maandag, 1 januari 2001
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Vrijheid en Consequentialisme


Meer en meer libertariërs keren zich af van het ‘moralistische libertarisme’ en omhelzen het ‘consequentialistische libertarisme’. Dat beweert R.W. Bradford in een artikel in het Amerikaanse libertarische tijdschrift Liberty. Hij beperkt zich niet tot een vaststelling, hij juicht die ontwikkeling ook toe en probeert ons ervan te overtuigen dat hij dat op goede gronden doet Ik vind Bradfords argumentaties allerminst overtuigend. Ik vrees zelfs dat het libertarisme op sterven na dood is als het consequentialistische libertarisme inderdaad bezig is ‘het Nieuwe Libertarisme’ te worden. Het consequentialistische libertarisme is immers niet meer dan een lege huls. Dat zal ik hier proberen duidelijk te maken.

Consequentialisme versus moralisme

Bradfords stellingen aan een kritiek onderwerpen is een hachelijke zaak omdat zijn artikel niet uitblinkt door helderheid. Dat is in het bijzonder het geval met betrekking tot de centrale begrippen in zijn betoog. Hij karakteriseert het consequentialistische libertarisme als de houding van ‘mensen die voor vrijheid zijn omdat vrijheid goed is voor mensen’. Hij contrasteert het met het ‘moralistische libertarisme’ van mensen die ‘geloven dat vrijheid ontspringt aan objectieve moraliteit en in het bijzonder dat het altijd verkeerd is voor een mens om geweld te initiëren tegen een ander’.
Aangezien ook de ‘moralisten’ geloven dat vrijheid goed is voor mensen, zitten wij hier al onmiddellijk met een probleem. Ofwel impliceert het moralistische libertarisme de consequentialistische variant. Ofwel is er iets mis met Bradfords karakterisering van ten minste een van die varianten. Het is duidelijk dat het tweede alternatief het juiste is. Een zinvolle beoordeling van die varianten van het libertarisme veronderstelt een preciezere karakterisering ervan. Ik probeer die hier heel kort te geven zonder het door Bradford uitgetekende kader te verlaten.
‘Moralististische libertariërs’ geloven dat het altijd verkeerd is geweld te initiëren tegen een ander, ook wanneer degene die daartoe beslist, meent dat hij zodoende meer goed dan kwaad teweegbrengt. Wie geweld initieert tegen een ander moet zich daarvoor tegenover hem of tegenover zijn vertegenwoordigers verantwoorden. Het initiëren van geweld, ook als dat met de beste bedoelingen of door de overheid gebeurt, moet gerechtvaardigd worden. De bewijslast voor die rechtvaardiging ligt bij de geweldplegers. Goede bedoelingen scheppen geen recht. Ook overheden moeten met het verschil tussen recht en onrecht rekening houden en zich voor hun al of niet geïnstutionaliseerd geweld verantwoorden. Kortom, de ‘moralisten’ stellen dat vrijheid een recht is. De handhaving van dat recht, dat wil zeggen de beteugeling van onrecht, schept de voorwaarden waaronder eenieder kan proberen het beste van zijn of haar leven te maken dat ervan te maken is – zonder anderen tot last te zijn en zonder door anderen eenzijdig belast te worden. De ‘moralisten’ beseffen wel dat een vrije samenleving niet voor iedereen de beste van alle mogelijke werelden is. Er zijn mensen die dingen willen die zij alleen door het eenzijdig belasten van anderen, dus door de beperking van hun vrijheid, kunnen realiseren. Die mensen zullen de vrijheid van anderen een heel frustrerende omstandigheid vinden.
De ‘moralisten’ houden er rekening mee dat ‘misdaad baat niet’ geen natuurwet is die zich zonder enige menselijke tussenkomst onherroepelijk verwerkelijkt. Opdat de misdaad niet zou baten, moet de vrijheid verdedigd worden – niet alleen tegen misdaden die sowieso toch al niet baten, maar ook en vooral tegen misdaden die anders voor de misdadigers heel batig zouden zijn.
De consequentialistische libertariërs zijn consequentialisten. Als zodanig menen zij dat elkeen het recht heeft die handeling te stellen die in een gegeven situatie een groter saldo van baten en kosten belooft dan enig alternatief. Of een handeling gesteld mag worden, hangt volgens hen af van een afweging van de voor- en nadelen ervan, dus van de waardering van haar gevolgen. Als consequentialisten vinden zij het daarom niet verkeerd geweld te initiëren tegen een ander als degene die de beslissing daartoe neemt, aldus meer goed dan kwaad doet. Als libertariërs geloven zij meestal wel in staat te zijn een beeld van die gevolgen te schetsen dat de betrokkene normaliter zal doen inzien dat het beter is vrijheidbeperkende acties achterwege te laten.
Hun stelling is derhalve dat men vrijheid dient te verdedigen en na te streven omdat en alleen omdat de consequenties van [meer] vrijheid ‘beter’ zijn die van [meer] onvrijheid. Dat vrijheid meer baat brengt dan onvrijheid, is hun dogma. Voor hen is ‘misdaad baat niet’ wel een onwrikbare natuurwet, een inherente eigenschap van de misdaad zelf – geen gevolg van de effectiviteit en de efficiëntie van menselijke pogingen om de misdaad te bestrijden. Daarom beperken consequentialistische libertariërs zich er graag toe de misdadigers te informeren over de gevolgen van hun misdaden. Als die eenmaal inzien dat misdaad uiteindelijk geen baat brengt, dan zal ook bij hen de lust om misdaden te plegen verdwijnen. Hetzelfde geldt voor politieke vrijheidsbeperkingen. Ook zij ‘baten niet’. Daarom moeten de politici geïnformeerd worden over de nadelige gevolgen ervan. Als zij eenmaal inzien dat hun interventies geen baat brengen, dan zal ook bij hen de lust om te interveniëren verdwijnen.

