig is, geïsoleerd van de anderen. Integendeel, je kunt in de vrije markt niet voor jezelf bezig zijn, asociaal zijn. Niemand is zelfvoorzienend, je bent altijd gericht op anderen, je moet iets maken of aanbieden wat een ander graag wil hebben, anders red je het niet. Je kunt anderen niet dwingen om aan te nemen wat jij te bieden hebt.

Je kunt niemand iets door de strot duwen.

In onze moderne maatschappij kan niemand in zijn eentje de honderdduizenden dingen produceren waarvan zijn leven afhankelijk is. Vrijwel niets wat je hebt of gebruikt produceer je zelf. Je hebt altijd met anderen te maken, die beslissen of ze met jou willen samenwerken, of ze jou of jouw product of dienst nodig hebben.

Dit is geen systeem zonder regels of ordening waarin iedereen kan doen wat hij wil. Integendeel, iedereen draagt de consequenties van wat hij doet. Dit systeem bevordert wel degelijk ethische normen: verantwoordelijkheidsbesef, ijver, zelfstandigheid, sociaal besef.

Parasitair en asociaal gedrag wordt daarentegen afgestraft. Wie geen zin heeft om zich iets van anderen aan te trekken, zal het heel moeilijk hebben in een vrije samenleving.

Uiteraard leidt vrijheid tot concurrentie. Dat is ook de bedoeling. Maar concurrentie is geen oorlog. Het is een strijd om zo goed en efficiënt mogelijk de behoeften van andere mensen, je medemensen, te bevredigen.

In een echt vrije markt is geen plaats voor bedrijven die invloed hebben gekocht via de Staat. Farmaceutische bedrijven die profiteren van door de Staat verleende patenten. Aannemers die contracten krijgen van de Staat. Energiebedrijven die subsidies krijgen. Enzovoort. In een vrije markt hebben bedrijven geen privileges.

In dit systeem is er uiteindelijk maar één de baas: de consument.

Natuurlijk zijn er altijd mensen die het niet redden. Die hulp nodig hebben. Die mensen zullen worden geholpen. Daar zijn we met zijn allen zelf bij. Wat we niet nodig hebben is een machtig Staatsapparaat dat dit allemaal regelt, dat bepaalt wie er hulp dient te krijgen en wie er hulp dient te geven, dat bepaalt hoe we moeten leven, dat zogenaamd voor de burger alles regelt, maar dat in werkelijkheid vooral voor zichzelf doet.

Mensen zijn het alweer bijna vergeten, maar de vorige eeuw was de eeuw van de machtige Staat. Het was de eeuw waarin Socialisme en Fascisme – systemen waarin de Staat en het Collectief werden aanbeden – hoogtij vierden. Het resultaat kennen we: ongekende rampen. Honderden miljoenen mensen vermoord of door honger omgekomen.

We zitten nu in een systeem dat ergens tussen Staat en Vrijheid in zit. Maar we zijn weer heel hard aan het opschuiven richting Staat.

De gevestigde belangen zijn belangen die samenhangen met de macht van de Staat. Die zijn alleen te breken door de macht van de Staat te breken.

Alles wat het waard is om voor te leven – vrede, welvaart, vriendschap, samenwerking, solidariteit – kan alleen worden gebouwd op vrijwilligheid, op vrijheid.

Dat is de keuze waar we voor staan: meer Staat of meer vrijheid.

Het zal duidelijk zijn welke kant wij kiezen.

Door Karel Beckman

Karel Beckman (karel.beckman@online.nl) is journalist en mede-auteur, met Frank Karsten, van het vorig jaar verschenen boek De Democratie Voorbij (http://www.dedemocratievoorbij.nl), een libertarische analyse van het democratische systeem.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Karel Beckman, topic: Economie, Economische Conjunctuur, Libertarische Theorie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.