donderdag, 26 februari 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Libertarisme en Culturele Evolutie


Het huidige libertarische gedachtegoed kan beschouwd worden als een van de voortzettingen van het klassiek liberalisme. Als zodanig erft het dus ook alle interne moeilijkheden hiermee die tot twist kunnen leiden. Een zo’n twist die vooral het afgelopen decennium naar voren is gekomen is het debat binnen het libertarisme tussen de moralistische (vrijheid is een moreel principe) en de consequentialistische (vrijheid is handig en voordelig) stroming. Het gaat hier om een fundamenteel aspect van het libertarisme: het non-agressie principe. Hier zal ingegaan worden op de relatie tussen de bevindingen van de cultureel evolutionisten en de conventionele libertarische theorie toegespitst op dit non-agressie principe.

Culturele evolutie

Al in de oudheid werd nagedacht over veranderingen in menselijke samenlevingen op de lange termijn. Meestal dacht men dat er in de loop van de tijd alleen maar achteruitgang en verval was gekomen: van de Gouden Tijd naar de Zilveren Tijd, de Bronzen Tijd en uiteindelijk de IJzeren Tijd waarin men zelf leefde. Er waren ook wel uitzonderingen zoals de Romeinse dichter Lucretius die een gedicht De Rerum Natura (Over de natuur) schreef waarin de materialistische filosofie van Epicurus uiteengezet werd. Atomen gehoorzaamden aan hun eigen wetten en door de geschiedenis van de Aarde waren er steeds complexere structuren opgebouwd uit die atomen ontstaan. De goden hadden hier niets mee van doen, een zeer uitzonderlijke positie in de oudheid. Maar het merendeel van de intellectuelen (en de complete bevolking) bleef geloven in goddelijke interventie als bepalend voor de menselijke geschiedenis.

Enkele uitzonderingen daargelaten bleef dit zo tot de Renaissance en de wetenschappelijke revolutie. Na een zeer aarzelend begin waarin filosofische concepten over ideale samenlevingen, de Utopia’s, centraal stonden kreeg men in Europa steeds meer gegevens over zowel uitgestorven samenlevingen als veraf gelegen samenlevingen die radicaal verschilden van de Europese. Eigenlijk al in een vrij vroeg stadium (eind 17e eeuw) kregen die mensen die zich voor deze materie interesseerden door dat er een bepaalde lijn zat in de geschiedenis van samenlevingen en wel een van simpel naar complex naarmate de tijd vorderde. Dat cruciale punt werd opgepakt door de denkers van de Schotse en de Franse Verlichting (respectievelijk 1714-1817 en 1717-1778) die dit als argument aanvoerden voor verdere vooruitgang. Hierbij stelden de Fransen zich anders dan de Schotten op het standpunt dat de de wetten van de geschiedenis gebruikt moesten worden om voorspellingen te doen die dan weer voor concrete politieke doelstellingen gebruikt zouden worden. Het is goed om in gedachten te houden dat dit in feite een tweesprong was tussen het Britse en Franse tradities in het denken over interventie door de staat.

Uit de Verlichting ontwikkelde zich in de 19e eeuw uiteindelijk de sociologie en de antropologie met als stamvaders mensen als Auguste Comte, Herbert Spencer, Lewis Henry Morgan en vele andere waaronder hier in Nederland Sebald Rudolf Steinmetz (1862-1940). Hoewel ze uiteenlopende politieke stromingen aanhingen waren ze het over een ding eens: er was sprake van evolutie van samenlevingen van simpel naar complex. Meer gegevens waren nodig en vooral Spencer als Steinmetz probeerden zoveel mogelijk kennis te verzamelen in dikke boekwerken zodat geleerden makkelijk hun theorie konden toetsen of er een historische wet uit konden afleiden. Een tijdlang leek het allemaal probleemloos te gaan lukken: niemand twijfelde aan de vooruitgang die door de industrialisatie en de kolonisatie overal doordrong en de evolutietheorie kon zowel de evolutie van biologische als maatschappelijke zaken verklaren.