Theoretisch versus praktisch consequentialisme

Bradford verdedigt het consequentialisme maar vermeldt niet dat er twee radicaal verschillende soorten consequentialistische oordelen zijn. Eerst en vooral zijn er abstracte, zuiver theoretische uitspraken over oorzaken en gevolgen. Zij poneren bepaalde causale verbanden, waarbij aangenomen wordt dat behalve de in de uitspraak genoemde factoren alle andere gegevens en omstandigheden dezelfde blijven – dat is de zogeheten ‘ceteris paribus’ clausule.
De meeste economen aanvaarden bijvoorbeeld dat een verhoging van het minimumloon ceteris paribus zal resulteren in een stijging van de werkloosheid onder laaggeschoolden. Op grond van dergelijke uitspraken kunnen wij echter geen concrete voorspellingen doen omdat ‘de andere gegevens en omstandigheden’ meestal niet onveranderlijk blijven. Het is dus niet zeker dat een verhoging, hier en nu, van het minimumloon tot uiting zal komen in hogere werkloosheidscijfers voor laaggeschoolden in de statistieken van het volgende jaar. De theoretische uitspraak kan waar zijn zelfs als de werkelijke cijfers dalen. De werkloosheid van laaggeschoolden hangt immers niet alleen af van de hoogte van het minimumloon.
De theoretische uitspraken gaan ook niet over concrete mensen, maar over abstracte categorieën. De laaggeschoolden die ceteris paribus werkloos zullen worden of blijven als gevolg van een verhoging van het minimumloon, hebben geen naam en geen adres. Als de werkeloosheid onder laaggeschoolden werkelijk toeneemt, dan treft zij mogelijk andere mensen dan degenen die op het moment van de verhoging van het minimum laaggeschoold waren.

