maandag, 28 juli 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De rol van de vakbonden


Verhogen de vakbonden het algemene levenspeil? Een van de meest verspreide waanideeën van onze tijd is het geloof dat de Amerikaanse arbeider zijn hoge levenspeil te danken heeft aan de vakbonden en aan de ‘humanitaire’ arbeidswetgeving. Dit geloof wordt weerlegd door de meest fundamentele feiten en principes van de economie – feiten en principes, die door de vakbondsleiders, wetgevers en staatistische intellectuelen systematisch worden ontweken.

Het levenspeil van een land, en ook de lonen van de arbeiders hangen af van de produktiviteit van de arbeid; een hoge produktiviteit hangt af van machines, uitvindingen en kapitaalinvesteringen, welke op hun beurt weer afhangen van het creatieve vernuft van individuele mensen; de uitoefening van dat creatieve vernuft vereist dan weer een politiek-economisch systeem dat de rechten en vrijheid van het individu beschermt.

De produktieve waarde van lichamelijke arbeid als zodanig is laag. Wanneer de arbeider van tegenwoordig meer produceert dan de arbeider van vijftig jaar geleden, dan koint dat niet omdat eerstgenoemde zich lichamelijk meer inspant; integendeel, de lichamelijke inspanning die van hem vereist wordt is veel minder. De produktieve waarde van zijn inspanning wordt vele malen vermenigvuldigd door de werktuigen en machines waarmee hij werkt; zij zijn van doorslagevend belang bij het bepalen van de economische waarde van zijn diensten. Ik wil dit principe als volgt illustreren: Probeer u eens voor te stellen welke economische beloning een man op een onbewoond eiland zou krijgen voor het anderhalve centimeter naar voren duwen van zijn vinger, en probeer u dan vervolgens eens voor te stellen welke lonen er in New York City aan een liftbediende worden betaald voor het drukken op een knop. Het verschil zit ‘m dus niet in de spieren. Zoals Ludwig von Mises opmerkt:

De Amerikaanse lonen zijn hoger dan de lonen in andere landen, omdat de kapitaalinvestering per hoofd van de arbeidersklasse groter is en de fabrieken bovendien in de positie verkeren dat zij de meest efficiënte, werktuigen en machines kunnen gebruiken. Dat wat we het Amerikaanse levenspatroon noemen is het gevolg van het feit dat de Verenigde Staten de spaarzin en de kapitaalaccumulatie minder struikelblokken in de weg hebben gelegd dan andere landen. De economische achterlijkheid van landen zoals India bestaat nu juist uit het feit dat hun politiek zowel de kapitaalaccumulatie als de investering van buitenlands kapitaal belemmert. Aangezien het benodigde kapitaal ontbreekt, zijn de Indiase ondernemingen niet in staat voldoende moderne uitrusting te gebruiken, waardoor hun produktie per manuur veel lager is en ze alleen lonen kunnen betalen die, vergeleken met de Amerikaanse lonen, ontstellend laag lijken.

In een vrije economie moeten de werkgevers tegen elkaar opbieden om de diensten van de arbeiders te verwerven, net zoals zij tegen elkaar moeten opbieden voor alle andere produktiefactoren. Als een werkgever lonen probeert te betalen die lager zijn dan zijn arbeiders elders kunnen krijgen, dan raakt hij zijn arbeiders kwijt, zodat hij wel gedwongen is om zijn beleid te wijzigen of anders zijn bedrijf te sluiten. Als, terwijl de andere voorwaarden gelijk zijn, een werkgever lonen betaalt die boven het marktpeil liggen, dan zullen zijn hogere kosten hem bij de verkoop van zijn produkten in een nadelige positie plaatsen ten opzichte van zijn concurrenten, zodat hij ook dan gedwongen is om zijn beleid te wijzigen of zijn zaak te sluiten.

De werkgevers verlagen de lonen niet omdat ze wreed zijn, noch verhogen ze de lonen omdat ze zo menslievend zijn. De lonen worden niet bepaald door een gril van de werkgever. De lonen zijn de prijzen die betaald worden voor de menselijke arbeid, en net als alle andere prijzen in een vrije economie worden ze bepaald door de wet van vraag en aanbod.

Sinds het begin van de Industriële Revolutie en het kapitalisme zijn de lonen gestaag omhooggegaan – als een onvermijdelijk economisch gevolg van de toenemende kapitaalaccumulatie, technologische vooruitgang en industriële expansie. Terwijl het kapitalisme talloze nieuwe markten in het leven riep, bracht het ook een steeds grotere arbeidsmarkt tot stand: het vermenigvuldigde het aantal en de diversiteit van de beschikbare banen, verhoogde de vraag en wedijver naar de diensten van de arbeider, en joeg aldus de lonen omhoog.

