woensdag, 3 december 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De gezondheidsdictatuur


In de verzorgingsstaat zijn gezonde mensen verplicht mee te betalen aan ongezonde mensen. Dus jagen ongezonde mensen anderen op kosten. Dus ben je verplicht gezond te leven. Over de absurditeit van een overheid die individuen het recht ontzegt zelf de afweging te maken tussen genot, welzijn, geluk en gezondheid.

De sin tax – zondebelasting – op sterke drank ging begin dit jaar met achttien procent omhoog. Genotsmiddelen als cocaïne en heroïne zijn al bijna honderd jaar verboden. We mogen niet autorijden zonder gordel of motorrijden zonder helm. We zijn verplicht via belastingen en ziekenfondspremies een door de overheid bepaald deel van ons geld te besteden aan gezondheidszorg. En de overheid heeft een enorme vinger in de pap als het gaat om de vraag hoe geld in de gezondheidszorg moet worden uitgegeven.

‘Kabinet ten strijde tegen overgewicht’, kopte Trouw 1 november dit jaar. Het aantal dikke mensen mag van het kabinet niet toenemen. Dus wordt het gezondheidspropagandabudget volgend jaar verhoogd tot 630 miljoen euro, met overgewicht als een van de prioriteiten. In Italië is de hetze tegen veelvraten al zover voortgeschreden dat de minister van gezondheid een wet heeft voorgesteld die restaurants verplicht om kleine porties te serveren, zonder mogelijkheid van bijbestellen, met maximaal één alcoholische consumptie per klant (bron: Forces Nederland).

Westerse overheden worden steeds brutaler in het sturen van ons gedrag op gezondheidsgebied, een fenomeen dat door critici al health fascism wordt genoemd – gezondheidsfascisme. Het ondergeschikt maken van persoonlijke keuzes aan het collectief is immers een van de elementen van het fascisme.

Het sterkst is de tendens tot gezondheidsdwang zichtbaar in de toenemende anti-rookmaatregelen (lees: anti-rokersmaatregelen). Sinds 1 januari van dit jaar is in Nederland – in strijd met de vrijheid van meningsuiting – vrijwel alle reclame voor tabaksproducten verboden (maar reclame tégen tabaksproducten niet). Per 1 januari volgend jaar stijgt de zondebelasting op een pakje sigaretten met 55 eurocent. Roken wordt verboden in de trein, op het perron, in de stationshal, in kantines, op luchthavens, in de bus en in de taxi en ondernemers verliezen het recht zelf te bepalen of er in hun bedrijf wel of niet gerookt mag worden.

Ruim een halve eeuw geleden was er ook al een modern vooruitstrevend land dat een stevige anti-rookcampagne voerde. Het was het eerste land ter wereld dat met gedegen wetenschappelijk onderzoek het verband tussen roken en longkanker aantoonde. Men probeerde de burger er via confronterende advertenties en posters van te overtuigen dat roken een vieze, ongezonde en vooral stomme bezigheid is. Op sigaretten werden hoge accijnzen geheven en advertenties voor rookwaar moesten aan allerlei regels voldoen en mochten niet gericht zijn op de jeugd. Roken werd verboden in bussen, treinen, ziekenhuizen, sommige bedrijven en vele overheidsgebouwen. Welk land dit was? Nazi-Duitsland. De geschiedenis van de anti-rookcampagne die daar in de jaren dertig en veertig werd gevoerd, staat beschreven in het boek The Nazi War on Cancer door Robert Proctor. Opvallend is dat Proctor waarschuwt tegen het gebruik van het woord health fascism voor moderne anti-rookmaatregelen. Hij ziet de dwingende bemoeienis van de nazi’s met de gezondheid van hun (Arische) onderdanen niet als een vorm van fascisme, maar als een verrassend positieve uitzondering op een anderszins monsterlijk systeem. Toch hoeft de gezondheidsideologie van de nazi’s hoeft ons geenszins te verbazen, evenmin als het feit dat de anti-rook- en anti-alcoholbewegingen reuze enthousiast waren toen Hitler aan de macht kwam. Het idee dat mensen eigendom zijn van de staat en dat de staat dus moet zorgen voor een goede gezondheid van zijn onderdanen, is immers bij uitstek een totalitair idee. De gezondheidsslogans van de nazi’s waren dan ook: “Uw lichaam is van de natie!”, “Uw lichaam is van de Führer!”, “U heeft een plicht om gezond te zijn!” en “Gezondheid is geen privé-zaak!”. De moderne gezondheidsideologie is gebaseerd op precies dezelfde ideeën, ook al zijn we daar niet zo eerlijk over als de nazi’s.