Naast die theoretische zijn er ook concrete, praktische consequentialistische oordelen. Het gaat daarbij niet – om bij hetzelfde voorbeeld te blijven – om de theoretische vraag of een verhoging van het minimumloon ceteris paribus een stijging van de werkloosheid van laaggeschoolden in de hand werkt. Het gaat wel om de vraag of voor een bepaalde groep concrete individuen het risico van zo’n stijging (die maanden of jaren kan uitblijven of er misschien nooit komt) opweegt tegen bijvoorbeeld de electorale voordelen op korte termijn van een verhoging van het minimumloon. Daaromtrent blijft de theoreticus stom: de cruciale vraag is hier immers niet welke soort gevolgen een handeling, ceteris paribus, heeft. De relevante vragen zijn hier welke de concrete gevolgen zijn, ceteris non paribus, van die handeling voor een of meer individuele personen; hoe degenen die de handeling overwegen haar gevolgen waarderen; en of die waardering per saldo positief of negatief uitvalt.
De abstracte en theoretische oordelen vinden wij overvloedig terug in de economische literatuur. Bradford noemt Mises, Friedman en Hayek, maar niet Rothbard – voor hem de archetypische ‘moralistische libertariër’. Nochtans heeft Rothbard minstens evenveel, even oorspronkelijke en vanuit libertarisch oogpunt even krachtige theoretisch- consequentialistische argumentaties geproduceerd als die anderen. Nogmaals: die uitspraken hebben enkel tot doel de ceteris-paribus-gevolgen van een handeling of beleid op te sommen. Zij zeggen niets over de relevantie van die gevolgen. Zij zeggen ook niet of die gevolgen goed of slecht zijn.
Het feit dat iemand dergelijke uitspraken in een discussie naar voor brengt, maakt hem niet tot een consequentialist in de Bradfordiaanse zin. Dát is iemand die meent dat het volstaat te oordelen dat een handeling per saldo meer ‘goede’ dan ‘slechte’ gevolgen heeft, om de uitvoering ervan te bepleiten – het is niet nodig ook nog na te gaan of zij niet strijdig is met bepaalde niet-consequalistische beginselen, bijvoorbeeld rechtsbeginselen. Er is voor hem maar een beginsel: de handeling (beleid, praktijk) met het meest batige saldo dient te worden uitgevoerd. En dat beginsel kan alleen in termen van concrete, praktische consequentialistische uitspraken toegepast worden.
Ondanks de eerder genoemde kwalificaties en voorbehouden kunnen analytische en theoretische argumentaties vanuit libertarisch oogpunt nuttig zijn. Dat is het geval als (en alleen als) zij ertoe strekken beweringen over de ‘goede gevolgen’ van vrijheidsbeperking te ondermijnen of te weerleggen door een zorgvuldiger analyse van de causale processen die zo’n beperking op gang brengt. Niet [alleen] de beweerde maar [ook] andere soorten gevolgen doen zich voor. Libertariërs kunnen dan de vraag stellen of degenen die de vrijheidsbeperking voorstaan, de gevolgen die zij niet in aanmerking hadden genomen even positief waarderen als die waarop zij hun argumentaties hadden gebaseerd. Als er een antwoord op die vraag komt, dan kán dat verhelderend zijn om een beter inzicht te krijgen in het levensbeschouwelijke profiel of zelfs ‘de ware bedoelingen’ van de tegenstander in de discussie. Dát er een verhelderend antwoord komt, is daarmee niet gezegd. Ervaren deelnemers aan publieke debatten laten niet gemakkelijk in ál hun kaarten kijken. Bradford weet dat: hij raadt libertariërs aan zich zoveel mogelijk op de vlakte te houden en vooral niet te laten merken dat zij om vrijheid geven – dat schrikt te veel mensen af.
