maandag, 1 januari 2001
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Fiscaal onrecht: de Hobbesiaanse erfenis


Juristen, vooral uiteraard de fiscalisten onder hen, praten over belastingrecht alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, terwijl de term ‘belastingrecht’ toch een in het oog springende contradictio in terminis is. Binnen de korte tijd die mij hier is toegemeten, wil ik proberen enkele factoren te belichten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de ideologische transformatie van iets wat klaarblijkelijk onrecht is in niets minder dan een grondrecht van de moderne maatschappijen.

Het spreekt vanzelf dat ik mij zal moeten beperken tot slechts enkele elementen uit een overigens bijzonder complex verhaal. Ik zal het hebben over het Hobbesiaanse grondslagen van de hedendaagse juridische ideologie en over haar uitwerking in de leer van de mensenrechten.


Anderen belasten is strijdig met het recht

Aangezien wij hier allen volwassenen onder elkaar zijn, hoef ik geen tijd te besteden aan argumenten om het klaarblijkelijk onrechtmatige karakter van de belastingen aan te tonen. Voor de meesten onder ons zijn de aanslagbrieven van de fiscus de enige dreigbrieven die zij in hun leven ontvangen, of de enige waar zij voor zwichten, wel wetend dat de fiscus een geduchte tegenstander is die zijn dreigementen met grote kans op slagen kan uitvoeren. De gehele belastingpraktijk berust op eenzijdige dwangmacht van de overheid. De overheid weet dit uiteraard maar al te goed. Zij denkt er niet aan haar belastingen te vervangen door vrijwillige giften van haar onderdanen of haar dwangmacht alleen te gebruiken in gevallen waarin een rechter ook andere rechtssubjecten zou toestaan hun vorderingen af te dwingen.

Dat het belastingrecht juist als recht een onding is, laat zich overigens op een nog veel directere wijze aantonen. Als iemand van u zou menen dat recht te hebben en zou proberen het uit te oefenen, dan zou hij al heel handig moeten zijn om uit de greep van de justitie te blijven. Anderen eenzijdig belasten, bijvoorbeeld door hen een deel van hun inkomen of vermogen af te nemen, geldt algemeen als een misdrijf—als een typische uiting van onrecht.

Wat de verdedigers van het belastingrecht van de overheid dus moeten aantonen is dat de overheid het recht heeft dingen te doen die zonder meer als misdadig beschouwd worden als zij door iemand anders zouden worden gedaan. Geen gemakkelijke opgave!

Een argumentatiestrategie, die in de voorbije eeuwen, en in het bijzonder in de laatste honderd jaar, een fenomenale opgang gemaakt heeft, bestaat erin juist wel aan te nemen dat anderen eenzijdig belasten een algemeen recht van ieder mens is. De meest bekende en invloedrijke vertegenwoordiger van die strategie was de fameuze zeventiende-eeuwse Engelse filosoof van het absolutisme, Thomas Hobbes.


Hobbes: onrecht plegen is fundamenteel mensenrecht

De grote lijn van zijn betoog is bekend. Ieder mens heeft van nature het recht anderen eenzijdig te belasten, zelfs gevangen te nemen, in slavernij te houden of te doden. Welnu, zo betoogde Hobbes, als iedereen op grond van dit recht zou handelen, dan zou het resultaat een universele oorlog van allen tegen allen zijn — iets wat geen zinnig mens wil.

Dat argument was uiteraard niet nieuw. Wel nieuw was dat Hobbes zonder blikken of blozen het eenzijdig belasten van anderen (zelfs in zijn ergste vormen) als het fundamenteelste natuurlijke recht van de mensen aanduidde. Daarmee lanceerde hij een terminologische hokus pokus die onnoemelijke verwarring zou zaaien in het denken over recht, een verwarring die in de twintigste eeuw een hoogtepunt zou bereiken en de juristen geen andere grondslagen voor hun vak zou laten dan bluf en cynisme.

Laten wij de dingen bij hun naam noemen. Wat Hobbes in feite zei, was dat onrecht plegen het fundamentele natuurlijke recht van ieder mens is. Recht is onrecht. Exacter: van nature kan er alleen onrecht bestaan, en aangezien wij niet buiten de natuur kunnen treden kan er alleen onrecht bestaan.

De fundamentele keuze voor de mensen is dus niet de keuze tussen recht en onrecht. Wat is dan wel de fundamentele keuze? Het antwoord van Hobbes is ondubbelzinnig: de fundamentele keuze is de keuze tussen georganiseerd en ongeorganiseerd onrecht. Niet het recht is de voorwaarde voor de vrijwaring van de menselijke samenleving, maar de organisatie van de macht anderen te belasten.