Een Postbus 51-reclame leert ons het volgende: “Iedereen weet dat roken slecht is voor de gezondheid. Maar niet iedereen weet dat je daar ook anderen mee in gevaar brengt. En dat zelfs niet-rokers kunnen sterven aan de gevolgen van meeroken. Daarom krijgt u vanaf 1 januari 2004 recht op een rookvrije werkplek.”

Laten we eerst kijken naar de gevaren van roken voor de roker zelf. Het verband tussen roken en longkanker is het best aangetoond. Ongeveer tien procent van de zware rokers krijgt longkanker (bron: Canadian Lung Association), terwijl minder dan één procent van de niet-rokers sterft aan longkanker (bron: Nederlandse Kankerbestrijding). Toch vermindert longkanker de levensverwachting van zware rokers met gemiddeld slechts 0,7 jaar, omdat de ziekte vooral ouderen treft en het leven van de slachtoffers niet meer dan een jaar of zeven bekort (bron: Roy Albert, University of Cincinnati Medical College). Roken verhoogt ook de kans op andere ziekten (onder meer bronchitis en longemfyseem). Overigens vermindert roken juist de kans op overgewicht, de ziekte van Alzheimer en de ziekte van Parkinson.

Rokers leven gemiddeld een jaar of vier korter dan niet-rokers (bron: National Association of Insurance Commissions, 1980). Maar daar volgt niet uit dat roken je levensverwachting met vier jaar verkort. Het staat namelijk niet vast welk deel van die vier jaar door het roken komt en welk deel doordat rokers op andere gebieden ook relatief ongezond leven. Verder komen rokers relatief vaak uit de lagere sociaal-economische klasse, hetgeen los van het roken ook een lagere levensverwachting met zich meebrengt. Toch zou het best kunnen dat roken je levensverwachting met een paar jaar verkort. Dat is vervelend, maar zo dramatisch als de overheid het doet voorkomen is het nou ook weer niet. De verplichte slogan op pakjes sigaretten – ‘roken is dodelijk’ – is bijzonder misleidend, zo niet leugenachtig. Roken is niet dodelijk in dezelfde zin als cyaankali of een hongerige krokodil dat zijn, er is slechts sprake van een licht statistisch effect op de levensverwachting. Voor hetzelfde geld zou de overheid de slogan ‘auto’s zijn dodelijk’ op auto’s verplicht kunnen stellen, ‘ongetrouwd zijn is dodelijk’ op scheidingspapieren en ‘eten is dodelijk’ op hamburgers. Autorijden, ongetrouwd zijn en dik zijn verkorten statistisch gezien namelijk ook de levensverwachting.

Is het feit dat roken waarschijnlijk ongezond is, reden om het extra te belasten en steeds meer aan banden te leggen? Nee. Elke menselijke keuze is namelijk een subjectieve afweging tussen kosten en baten. We rijden auto omdat we de baten (je komt van A naar B) vinden opwegen tegen de kosten (geld, kans op ongeluk). Bijna iedereen drinkt af en toe alcohol, omdat mensen doorgaans de baten (het is lekker en gezellig) vinden opwegen tegen de kosten (geld, kater, gezondheid). We proberen allemaal ons geluk te maximaliseren door continu dingen te doen waarvan we de baten groter inschatten dan de kosten en dingen te laten waarvan we de kosten groter inschatten dan de baten. Alle verslavingsretoriek ten spijt (‘ik wil stoppen, maar ik kan niet stoppen’), moet je aannemen dat iemand die rookt dat doet omdat hij de baten (lekker, ontspannend, gezellig) groter vindt dan de kosten (geld, gezondheid). Ieder mens weet alleen zelf waar hij de meeste waarde aan hecht, omdat waarden subjectief zijn. Overheidsdwang voorkomt dat we naar eigen inzicht een optimale afweging kunnen maken en gaat daarom ten koste van ons levensgeluk.