Ik heb hierboven naar het argument tegen minimumlonen verwezen. Dat is het enige voorbeeld van een consequentialistisch argument in Bradfords artikel. Het is echter een theoretisch, geen praktisch consequentialistisch argument. Het is geen libertarisch argument. Het heeft ook niets met vrijheid te maken. Het argument is inderdaad niet dat wettelijk verplichte minimumlonen strijdig zijn met de vrijheid van mensen, maar dat zij de werkloosheid onder laaggeschoolden in de hand werken. Het ‘werkt’ daarom alleen in een discussie met mensen voor wie de werkloosheid onder laaggeschoolden als zodanig het relevante probleem is. Wie daarentegen meent dat de inkomensongelijkheid en de inkomensonzekerheid problematisch is, zal het argument bijvoorbeeld op deze wijze terzijde schuiven: ‘Zelfs als het waar is dat het minimumloon de werkloosheid doet stijgen, dan nog blijf ik erbij dat werkgevers elke werknemer een fatsoenlijk loon moeten betalen. Eventueel moet men maar de werkloosheidsvergoedingen verhogen of subsidies geven aan bedrijven opdat die meer laaggeschoolden zouden aanwerven, of opleidingen organiseren om de scholingsgraad te verhogen!’
Wij kunnen ons gemakkelijk situaties indenken waarin een dreiging van een stijging van de werkloosheid onder laaggeschoolden als een argument kan worden ingeroepen tegen vrijheidvriendelijke maatregelen of hervormingen. Een wet die bedrijven verplicht onnodig veel arbeiders in te zetten voor de vervulling van bepaalde taken, geeft hun een motief om de overtollige bezetting vol te maken met de goedkoopste krachten die zij kunnen vinden. Afschaffing van die wet leidt dan waarschijnlijk tot een massale afdanking van laaggeschoolde arbeidskrachten.
Een Bradfordiaanse libertariër zal uiteraard ook in dat geval een theoretisch argument kunnen opdiepen om de afschaffing van de wet te bepleiten, maar het zal weinig indruk maken op wie hoge prioriteit geeft aan het lot van de laaggeschoolden. Die zal zich wellicht vragen stellen over het opportunisme van de Bradfordiaan die nu eens doet alsof de laaggeschoolden heel belangrijk zijn en dan weer bereid is ze op te offeren op het altaar van de efficiënte bedrijfsvoering.
Overigens zijn niet alle economen het eens over de feitelijke gevolgen van wijzigingen van het minimumloon. In de politieke en de publieke debatten is er bovendien vaak onenigheid over het gewicht dat men daaraan zou moeten hechten. Daar staan concrete situaties ter discussies waarin de werkloosheid van laaggeschoolden maar een onder vele relevante factoren is. Zo dobberen de discussies omtrent het minimumloon op en neer, van tijd tot tijd aanspraak makend op maatschappelijke relevantie als er eens een voorstel tot verhoging of tot verlaging van het minimumloon de krantenkoppen haalt.
De libertariër kan zich moeiteloos in zo’n discussie mengen met een mini-college over de ceteris-paribus-gevolgen van het ene of het andere beleid. Hij zal ook altijd wel enkele mensen vinden voor wie zijn ‘economische analyses’ nieuw en interessant zijn. Tenzij hij echter op andere gronden gezag en aanzien geniet, zullen weinigen zich bekommeren om zijn oordelen over de relevantie en de waarde van verschillende gevolgen. Dat zijn kwesties waarover iedereen zich graag het recht voorbehoudt een eigen mening te hebben. Het zijn ook de kwesties die in praktische discussies het zwaarst doorwegen.
Welke raad geeft Bradford aan een libertariër die op het punt staat aan zo’n discussie deel te nemen? Wel, hij dient zich te beperken tot consequentialistische argumentaties en zich er voor te hoeden het woord ‘vrijheid’ te laten vallen – zoals Bradford zelf het v-woord zorgvuldig vermijdt in zijn argumentatie tegen het minimumloon. In geen geval mag die libertariër opmerken dat verplichte minimumlonen een inbreuk zijn op de vrijheid van zowel de werkgever als de werknemer. Dat is namelijk geen praktisch consequentialistisch argument dat met duizend-en-één nuances voor iedereen verteerbaar gemaakt kan worden.