Daarmee had Hobbes niet alleen het logische kader voor zijn theorie van het absolutisme uitgetekend, maar ook het kader voor het moderne positivisme dat eeuwen later zou uitmonden in Kelsens identificering van recht en staat. Recht is niet het tegengestelde van onrecht. Het is georganiseerd onrecht, niets meer en niets minder. De staat is dienovereenkomstig de organisatie van het onrecht. Juristen hoefden zich bijgevolg niet meer bezig te houden met het onderscheiden van recht en onrecht, zij hoefden nog enkel oog te hebben voor het onderscheid tussen het door de politieke macht georganiseerde en dat wat zich daarbuiten bevindt, tussen het geregelde en het ongeregelde. Niet kennis van het onderscheid tussen recht en onrecht, maar kennis van de geldende regeltjes—dát werd hun domein. Weg dus met de rechtsgeleerdheid, leve de wetgeleerdheid!

In deze Hobbesiaanse drogreden verscheen het belastingrecht van de overheid als zonder meer ‘gerechtvaardigd’. Het was de organisatie van het natuurlijke recht van alle mensen dat in zijn ongeorganiseerde variant niets dan onheil brengt. Alleen een dwaas zou zich niet akkoord verklaren met een keuze voor de organisatie van het onrecht. Zij is bijgevolg de keuze waarmee ieder redelijk mens instemt.


Hobbesiaanse democratie

De theorie van Hobbes werd aanvankelijk door nagenoeg niemand ernstig genomen. Tot ver in de negentiende eeuw bleef zij veeleer een intellectuele curiositeit. In de late negentiende eeuw werd zij opgevist als een ‘rationele fundering’ voor de staatsalmacht die toen door velen verheerlijkt werd.

In dezelfde periode kreeg ook het democratiebegrip Hobbesiaanse boventonen. Tot dan toe was aan democratie vooral gedacht als een methode om wetgevers te kiezen, en wetgevers waren nodig om de rechtsorde te bewaken en te versterken en vooral ook om haar te beschermen tegen rooflustige, belastinggeile heersers. Wetten werden immers geacht rechtsregels te zijn, die de eerbied voor het recht dienden te verzekeren. Zij werden nog niet gezien als voorschriften die de burgers verplichten zich te schikken naar het beleid van hun oversten. Dat veranderde in de tweede helft van de negentiende eeuw met de opkomst van de beleids- of bestuursstaat, vaak onder autocratische heersers (Frankrijk, Duitsland). Die zagen de uitbreiding van het kiesrecht als een middel om hun eigen belastingmacht te legitimeren. Zij konden nu immers met de zogeheten ‘instemming van het Volk’ nemen en uitgeven. Van een methode om de bewakers van de rechtsorde te kiezen werd de democratie een methode om de belastingmacht toe te wijzen.

Deze transformatie deed het Hobbesiaanse universele belastingrecht herleven als een universeel stemrecht in een procedure waarvan de inzet is, wie alle anderen mag belasten en over de opbrengst beschikken. In het verband van de beleidsstaat was de hypothese van dat universele belastingrecht onmisbaar. De verkozenen kunnen toch slechts met recht doen wat hun kiezers het recht hebben zelf te doen. Welke legitimerende kracht zou er uit kunnen gaan van die democratische procedure als zij niet als fundamentele vooronderstelling had, dat ieder burger naar believen over alle anderen mag beschikken? Hobbes redivivus: recht is democratisch georganiseerd onrecht.


De vermaatschappelijking van de samenleving

De herleving van Hobbes in de late negentiende eeuw moeten wij uiteraard begrijpen tegen de achtergrond van de primitieve, barbaarse ideologieën die toen als paddestoelen uit de grond rezen. De arme Darwin had onbedoeld heel wat losgemaakt in het verhitte brein van talrijke intellectuelen en hemelbestormers. Allerlei rare vogels grepen de ‘struggle for life’ en de ‘survival of the fittest’ aan om op te roepen tot een nietsontziende strijd-tot-het-einde om de toekomst. De duizelingwekkende geschiedenisfilosofie van Hegel en consorten, eerst nog een abstracte dialectiek van ideeën, werd voorzien van tanden en klauwen en omgebouwd tot een meedogenloze dialectiek — lees: strijd— van naties, volkeren, rassen, klassen, religies, groepen allerhande. ‘De toekomst behoort aan de overwinnaar en de overwinnaar alleen heeft recht.’

In zo’n klimaat was het Hobbesiaanse denken een voor de hand liggend model van conflictbeheersing. Alleen een sterk gezag kon het deksel op de heksenketel houden—althans zo hoopten de neo-Hobbesianen. Zij hoopten tevergeefs. Ook waar er zo’n gezag tot stand kwam, en dat was op vele plaatsen het geval, bleek dat meestal niet bij machte de agitatie onder controle te houden, of bleek het zelf maar al te graag bereid daar zijn steentje toe bij te dragen. Europa stond op het punt de wereld onder te dompelen in een zee van oorlogen, revolutionair geweld, politieke, financiële en economische crisissen waarvan de gevolgen nog overal zichtbaar en voelbaar zijn.