Laten we nu kijken naar passief roken. Het lijkt erop dat de overheid toch nog een greintje respect heeft voor onze vrijheid, want het Postbus 51-spotje verdedigt het recht op een rookvrije werkplek niet omwille van de gezondheid van rokers, maar door te claimen dat rokers de gezondheid van anderen aantasten. Maar dat is slechts schijnt, want rookcoupés in de trein worden immers ook verboden, terwijl niet-rokers daar in hun niet-rookcoupé geen enkele last van hebben. Blijkbaar wil men toch ook rokers tegen zichzelf beschermen.

murderacigarette.jpg
verkrijgbaar bij Nitro-Shopping

Maar hoe zit het met de bewering van Postbus 51 ‘dat zelfs niet-rokers kunnen sterven aan de gevolgen van meeroken’? Dat is wetenschappelijk gezien een pure leugen. Een kritische analyse van het tot stand komen van deze mythe is te lezen in het boek Murder a Cigarette door Ralph Harris en Judith Hatton. De pseudo-wetenschappelijke argumentatie over de gevolgen van het meeroken blijkt een buitengewoon staaltje manipulatie van gegevens. De meeste onderzoeken wijzen juist uit dat passief roken geen aanwijsbare schade toebrengt aan de gezondheid. Dat ligt ook voor de hand, want uit metingen blijkt dat iemand die dagelijks thuis en op het werk wordt blootgesteld aan passief roken, slechts ongeveer éénduizendste van de dosis rook binnenkrijgt die een roker binnen krijgt (bron: Covance Laboratories).

Toch wil het feit dat passief roken niet gevaarlijk is niet zeggen dat er niks mis mee is als rokers roken in het bijzijn van niet-rokers. Het kan immers wel vervelend zijn om vieze lucht te moeten inademen, en bij hogere concentraties kun je last krijgen van geïrriteerde ogen en stinkende kleren. Ongetwijfeld zijn dit de werkelijke redenenen dat niet-rokers vaak bezwaar hebben tegen roken, niet het feit dat ze bang zijn dood te zullen neervallen na het inademen van een rookwolkje. En aangezien dit wel legitieme punten zijn, is het vreemd dat Postbus 51 het daar niet over heeft. Wellicht denkt men dat de demonisering van rokers beter gediend is met het gelijkstellen van roken aan moord.

Maar rechtvaardigt last van andermans rook een wet die werknemers recht geeft op een rookvrije werkplek? Zo’n wet past in ieder geval niet in een vrije samenleving. Zo’n samenleving is namelijk gebaseerd op vrije associatie en respect voor het eigendomsrecht. Net zoals ik zelf mag beslissen of er bij mij thuis gerookt mag worden, zo hoort een bedrijfseigenaar ook zelf te kunnen beslissen of er in zijn bedrijf gerookt mag worden.

Bedrijven zullen uit zichzelf wel proberen het zowel rokers als niet-rokers naar de zin te maken. Het is immers in hun eigen belang dat hun werknemers tevreden zijn. Als er een duidelijke behoefte is aan rookvrije werkplekken, zullen de meeste werkgevers daar zelf wel voor zorgen. Maar als een klein bedrijf bijvoorbeeld maar één werkruimte heeft, kan dat lastig zijn. Als de meeste werknemers graag willen kunnen roken, is het best mogelijk dat de werkgever roken toestaat. Maar dat is juist goed, want door alle afspraken en regels per bedrijf vrij te laten, is de kans het grootst dat bedrijven regels zullen instellen waar hun werknemers gemiddeld het meest tevreden over zijn. Het gemiddelde werknemergeluk zou er immers sterk onder lijden als roken op de werkplek verboden is terwijl vier van de vijf werknemers het verschrikkelijk vinden niet te mogen roken tijdens hun werk en de enige niet-roker het roken van anderen slechts in hele lichte mate vervelend vindt. Bovendien zijn er ook andere oplossingen, zoals goede ventilatie.

Je kunt in zo’n situatie niet stellen dat de niet-roker gedwongen wordt in de rook van anderen te werken. De werknemer heeft immers alle vrijheid om bij een bedrijf te gaan werken dat hem wél een rookvrije werkplek aanbiedt. Er is dus net zomin sprake van dwang als wanneer ik vrijwillig bij mijn buren op bezoek ga terwijl ik weet dat ze stevig roken. Dat iets vervelend is, betekent niet dat je recht hebt op een werkplek waar dat vervelende ontbreekt. Lastige collega’s zijn ook vervelend. Moeten die daarom verboden worden? De meeste mensen vinden werken vast veel vervelender dan rook. Maar daar volgt toch ook niet uit dat je recht hebt op een werkvrije werkplek?