Blijkbaar gelooft Bradford dat libertariërs ‘het verval van de vrijheid’ het best kunnen afremmen door vrijheid nooit ter sprake te brengen in een debat met anderen. Iedereen mag zijn idealen in de discussie brengen, zolang dat maar niet de vrijheid is.

De extravagante aanspraak van het consequentialistisch libertarisme

Het consequentialistische libertarisme impliceert dat men vrijheid dient te verdedigen en na te streven als en alleen als de consequenties van vrijheid ‘beter’ zijn die van onvrijheid. In feite impliceert het elke uitspraak van de vorm ‘X dient verdedigd en nagestreefd te worden als en alleen als de consequenties van X beter zijn dan die van niet-X’ – waar X ook moge voor staan: vrijheid, onvrijheid, de status quo, slavernij, dictatuur, gelijkheid, ongelijkheid, meditatie, kapitalisme, socialisme, corporatisme, vegetarisme, en noem maar op.
Voor de consequentialistische libertariër is vrijheid bijgevolg niet om haarzelf verdedigbaar en nastrevenswaardig, maar om haar consequenties. Vrijheid is voor hem een middel of voorwaarde voor het realiseren van iets anders – een ‘ideaal’, ‘hoogste goed’, ‘wat men werkelijk wil’ of hoe men het ook wil noemen – dat wel om zichzelf verdedigbaar en nastrevenswaardig is. Wat dat hoogste goed is, daar laat hij zich niet over uit. Het enige wat hij laat verstaan is dat het in geen geval vrijheid kan zijn.
Desondanks maakt hij er aanspraak op een effectief en efficiënt verdediger van de vrijheid te zijn. Hij beweert immers te kunnen aantonen dat vrijheid voor elk willekeurig ideaal ‘betere’ consequenties heeft dan onvrijheid – herinner u: ‘Misdaad baat niet!’
Het is duidelijk dat de consequentialistische libertariër hoog spel speelt. Wat hij beweert is immers niet dat er een welbepaald ideaal is dat men het best via de vrijheid kan waarborgen, maar dat vrijheid de beste waarborg biedt voor het realiseren van om het even welke waarde: ‘Vrijheid is goed voor mensen’, wat die ook denken, menen, voelen, waarderen, prefereren, enzovoort.
Dat is een straffe, onverdedigbare bewering. Er zijn veel dingen die men niet zo snel of goedkoop of zelfs in het geheel niet kan realiseren met respect voor ieders vrijheid. Mensen die dergelijke dingen hoog genoeg waarderen laten zich niet door een consequentialistische libertariër van de wijs brengen. Zij willen wellicht best geloven dat minimumlonen ceteris paribus de werkloosheid onder laaggeschoolden doen stijgen, maar zij weten ook dat een goede verstandhouding met de vakbonden en een positieve appreciatie door de publieke opinie ceteris paribus hun politieke positie ten goede komt. Kortom, zij vinden in de consequenties van de vrijheid weinig aanleiding om hun positieve waardering van de consequenties van bepaalde vormen van onvrijheid te wijzigen.
Wat moet de aanhanger van het consequentialistische libertarisme in een confrontatie met dergelijke tegenstanders? Vrijheid is ook voor hem maar een middel. Zij is niet om haarzelf belangrijk maar om wat zij mogelijk maakt. Er is echter niets in het consequentialisme als zodanig dat iemand een reden geeft om de gevolgen van vrijheid eerder positief dan negatief te waarderen.
Moet een consequentialistisch libertariër tegenover dergelijke tegenstanders dan meteen ook toegeven dat zij het recht hebben de vrijheid te beperken of zelfs uit te schakelen? Als hij dat zou doen, dan zou hij een vreemd soort libertariër zijn die meent dat mensen andermans vrijheid mogen beperken als zij dat goed of nuttig achten voor de verwezenlijking van wat zijzelf belangrijk vinden. En als hij dat niet zou doen, dan zou hij een vreemd soort consequentialist zijn die gelooft dat mensen alleen rekening mogen houden met de consequenties van een handeling voor zover die niet strijdig is met een beginsel als respect voor andermans vrijheid. De consequentialistische libertariër verlaat zijn consequentialisme als hij argumenteert dat zijn tegenstanders de consequenties van vrijheid en die van onvrijheid ‘verkeerd’ waarderen. Hij geeft zijn libertarisme op als hij argumenteert dat ieder die vindt dat andermans vrijheid zijn doelen of waarden in de weg staat, een voldoende reden heeft om die vrijheid te beperken. Er is voor hem geen uitweg uit dit dilemma, behalve dan door zijn betogen te beperken tot in de gegeven omstandigheden oncontroversiële onderwerpen. Door zorgvuldig zijn verhalen af te stemmen op zijn publiek van het moment kan hij nu eens libertariër onder de libertariërs en dan weer consequentialist onder de consequentialisten zijn.