Het was het economisch eigenbelang van de werkgevers dat hen ertoe leidde de lonen te verhogen en het aantal werkuren te verlagen – niet de druk van de vakbonden. Lang voordat de vakbonden qua grootte of economische macht iets te betekenen hadden, was de achturige werkdag in de meeste Amerikaanse industrieën reeds ingevoerd. In een tijd waarin zijn concurrenten hun arbeiders twee tot drie dollar per dag betaalden, bood Henry Ford zijn arbeiders vijf dollar per dag, waardoor hij de meest efficiënte arbeidersmacht in het land wist aan te trekken en aldus ook zijn eigen produktie en winsten wist op te voeren. In de jaren twintig, toen de arbeidersbeweging in Frankrijk en Duitsland een veel grotere invloed uitoefende, was het levenspeil van de Amerikaanse arbeider veel hoger. Dit was het gevolg van de economische vrijheid.

Onnodig te zeggen, dat mensen het recht hebben om zich in vakbonden te organiseren, mits zij dit vrijwillig doen, dat wil zeggen, mits niemand gedwongen wordt om lid te worden. Vakbonden kunnen waarde hebben als broederlijke organisaties, of als een middel om de leden van de actuele marktvoorwaarden op de hoogte te houden, of als een middel om doeltreffender te kunnen onderhandelen met de werkgevers – vooral in kleine, afgelegen gemeenschappen. Het kan voorkomen dat een individuele werkgever lonen betaalt die, in de totale context van de markt, te laag zijn; in zo’n geval kan een staking of de dreiging van een staking hem dwingen om zijn beleid te wijzigen, aangezien hij al gauw zal ontdekken dat hij voor de lonen die hij biedt niet voldoende arbeiders kan krijgen. Maar het geloof dat de vakbonden een algemene stijging van het levenspeil kunnen veroorzaken, is een mythe.

‘Tegenwoordig is de arbeidsmarkt niet langer vrij. De vakbonden bezitten een unieke, bijna monopolistische macht over vele aspecten van de economie. Dit is bewerkstelligd door een wetgeving die de mensen, of zij het nu wilden of niet, gedwongen heeft om lid te worden van de vakbonden, en die de werkgevers, of zij het nu wilden of niet, gedwongen heeft om met deze vakbonden te onderhandelen. Dientengevolge worden de lonen in veel industrieën niet langer bepaald door een vrije markt; de vakbonden zijn erin geslaagd de lonen aanzienlijk boven hun normale marktpeil op te voeren. Dit zijn de ‘sociale verdiensten’ waarvoor de vakbonden gewoonlijk de eer wordt gegeven. In feite heeft het optreden van de vakbonden echter alleen maar geleid tot (a) een inkrimping van de produktie, (b) uitgebreide werkloosheid en (c) het straffen van de arbeiders in de andere industrieën, alsmede van de rest van de bevolking.

– a) Door de buitensporige stijging van de lonen zijn de produktiekosten zodanig, dat een inkrimping van de produktie dikwijls noodzakelijk is, nieuwe ondernemingen te duur worden, en de groei wordt belemmerd. Bij de gestegen kosten worden de marginale producenten – zij die toch al nauwelijks in staat waren om op de markt te concurreren – gedwongen om hun bedrijven te sluiten. Het uiteindelijke resultaat van dit alles is, dat goederen en diensten die anders wel zouden zijn geproduceerd, nu niet tot stand komen.

– b) Ten gevolge van de hoge lonen kunnen de werkgevers het zich veroorloven om minder arbeiders in dienst te nemen; ten gevolge van de inkrimping van de produktie hebben de werkgevers minder arbeiders nodig. Zo zien we dus hoe één bepaalde groep arbeiders onverantwoord hoge lonen verwerft ten koste van de andere arbeiders, die dikwijls zelfs zonder werk komen te zitten. Dit – gepaard met de wetten aangaande het minimumloon – is de oorzaak van uitgebreide werkloosheid. i>Werkloosheid is het onvermijdelijke gevolg van het opdrijven van de lonen boven hun vrije-marktpeil. In een vrije economie, waarin noch de werkgevers, noch de arbeiders aan dwang onderworpen zijn, richten de lonen zich altijd naar het peil, waarop al diegenen die werk zoeken in staat zullen zijn het te krijgen. In een bevroren, geleide economie wordt dit proces geblokkeerd.