En zelfs als passief roken écht gevaarlijk zou zijn, volgt daar niet uit dat het recht op een rookvrije werkplek op zijn plaats is. Dan zouden namelijk ook de beroepen van soldaat, oorlogscorrespondent, chauffeur en stratenmaker verboden moeten worden. Die werkzaamheden zijn namelijk allemaal slecht zijn voor je gezondheid (je kan worden doodgeschoten, verongelukken of last van je rug krijgen). De reden dat we die beroepen niet verbieden, is omdat niemand verplicht is zich aan de bijbehorende gevaren bloot te stellen. Het staat iedereen vrij een minder gevaarlijk beroep te kiezen. Net zoals het iedereen vrij staat om alleen te werken bij een bedrijf dat hem een rookvrije werkplek aanbiedt.

Overigens kan het recht op een rookvrije werkplek ook nadelig uitpakken voor niet-rokers. Een klein bedrijf waar alleen rokers werken en dat geen aparte rookvrije kamer beschikbaar heeft, zou kunnen gaan discrimineren bij het aannemen van nieuwe werknemers door alleen rokers aan te stellen. Een niet-roker kan heel gevaarlijk zijn, want die zou weleens zijn recht op een rookvrije werkplek kunnen opeisen, zodat de rest niet meer kan roken.

Ook het onzalige (maar voorlopig uitgestelde) plan om roken in de horeca volledig te verbieden (zoals in Californië, New York en binnenkort Noorwegen) is niet gebaseerd op het beschermen van willoze slachtoffers tegen rokers. Niemand is immers verplicht om naar een restaurant te gaan waar anderen roken, of daar te gaan werken. En als er voldoende behoefte is aan rookvrije horecagelegenheden of rookvrije gedeelten in horecagelegenheden, dan zal de markt daar vanzelf voor zorgen. Uit het feit dat die er op dit moment nauwelijks zijn, kun je afleiden dat het niet-rokers doorgaans weinig kan schelen dat er gerookt wordt in cafés en restaurants. Dat komt waarschijnlijk mede doordat de meeste niet-rokers af en toe een roker in hun gezelschap hebben die ze zijn rookgenot niet misgunnen. En het is toch niet aan de overheid om restaurantbezoekers op hun vingers te tikken voor het feit dat ze niet intolerant genoeg zijn tegen rokers?

Je kunt je afvragen of de gezondheidsfanatici werkelijk willen dat iedereen gezond is, of dat ze vooral leiden aan een ziekelijke intolerantie voor mensen die er andere gewoonten op na houden dan zijzelf. Vrijwel alle culturen, zowel in heden als verleden, hebben een vorm van algemeen geaccepteerd druggebruik noodzakelijk gevonden om de hardheid van het leven te helpen verzachten. In onze samenleving waren de drie officieel goedgekeurde drugs lange tijd alcohol, cafeïne en nicotine. Nicotine is langzaam uit dit rijtje aan het verdwijnen en op overmatig gebruik van alcohol wordt ook steeds meer neergekeken, maar een kopje koffie voordat je aan je werk begint en een glaasje wijn bij het eten worden nog steeds als goede gewoonten gezien. Het is dan ook buitengewoon hypocriet en intolerant dat andere drugs (hasj, XTC, LSD, heroïne, cocaïne enzovoort) wel verboden zijn. Voor heroïne geldt net zo goed als voor alcohol dat iedereen zelf een afweging moet kunnen maken tussen (gezondheids)kosten en baten.

Een subtielere vorm van gezondheidsbetutteling is het feit dat je veel medicijnen niet zonder recept kunt krijgen. In dit geval draagt de overheid haar voogdijschap over haar kindertjes over aan artsen. Maar het is geen legitieme taak van artsen om mensen te vertellen welke middelen ze wel of niet mogen innemen in hun eigen lichaam. Hun taak is slechts mensen die vrijwillig om advies vragen daarover te adviseren. Als iemand bepaalde medicijnen wil gebruiken zonder dat die door een arts zijn aanbevolen, is dat wellicht onverstandig, maar wel iets dat onder zijn eigen verantwoordelijkheid en keuzevrijheid valt. Voor iemand die zelf al weet welk medicijn hij wil, is een verplicht bezoek aan een arts alleen maar vernederend, onhandig, tijdrovend en duur.