De consequenties van de vrijheid

Het consequentialistisch libertarisme is een lege huls. Het vraagt ons dat wij voor vrijheid zouden zijn, niet omdat vrijheid een recht is, maar omdat ‘de consequenties van de vrijheid’ goed zijn voor mensen. Laten we even proberen met hem mee te denken. Wat is vrijheid en wat zijn de consequenties van vrijheid? Wat vrijheid is, is geen conceptueel probleem. Ook voor Bradford zijn mensen vrij in de mate waarin ‘zij zich veilig weten met betrekking tot hun persoon en hun eigendom’ – of zoals een ‘moralist’ zou kunnen zeggen: ‘zij zijn vrij in de mate waarin anderen hun zelfbeschikkingsrecht respecteren’.
Wat zijn echter de consequenties van de vrijheid? Ook met betrekking tot deze vraag dienen wij een onderscheid te maken tussen theoretische en praktische consequenties. De theoretische consequenties van vrijheid zijn die welke vrijheid ceteris paribus heeft. Zij volgen uit de door Bradford misprezen natuurrechtelijke theorie van het libertarisme. Bijvoorbeeld: ‘effectieve vrijheid vermindert, ceteris paribus, de kans dat iemand eenzijdig beslag kan leggen op de persoon of de middelen van een ander, zonder een volledige schadeloosstelling te moeten betalen of gestraft te worden.’

Dergelijke beweringen zijn in de rechtstheorie gefundeerd. Zij hebben een analytisch karakter, precies zoals de uitspraak over de relatie tussen minimumloon en werkloosheid. Zij zeggen evenwel niets over de concrete, praktische gevolgen van vrijheid – noch over wat vrije mensen hier en nu met hun vrijheid zullen doen noch over de manier waarop zij zullen reageren op wat anderen doen. Dergelijke dingen hangen af van de waarderingen van die mensen voor wat er gebeurt, wat zij verwachten, hopen of vrezen. Vrije mensen hebben immers meer gelegenheid dan anderen om te handelen naar eigen inzichten en waardeoordelen. Toch wil de consequentialist dat wij ons oordeel over vrijheid baseren op de consequenties van de vrijheid.
Hoe zal ik op consequentialistische wijze de vrijheid van een ander waarderen? Ik weet uiteraard niet hoe hij van zijn vrijheid gebruik zal maken. Zijn vrijheid is mijn onzekerheid. Hoe meer vrije mensen er in mijn omgeving zijn, des te groter mijn onzekerheid wordt. Het is waar dat ik ook onzekerheid ondervind als ikzelf of de mensen in mijn omgeving onderworpen zijn aan de willekeur van een wispelturige tiran – die onzekerheid is evenwel nog altijd het gevolg van de vrijheid, namelijk van de vrijheid van de tiran. Maar in de mate waarin degene die onze vrijheid beperkt voorspelbaar en ‘redelijk’ is, verdwijnt dat gevoel van onzekerheid. Ongetwijfeld zijn er tirannieke vormen van onvrijheid die meer en ergerlijkere onzekerheid met zich brengen dan de vrijheid. Het staat echter buiten kijf dat er vormen van onvrijheid zijn met minder en gemakkelijker te dragen onzekerheid dan vrijheid. Tenzij ik mij beperk tot de theoretische analytische consequenties, tast ik met betrekking tot ‘de consequenties van de vrijheid’ in het duister.
‘Wie van de vrijheid meer vraagt dan haarzelf, is gedoemd een slaaf te zijn.’ Die woorden van Alexis de Tocqueville zijn hier niet misplaatst. De consequentialistische libertariër beweert dat ‘vrijheid goed is voor mensen’ en interpreteert die uitspraak als een uitspraak over de totaliteit van de werkelijke gevolgen van vrijheid – niet slechts over de analytische ceteris-paribus-gevolgen van vrijheid. Dat kan hij echter alleen beweren omdat hij gelooft dat mensen hun vrijheid zullen gebruiken zoals hij verwacht, namelijk ‘op een goede manier’. ‘Laat de mensen vrij’, zo lijkt hij te zeggen, ‘en zij zullen zich spontaan gedragen zoals wij menen dat zij zich behoren te gedragen.’ Blijkbaar verkeert hij in de illusie dat alleen het feit dat mensen onvrij zijn, kan verklaren waarom zij niet allemaal zijn, denken en waarderen als hijzelf.
Andere consequentialisten argumenteren uiteraard dat de vrijheid van mensen aan banden moet worden gelegd omdat zij anders hun vrijheid ‘op een slechte manier’ zullen aanwenden. Het is een verwerpelijk argument, maar het heeft tenminste het voordeel dat het onze ogen niet wil sluiten voor de veelheid en verscheidenheid van mensen die de wereld bevolken.
Een libertariër die een vrije samenleving aantrekkelijk vindt, niet omdat zij vrij is, maar omdat hij gelooft dat zij gewenste concrete resultaten zal opleveren, is naïef. Het enige wat hij kan zeggen is dat in een vrije samenleving ieder mens het recht heeft met eigen middelen zijn idealen en waarden na te streven, voor zover hij dat doet zonder geweld te initiëren tegen anderen – want in een vrije samenleving telt de vrijheid van die anderen evenzeer als de zijne. Welke idealen en waarden zij zullen nastreven en met welke directe, indirecte of neveneffecten, op korte, middellange of lange termijn, daarover kan hij weinig of niets zeggen.