Ten gevolge van de arbeidswetgeving en van de monopolistische macht die de vakbonden uitoefenen zijn de werkloze arbeiders niet vrij om op de arbeidsmarkt te concurreren door hun diensten aan te bieden tegen een betaling die onder de algemeen geldende loonstandaard blijft; de werkgevers zijn niet vrij om hen in dienst te nemen. Wanneer werkloze arbeiders tijdens een staking een poging zouden ondernemen om, door genoegen te nemen met een lager loon, de baantjes te krijgen die door de vakbondsleden zijn opgegeven, dan lopen zij in veel gevallen de kans dat ze door de vakbondsleden worden bedreigd en met fysiek geweld worden geconfronteerd. Deze feiten zijn algemeen bekend en berucht, maar worden tegenwoordig in de meeste besprekingen van het werkloosheidsprobleem zorgvuldig vermeden vooral door regeringsfunctionarissen.

– c) Wanneer de marktvoorwaarden zodanig zijn, dat de producenten wier arbeidskosten gestegen zijn, de prijzen van de goederen die zij verkopen niet verder kunnen verhogen, dan is een inkrimping van de produktie, zoals hierboven werd vermeld, hiervan het gevolg; en de hele bevolking lijdt zodoende een verlies aan potentiële goederen en diensten. (Het denkbeeld, dat de producenten dergelijke loonstijgingen kunnen ‘absorberen’, door ‘ze af te trekken van de winst’, zonder dat de produktie hiervan enige schade ondervindt, is, economisch bezien, op zijn zachtst gezegd erg naïef, het zijn de winsten die de toekomstige produktie mogelijk maken; het percentage van de winst dat niet wordt geïnvesteerd, maar in de zakken van de producent terechtkomt, is in de totale economische context te verwaarlozen.)

Voor zover de marktvoorwaarden dit wel toestaan, zijn de producenten wier arbeidskosten gestegen zijn verplicht de prijzen van hun goederen te verhogen. Dit heeft dan weer tot gevolg dat de arbeiders in de andere industrieën vinden dat hun kosten van levensonderhoud zijn gestegen, omdat ze nu hogere prijzen moeten betalen voor de goederen die zij kopen. Zodat ook zij, op hun beurt, nu een loonsverhoging voor hun industrie eisen, wat weer tot nieuwe prijsstijgingen leidt, wat weer tot nieuwe loonsverhogingen leidt, enz. (Het is daarbij typerend dat de vakbondsleiders zich steeds verontwaardigd tonen over elke prijsstijging; de enige prijzen, waarvan een stijging door hen moreel aanvaardbaar wordt geacht, zijn de prijzen die worden betaald voor arbeid, dat wil zeggen, de lonen.) Ook de niet-georganiseerde arbeiders en de rest van de bevolking worden met die voortdurende stijging van de kosten van het levensonderhoud geconfronteerd; zij worden min of meer gedwongen de onverantwoord hoge lonen van de vakbondsleden te subsidiëren – en vormen op die manier de niet-erkende slachtoffers van de ‘sociale verworvenheden’ van de vakbonden. En zo komen we dan het verschijnsel tegen van metselaars die twee- tot driemaal zoveel verdienen als kantoormensen of professoren.

Het kan niet genoeg worden benadrukt dat het niet het vakbondswezen als zodanig is, maar eerder het staatstoezicht en de overheidsvoorschriften, die deze stand van zaken in de hand werken. In een vrije, ongereglementeerde economie, waarin van geen enkele dwang sprake is, kan geen enkele economische groepering de macht verwerven om de rest van de bevolking zo de dupe te laten worden. De oplossing ligt niet in een nieuwe wetgeving die tegen de vakbonden is gericht, maar in de afschaffing van de wetgeving die het huidige kwaad in de hand heeft gewerkt.

Het onvermogen van de vakbonden om echte, algemene loonsverhogingen tot stand te brengen – om het algemene levenspeil te verhogen – wordt gedeeltelijk verdoezeld door het verschijnsel van de inflatie. Ten gevolge van het gevoerde overheidsbeleid van overbesteding en uitbreiding van de kredietverlening, is de koopkracht van de monetaire eenheid, de dollar, door de jaren heen drastisch verminderd. De nominale lonen zijn veel sterker gestegen dan de reële lonen, dat wil zeggen, die lonen, die de werkelijke koopkracht vertegenwoordigen. Wat er verder toe heeft bijgedragen om dit aspect te verdoezelen, is het feit dat de reële lonen sinds het begin van deze eeuw inderdaad aanzienlijk zijn gestegen. Ondanks de destructieve en steeds verder toenemende overheidsbeperkingen van de vrijheid van handel en produktie, zijn er toch belangrijke vorderingen geboekt op het gebied van de wetenschap, de technologie en de kapitaalaccumulatie, waardoor het algemene levenspeil toch weer is gestegen. Hierbij moet echter wel worden opgemerkt dat deze vorderingen veel geringer zijn dan ze in een volledig vrije economie zouden zijn geweest, en dat dergelijke vorderingen, naarmate het staatstoezicht steeds strakker wordt aangehaald, steeds langzamer en minder vaak tot stand zullen komen.