Ook het door de overheid opleggen van haar normen en waarden op medicijngebied is onwenselijk. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen en het Europees Bureau voor de Geneesmiddelenbeoordeling doen op zich belangrijk en nuttig werk door erop toe te zien dat nieuwe medicijnen pas na strenge procedures worden goedgekeurd. We willen immers allemaal dat de medicijnen die we slikken zo effectief en veilig mogelijk zijn. Maar die organisaties zouden wel moeten worden geprivatiseerd en andere soortgelijke organisaties zouden er vrij mee moeten kunnen concurreren, net zoals je ook bij veel producten kunt kiezen tussen verschillende keurmerken (bijv. Kema-keur, TNO-keurmerk) of geen keurmerk. Je zou dan in de apotheek kunnen kiezen tussen een medicijn dat alleen voldoet aan de kwaliteitsnormen van organisatie X of een product dat ook voldoet aan de eisen van de strengere organisatie Y. En je hebt ook het recht om op eigen risico een medicijn te kopen dat door geen enkele organisatie is goedgekeurd, zolang dat maar duidelijk op de verpakking staat.

Nog een voorbeeld van dwingende gezondheidsbemoeienis is de Arbowetgeving. Stel, de overheid overweegt werkgevers te verplichten om voor een speciale dure bureaustoel te zorgen voor al het kantoorpersoneel, om de kans op rugklachten te verkleinen. En stel dat die bureaustoel de werkgever tien euro extra per maand aan afschrijving kost vergeleken met een goedkope stoel. Nu zijn er twee mogelijkheden. Ofwel een potentiële werknemer zou zelf ook tien euro per maand overhebben voor die betere stoel. In dat geval zal hij bij de salarisonderhandelingen genoegen nemen met tien euro minder salaris per maand als de werkgever voor de dure stoel zorgt in plaats van de goedkope. Ofwel hij vind het extra gezondheidsvoordeel geen tien euro per maand waard. In dat geval zegt hij tegen de werkgever dat hij een gewone stoel goed genoeg vindt en zal hij tien euro extra per maand uit de salarisonderhandelingen kunnen slepen. (In werkelijkheid is vanwege de loonbelasting de afweging iets anders, maar dat maakt voor de kern van het argument niet uit.)

Wat is het effect van de Arbowet in dit voorbeeld? Als de meeste werknemers liever een luxe bureaustoel hebben dan tien euro extra salaris per maand, dan hadden ze die zonder Arbowet ook gekregen. In dat geval is de Arbowet dus overbodig. Maar als de meeste werknemers liever tien euro extra salaris per maand hebben dan een luxe bureaustoel, dan dwingt de Arbowet werknemers als het ware om tegen hun wil tien euro per maand in te leveren voor een luxe bureaustoel. In dat geval is de Arbowet een vorm van gezondheidsdwingelandij, want de overheid maakt een afweging tussen kosten en baten op gezondheidsgebied in plaats van de werknemer zelf. Alle Arbowetgeving kan dus het best worden afgeschaft.

Men zou hiertegen in kunnen brengen dat arbeidsomstandigheden misschien slechts kunnen worden doorberekend aan werknemers voorzover zij er zelf waarde aan hechten. Dus als werknemers een luxe bureaustoel maar vijf euro waard vinden, zullen zij bereid zijn te werken voor vijf euro minder loon, maar niet tien euro. Maar als dat zo is, zullen de resterende vijf euro worden doorberekend aan de consument in plaats van aan de werknemer. Het moet immers uit de lengte komen of uit de breedte. En dan zijn de werknemers in hun rol van consument toch slachtoffer.

Gezondheidsdictatuur en de verzorgingsstaat gaan hand in hand. Als we accepteren dat de overheid veel te zeggen heeft over onze financiën (sociale zekerheid) en onze geest (onderwijs), is het niet gek dat we ook accepteren dat de overheid steeds meer over ons lichaam (gezondheid) te vertellen heeft. De ene dwangmaatregel wordt zelfs als argument voor de volgende dwangmaatregel gebruikt. Gezonde mensen worden verplicht mee te betalen aan ongezonde mensen. Dus jagen ongezonde mensen anderen op kosten. Dus ben je verplicht gezond te zijn.

Zo worden tabaksaccijnzen soms verdedigd met het argument dat rokers op die manier betalen voor hun hogere gezondheidskosten. In werkelijkheid besparen rokers de samenleving waarschijnlijk kosten. Doordat ze gemiddeld eerder dood gaan, ontvangen ze minder lang AOW en maken ze minder lang gebruik van de gezondheidszorg. Dus met dat argument zouden sigaretten juist gesubsidieerd moeten worden in plaats van belast. Maar een betere oplossing is natuurlijk om overheidsinmenging in de gezondheidszorg af te schaffen, zodat iedereen via particuliere verzekering die premie betaalt die past bij zijn risicoprofiel. Een overheid die ongezond gedrag verbiedt of belast, omdat er een systeem is waarin anderen daarvoor betalen, is net zo absurd als een overheid die eerst besluit fietsonderhoud te gaan subsidiëren en vervolgens iedereen verbiedt om meer dan vijf kilometer per dag te fietsen, omdat je daarmee anderen op kosten jaagt.