Ongewisheid en subjectiviteit van consequentialistische oordelen

Los van de bijzondere problemen van het consequentialistische libertarisme zijn er de algemene problemen van het consequentialisme per se. Wat betekent het dat wij handelingen, beleid, praktijken, instituties en dergelijke ‘naar hun gevolgen’ moeten beoordelen? Het is geen eenvoudige kwestie ‘de gevolgen’ van iets te identificeren. Zelfs de analytische gevolgen, zoals de weerslag van een verhoging van het minimumloon op de werkloosheid voor laaggeschoolden, staan vaak ter discussie. Die gevolgen moeten namelijk door het formuleren van theorieën aan het licht gebracht worden. Maar er zijn veel theorieën en zij vormen geen gesloten verzameling. Welke theorie verdient de voorkeur?
Voor veel soorten gevolgen zijn er zelfs geen min of meer aanvaarde theorieën voorhanden. Heeft een verhoging van het minimumloon psychische effecten? Zo ja, wat zijn die dan en wat zijn hún consequenties? Iedereen zal daarover wel een eigen theorietje kunnen bedenken, maar wat helpt dat? Er is geen eenduidig antwoord op de vraag wat de gevolgen van een concrete handeling zijn – zelfs niet onder economen. Zoals men zegt: zes economen, ten minste een half dozijn meningen.

Hoe ver in de toekomst moeten wij kijken om een beeld te krijgen van ‘de gevolgen’ van een handeling? Of moeten wij handelingen alleen beoordelen op grond van hun onmiddellijke gevolgen? Er is ook de kwestie van de distributie van de gevolgen van een handeling. Dezelfde handeling kan verschillende gevolgen hebben voor verschillende mensen, positieve voor de een, negatieve voor een ander en gemengde voor een derde. Dat Albert een positief effect van een handeling ondervindt en Boudewijn een negatief -, kan bovendien andere processen op gang brengen dan wanneer het positieve effect bij Boudewijn en het negatieve bij Albert terechtgekomen zou zijn. Moeten wij dan niet, om over ‘de gevolgen’ van de handelingen te kunnen oordelen, geïnformeerd zijn over de distributie van haar gevolgen over verschillende personen? De kennis en de inzichten die wij nodig hebben om ‘de gevolgen’ van een handeling te identificeren, zijn voorwaar niet gering.
De vraag ‘welke gevolgen?’ is dan nog in principe – zij het meestal alleen in principe – op objectieve wijze te beantwoorden, omdat zij een kwestie van wetenschappelijke studie en analyse is. De vraag naar het gewicht of de relevantie van elk individueel gevolg in het totale pakket van gevolgen is dat niet. Deskundigen kunnen het voor 100% eens zijn met elkaars theoretische analyses en elkaar toch tegenspreken omdat volgens de een de ander het belang van deze factor onderschat en dat van een andere overschat. Persoonlijke ervaringen, intuïties en Fingerspitzengefühl, maar ook vooroordelen en wishful thinking zijn hier moeilijk weg te denken.
Helemaal subjectief is de cruciale kwestie van de waardering van de verschillende gevolgen. Wat is ‘goed’ en wat is ‘slecht’? Wat is ‘net iets beter’? Wie zal hierover oordelen? In het extreme maar niet onmogelijke geval zullen twee mensen die exact dezelfde analyse van de situatie maken en exact dezelfde weging van de factoren doorvoeren, toch tot radicaal verschillende oordelen over de toelaatbaarheid van een handeling kunnen komen: de gevolgen die voor de een ‘goed’ zijn, vindt de ander ‘slecht’.