Het is in dit verband van belang om te zien tegen wat voor soort hindernissen de zakenlieden hebben moeten opboksen om de produktie te kunnen voortzetten – wanneer men de vakbondsleiders op verontwaardigde toon hoort verkondigen, dat de arbeider recht heeft op een ‘groter aandeel van het nationale produkt’. Om John Galt te parafraseren: Een groter aandeel – verschaft door wie?

De economische vooruitgang heeft, net als elke andere vorm van vooruitgang, uiteindelijk slechts één bron: de menselijke geest – en ze is daarbij volkomen afhankelijk van de mate waarin de mens vrij is om zijn gedachten om te zetten in daden.

Laat iedereen die gelooft dat een hoog levenspeil het werk is van de vakbonden en van het staatstoezicht, zichzelf eens de volgende vraag stellen: Als men over een ‘tijdmachine’ zou beschikken en alle vakbondsleiders van Amerika, plus drie miljoen regeringsbureaucraten, terug zou plaatsen in de tiende eeuw – zouden zij dan in staat zijn om de middeleeuwse horige te voorzien van elektrisch licht, koelkasten, auto’s en televisietoestellen? Wanneer men dan beseft dat ze dat niet zouden kunnen, dient men tevens te beseffen wie en wat deze dingen wel mogelijk hebben gemaakt.32

Naschrift: Na het bovenstaan artikel te hebben voltooid, ontdekte ik een artikel in The New York Times van 8 september, dat te zeer hiermee verband hield om er ongemerkt aan voorbij te gaan. Het artikel, getiteld ’10 UAW.-leiders vinden dat de vakbonden het vertrouwen van hun leden verliezen’, door Damon Stetson, bericht dat de leiders van de United Automobile Workers bijeen zijn gekomen om met elkaar het probleem te bespreken van het steeds groter wordende gebrek aan vertrouwen van de arbeiders in de vakbondsleiders en in de vakbondssolidariteit. Een UAW-functionaris wordt daarbij als volgt geciteerd: ‘Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het individu zich loyaler opstelt tegenover de vakbond? Alle dingen waarvoor we hebben gevochten, geeft de corporatie nu aan de arbeiders. Wat we moeten zien te vinden zijn andere dingen die de arbeiders willen en die de werkgever hem niet wil geven, en we moeten ons programma dan op die dingen afstemmen en deze gebruiken als nieuwe redenen voor het lidmaatschap van de vakbond.’

Is enig commentaar nodig?

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Nathaniel Branden, topic: Sociale Zekerheid en Verzorgingsstaat, Werkeloosheid
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. tawm schreef op : 1

    Hoewel ik de hedendaagse vakbonden alles behalve hoog heb zitten door hun niet aflatende irrationaliteit, hun gedweep met sentimenten en hun zelfgeclaimde morele superioriteit gaat de auteur hier toch net wat te kort door de bocht naar mijn mening.

    Principieel of theoretisch bezien is het een zeer sterk punt om ervoor te pleiten lonen los te laten en ermee om te gaan gelijk ieder ander kapitaalgoed.

    Fundamenteel verschil blijft echter dat het bij loon om mensen gaat. En dan komen er direct andere ethische kwesties om de hoek kijken. Lonen vrijgeven zal leiden tot het verdwijnen van werkloosheid, dat ongetwijfeld. Maar tegen welke prijs? Is het wel ethisch verantwoord om mensen in de minst kansrijke posities uit te laten buiten?

    Natuurlijk zal dit niet altijd en automatisch gebeuren. Sterker nog; ik ben ervan overtuigd dat het vrijgeven van de lonen zelfs de laagste sociale klassen goed zal doen. Grosso modo bedoel ik dan. En dat is gelijk het probleem. Er zal her en der uitbuiting ontstaan. Sla de geschiedenis erop na en je ziet het her en der terugkomen. Het alleronderste laagje van de beroepsbevolking heeft nou eenmaal niks te kiezen en is aangewezen op de eisen die de gek hem stelt voor een zakcent. Willen we leven in een maatschappij waarin een deel van haar deelnemers, hoe klein ook, gevangen zit in de vrijheden van hun medemens en deze vrijheden dus zelf in de praktijk niet ervaart?

    Zelfs met mijn liberale inborst denk ik dat er ergens een lijn loopt waar voorbij persoonlijke vrijheden opgeofferd moeten worden t.b.v. het gemeenschappelijk belang.