Gezondheid is een groot goed. Maar genot, welzijn en geluk zijn ook belangrijke waarden en die moeten soms worden afgewogen tegen bepaalde gezondheidsrisico’s. Daarom moet ieder individu het recht hebben om zelf te kiezen hoe en in welke mate hij voor zijn gezondheid zorgt. Bovendien zijn de gezondheidsinterventies van de overheid vaak juist ongezond. De meeste heroïnedoden worden veroorzaakt door giftige bijproducten of onzekerheid over de dosis, een probleem dat door legalisering zou worden opgelost. De illegaliteit van drugs leidt tot criminaliteit en heroïnehoertjes die geslachtsziekten en aids oplopen. In augustus van dit jaar overleed een vijftienjarig meisje aan een verontreinigde XTC-pil. Toch weigert minister Hoogervorst van Volksgezondheid om het testen van XTC-pillen bij evenementen en disco’s toe te staan (bron: De Telegraaf, 21 oktober 2003). De druk van het Westen op derdewereldlanden om het insectenbestrijdingsmiddel DDT niet te gebruiken omdat dit ongezond zou zijn voor mens, dier en milieu, heeft waarschijnlijk voor vele miljoenen extra malariadoden gezorgd. Omdat reclame voor geneesmiddelen verboden is, worden consumenten onvoldoende geïnformeerd over nieuwe betere medicijnen. Critici van de FDA (de organisatie die verantwoordelijk is voor het goedkeuren van nieuwe medicijnen voor de Amerikaanse markt) schatten dat deze organisatie elk jaar tenminste enige tienduizenden mensen meer het leven kost (door levensreddende medicijnen van de markt te houden) dan dat ze redt (door levensbedreigende medicijnen van de markt te houden). En Pim Fortuyn wees erop dat er meer doden zijn gevallen door de door de overheid veroorzaakte wachtlijsten dan door Bin Laden.

Overigens hebben we helaas (of gelukkig?) weinig invloed op onze levensverwachting. Op hoge leeftijd lopen we het meeste risico op allerlei ziekten en kwalen. En als je door een leven lang gezond leven de ene ziekte voorkomt op je 75ste, dan overlijd je wel aan een andere ziekte op je 76ste. Zo werd er eens berekend dat als we hart- en vaatziekten, kanker en verkeersongevallen allemaal met dertig procent zouden kunnen terugbrengen, onze levensverwachting met slechts 2,9 jaar zou stijgen (bron: American Journal of Public Health, oktober 1978). Misschien is het dus maar beter je niet te veel zorgen te maken over je gezondheid, want dood gaan we toch en zorgen maken schijnt heel slecht te zijn voor je gezondheid.

Dit artikel verscheen eerder in HP/De Tijd, 21 november 2003.


Henry Sturman is natuurkundig ingenieur (TU Delft) en heeft een eigen bedrijf Sturman Enterprises dat diensten verleent op het gebied van automatisering en internet. Zijn artikelen verschijnen regelmatig in HP/De Tijd en op Meer Vrijheid.

Voor meer informatie kunt u terecht op zijn homepage.

henry3.jpg

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Henry R. Sturman, topic: Tabak, Drank en Drugs
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Addie schreef op : 1

    En reken maar, dat ik mijn recht op een rookvrije werkplek zal exerceren; de eerste de beste klant ( ik ben reperateur van witgoed) die het in zijn/haar* hoofd haalt om in mijn bijzijn een sigaret/ shagje/ sigaar/ pijp/ join/ z’n schoonmoeder op te steken, daag ik direct voor het gerecht; ik heb immers het recht op een rookvrije werkplek! En wee de kneus van Klassejustitie en Rechtsongelijkheid, die het in z’n/ haar domme, botte harses durft te halen, om deze klacht te seponeren; ik, of een van mijn confreres kom nog wel op visite.

  2. ton wurtz schreef op : 2

    Hoi Henry,

    Ik wist even niet zo snel te bereiken ,maar wil jij mij bellen ?

    020-4167632

    Groet,

    Ton Wurtz