Wie heeft het laatste woord?

Het is in het licht van het voorgaande evident dat ‘het beoordelen van een handeling naar haar gevolgen’ geen objectief en zeker geen oncontroversieel proces is. De cruciale vragen zijn daarom uiteindelijk altijd deze: wie draagt de bewijslast als het erop aan komt te argumenteren dat een handeling mag of niet mag? Wie oordeelt over de bewijskracht van die argumenten? Wie heeft het laatste woord? In hun vrijblijvende argumentaties gaan consequentialisten er meestal van uit dat zijzelf de ultieme beslissers [zouden moeten] zijn. Als het erop aan komt dan verschuilen zij zich graag achter ‘de overheid’. Zij beperken zij zich dan tot een rol als beleidsadviseur. Zij kunnen alleen hopen dat hun adviezen gehoor krijgen.
Dat geldt ook voor consequentialistische libertariërs. Zij kunnen moeilijk verdedigen dat iedereen gerechtigd is zelf te oordelen of ‘haar gevolgen’ de uitvoering van zijn voorgenomen handeling rechtvaardigen – ongeacht of die gevolgen anderen raken of niet. Dat is een recept voor complete chaos, voor een oorlog van allen tegen allen. ‘Als iedereen louter consequentialistisch handelt, naar eigen inzicht en waarden, dan komt daar alleen maar ellende van. Om die ellende te vermijden (zonder het consequentialistische principe op te geven) is het dus nodig dat iedereen naar hetzelfde inzicht en dezelfde waarden handelt. Daarom moet er een absoluut gezag zijn dat het gedrag van allen controleert volgens zijn soevereine consequentialistische oordelen.’ Zo kunnen wij hier de driehonderd en vijftig jaar oude redenering van Thomas Hobbes voor een absolute monarchie samenvatten.
Consequentialistische libertariërs doen er goed aan die redenering in gedachten te houden. Zij maken zich illusies als zij geloven dat zij én vrijheid kunnen hebben én aan de ellende kunnen ontsnappen zonder het consequentialisme op te geven. Tenzij zij de oorlog van allen tegen allen willen riskeren, moeten zij hun consequentialisme intomen. Dat kunnen zij eigenlijk maar op twee manieren. Met Hobbes kunnen zij voorstellen het recht om consequentialistisch te handelen te monopoliseren, dat wil zeggen in handen te geven van één instantie die gerechtigd is over alles en allen te oordelen. Of zij kunnen met de ‘moralistische libertariërs’ het recht boven hun consequentialisme stellen: laat ieder vrij naar eigen inzicht en waarden handelen, voor zover hij daarbij niet raakt aan andermans recht, en laat ieder aansprakelijk en verantwoordelijk zijn tegenover de anderen wier rechten hij schendt. De keuze is aan hen: wat willen zij eigenlijk zijn, consequentialisten of libertariërs?

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Frank van Dun, topic: Libertarische Theorie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Infinity schreef op : 1

    Geweldig artikel!