Ik hoef dit sociologengezelschap niet te wijzen op de impact van de verregaande militarisering van de Europese staten in hun pogingen om een ‘Totaler Krieg’ te voeren. In het rumoerige Interbellum ging die militarisering ongestoord verder in de vorm van alsmaar grootschaliger bureaucratieën en organisaties die de oorlogslessen van logistiek, rantsoenering en centrale planning in vredestijd gingen toepassen. De vermaatschappelijking van de samenleving en daarmee samenhangend de politisering van het gehele maatschappelijke leven, de opheffing derhalve van de scheiding van staat en samenleving, kwamen in een stroomversnelling terecht. Overal kwamen de intellectuelen aan de macht; universiteit en wetenschap werden staatsmachten. Die witte-boordensoldaten werden betaald met belastinggelden om methoden en technieken uit te werken om met nieuwe belastingen de maatschappij te controleren, te sturen en te kneden.


De subjectivering van mens en recht

Wat kon men in die omstandigheden nog met het recht, dat van oudsher niets anders was geweest dan de orde van samenleven? Hoe kon men de alsmaar agressiever staatswerking, die mensen louter als materiaal en brandstof voor het beleid beschouwde, rijmen met de traditionele idee van de rechten van mensen om in onderling respect hun eigen leven te leiden? Er was dringend behoefte aan een nieuwe definitie van het recht, en dus een nieuwe definitie van de mens, om de Nieuwe Orde een schijn van rechtmatigheid te geven. Waar kon men die nieuwe definities vinden?

Ook hier was de theorie van Hobbes een nuttige bron. Hobbes had inderdaad een nieuwe definitie van de mens gegeven. Volgens de traditionele definitie was de mens een in tijd en ruimte te lokaliseren fysiek (‘natuurlijk’) wezen dat zich door arbeid en samenwerking en ruil met zijn soortgenoten in stand houdt. Met deze definitie hangt samen de idee dat ieders recht samenvalt met zijn persoon en zijn werk. Mijn leven en mijn werk, dat is mijn recht—en ik heb recht op ieders respect daarvoor. Ieders recht is wat hij of zij is, doet en voortbrengt voor zover zijn of haar handelingen de grenzen van andermans leven en werken respecteren. Ieder het zijne: de klassieke definitie van ieders recht.

Die objectieve ideeën van mens en recht schoof Hobbes zonder meer terzijde. Voor hem is de mens van nature niets anders dan een bundel van verlangens en begeerten. Ik ben wat ik begeer. Wat ik begeer is mijn recht—en ik heb recht op de bevrediging van al mijn verlangens. Daarom heb ik van nature het recht op welke wijze dan ook mijn verlangens te bevredigen, zelfs door anderen eenzijdig te belasten, uit de weg te ruimen of te knechten.

Noteer het fundamentele verschil tussen de traditionele objectivistische en de Hobbesiaanse subjectivistische ideeën van mens en recht. Volgens de oude idee zijn mensen objectief van elkaar onderscheidbare, dus ten opzichte van elkaar begrensde wezens. Het is bijgevolg althans in beginsel mogelijk vast te stellen wanneer iemand de grenzen van een ander overschrijdt—dus diens recht schendt. Hun samenleving is een objectieve orde, waarin ieders recht zich noodzakelijk verdraagt met het recht van ieder ander.

Niets van dit alles overleeft de herdefinitie van Hobbes. Als ieder van ons is wat hij of zij begeert dan heeft niemand nog objectieve grenzen. Niet alle begeerten kunnen evenwel gelijktijdig bevredigd worden. Mijn recht op de bevrediging van mijn begeerte impliceert daarom mijn recht op de frustratie van andermans begeerten. Het recht van de een is onrecht voor de ander. Recht is onrecht.

Als iedereen op eigen houtje zijn begeerten gaat botvieren dan komt daar niets dan ellende van. Alleen de gecentraliseerde organisatie van de bevrediging van de menselijke begeerten kan redding brengen. Anders gezegd: de staat moet orde scheppen in de natuurlijke chaos van rechten, hij moet op elk moment bepalen wiens recht prioriteit heeft ten opzichte van andermans recht. Om dat te verwezenlijken moet de staat er uiteraard op kunnen rekenen dat mensen hun handelingen niet langer baseren op eigen inzichten, meningen, gevoelens en waarderingen. Zij moeten handelen volgens het oordeel van de staat: volgens de wet. Zij moeten berusten in het feit dat zij slechts recht hebben op wat de staat hun toebedeelt, zoals zij ook moeten berusten in het feit dat de staat ten volle moet kunnen beschikken over hun persoon en hun werk om er de ‘maatschappelijke behoeften’ mee te bevredigen. Tenminste voor wat betreft zijn fysieke zijn en werken behoort ieder individu toe aan de staat. Als dat waar is, dan neemt de fiscus slechts wat hem toebehoort. Wat onrecht is voor de mens, is recht voor de burger.

Hobbes en de nieuwe mensenrechten

Hebben de ideeën van Hobbes alleen antiquarisch belang? Geenszins! Zijn radicaal subjectivisme in verband met het recht van mensen is nu zelfs verheven tot de officiële ideologie van de juristen. Wij vinden haar in de vijftig jaar oude Universele verklaring van de rechten van de mens — in feite een universele verklaring van niet-universaliseerbare ‘rechten’, dat wil zeggen aanspraken op begeerlijke zaken die onmogelijk gelijktijdig en voor iedereen verwezenlijkbaar zijn. Zoals bekend barst de Verklaring van logische tegenstrijdigheden en praktische onmogelijkheden.

Zo wordt tegelijkertijd aan ieder duidelijk gemaakt dat hij in beginsel recht heeft op alles wat hij wil zijn, hebben of doen en dat hij in de praktijk slechts recht heeft op wat in de gegeven omstandigheden en binnen de perken van democratie en legaliteit politiek haalbaar is. Wat zij geeft, neemt de Verklaring zo weer terug.

Van de klassieke natuurlijke rechten blijft nauwelijks een spoor zichtbaar. Ik kan niet zeggen dat mijn eigendom mijn recht is—de klassieke opvatting. De Verklaring zegt enkel dat ik recht heb op eigendom, dat wil zeggen dat de staat mij iets ‘als eigendom’ mag toekennen als en wanneer hij dat opportuun acht, rekening houdend met al die andere ‘rechten’ die hij dient te verwezenlijken. Evenzo mag hij, als hij andere rechten belangrijker acht, die eigendom ook weer afnemen—een honderd procent Hobbesiaanse gedachte. De vooronderstelling van die nieuwe doctrine van de rechten van de mens is dus de ongelimiteerde beleids- en belastingmacht van de staat.


Inflatie en depreciatie van mensenrechten

In het licht van haar Hobbesiaans mens- en rechtsbeeld is gemakkelijk te begrijpen dat de Verklaring van 1948 een ongekende inflatie van ‘rechten’ op gang heeft getrokken. Amper vijftig jaar later zijn wij al aan de vijfde generatie van mensenrechten toe. Dat is niet verwonderlijk. Op basis van de stelling dat wat ik begeer mijn fundamenteel recht is, is het echt niet moeilijk onder het vaandel van de mensenrechten willekeurige rechten in te voeren. U bedenkt maar wat, het maakt toch niet uit: tenslotte dient het allemaal tot groter glorie van de politiek die zich ermee belast het ene recht tegen het andere af te wegen, dat wil zeggen van de een te nemen om te geven aan een ander wiens recht vandaag zwaarwichtiger wordt bevonden.

Geen inflatie van rechten zonder depreciatie van rechten. Het recht dat u gisteren verworven hebt, is nu al een deel van zijn waarde kwijt omdat het in conflict komt met ‘rechten’ die anderen vanmorgen verworven hebben. Zo vieren de mensenrechtenactivisten de ene Pyrrhusoverwinning na de andere.

Hoe meer rechten elkaar bijten, hoe minder rechtszekerheid. Wee de eigenaar wiens eigendom als territorium wordt uitgekozen door een hagedis met genetische afwijkingen: hij riskeert onteigening ter vrijwaring van de rechten van een zeldzame diersoort. Het hangt er maar van af hoe de politieke wind waait, dat wil zeggen wie het hardst blaast. Van de wet moet hij in elk geval geen bescherming verwachten. Zoals Ivor Jennings zestig jaar geleden al schreef: The law is that the law can change at any moment.


Slot

Fiscaal recht? Met de hedendaagse mensenrechtenopvatting, die teruggaat op de radicaal subjectivistische visie van Hobbes, kan men alle kanten uit. Wie kan niet terstond een ‘recht’ bedenken dat een ‘rechtvaardiging’ inhoudt van om het even welke belasting? Wat de waarde van zo’n ‘rechtvaardiging’ is, dat is uiteraard een andere kwestie. Wordt het niet hoog tijd dat de juristen-fiscalisten zich eens ernstig met de grondslagen van hun met zo verbluffende virtuositeit bedreven regeltechnologie gaan bezighouden? Kunnen wij niet zeggen dat wij daar recht op hebben?

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Frank van Dun, topic: Belastingen en Inkomens- herverdeling, Rechtsfilosofie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.