Dit grandioze tijdperk eindigde echter al vrij snel in de 20e eeuw. De slachtpartijen van de eerste wereldoorlog maakten er voorgoed een einde aan. Een intellectuele bewustzijnsvernauwing trad in, men begon de eigen industrie met veel meer protectionistische maatregelen te beschermen dan vroeger en nog erger: geloof werd vervangen door een verlammend nihilisme. Noch in God, noch in vooruitgang geloofde men meer. Alleen hedonistisch plezier maken of oorlog voeren bleven over. Ook de evolutietheorie werd het slachtoffer. Niet de biologische poot maar wel de culturele. Afgezien van wat individuele, tot mislukking gedoemde, pogingen keerde de antropologie zich tussen 1900 en 1940 compleet af van dit onderwerp. Het werd zelfs taboe om het erover te hebben. Was de theorie dus door feiten weerlegd, was er geen sprake van een trend van simpele naar complexe samenlevingen door de tijd heen? Nee, de theorie was “steriel”, dat wil zeggen: van een voorbij tijdperk dat niets met het onze te maken heeft. En wie (zoals Steinmetz) nog iets met de biologische aspecten probeerde (andere gegevens waren er niet) die was een racist en dat was toen al in vrij brede kring taboe. Na de tweede wereldoorlog leek het voorgoed afgelopen te zijn met het cultureel evolutionisme. Met name de wetenschapsfilosoof Karl Popper ging hevig tekeer tegen iedereen die het waagde wetten of zelfs maar lessen uit de geschiedenis af te leiden. Miljoenen mensen waren door deze pseudo-wetenschap om het leven gekomen aldus Popper.

john_locke.jpg
John Locke
spencer.jpg
Herbert Spencer

Terwijl Popper dit schreef (in 1943) was een Amerikaanse, marxistische antropoloog genaamd Leslie White echter bezig om het cultureel evolutionisme nieuw leven in te blazen. Hij concentreerde zich op twee zaken: de toename van energieverbruik naarmate samenlevingen complexer werden en de uniek menselijke capaciteit voor communicatie met symbolen als de basis van cultuur. Volgens White marcheerde de wereld rechtstreeks op het socialisme af. Het toegenomen energieverbruik (inclusief atoomenergie) zou de cultuur van de Verenigde Staten zo veranderen dat het vanzelf socialistisch zou worden. Dat is niet uitgekomen maar White zette door zijn onconventionele manier van denken wel zijn studenten op het pad om nieuwe dingen te ontdekken. Tegen 1960 was het dan ook weer heel normaal om over culturele evolutie te praten onder antropologen. Alle gegevens wezen ook in die richting. De enige vragen waren nog betere antwoorden op de ‘wie, wat, waar, wanneer, hoe en waarom’ vragen. Inmiddels is al ruwweg duidelijk hoe we de complexiteit van samenlevingen kunnen meten (vooral de mate van arbeidsspecialisatie is belangrijk) en waarom samenlevingen complexer worden naarmate ze demografisch en economisch groeien (specialisatie wordt dan noodzakelijk). Hiermee is ook voorzichtig de relatie te leggen met de biologische aspecten van de maatschappij. Immers de natuurlijke omgeving, de hulpbronnen en vooral de fysieke constitutie van de mens bepalen de limieten waarin de culturele evolutie kan plaatsvinden. De interactie tussen natuur en cultuur is dan ook het grensgebied van het huidige onderzoek naar de evolutie van menselijke samenlevingen. De sociobiologie, de evolutionaire speltheorie en computersimulaties van samenlevingen vormen de theoretische basis terwijl de archeologie en de experimentele economie voor de gegevens zorgen om de concepten uit te testen.

Dit alles is echter aan bijna iedereen behalve een klein aantal wetenschappers en filosofen voorbij gegaan. Wel hebben veel mensen wel eens gehoord van een of andere theorie, zoals bijvoorbeeld die van de memetica van Richard Dawkins. Het totaalbeeld ontbreekt echter en de gemiddelde intellectueel staat er zeer sceptisch tegenover. “Simpel” en “gevaarlijk” zijn veel gehoorde kwalificaties. Het idee dat menselijke samenlevingen aan bepaalde wetten of zelfs maar beperkingen onderhevig zijn maakt veel Westerlingen ongemakkelijk. Zoals ik beneden zal proberen aan te tonen is dit precies dezelfde emotie die bij het non-agressie principe zo’n grote rol speelt.

Libertarische theorie

Het is vrij algemeen bekend dat het libertarisme een voortzetting is van het klassiek liberalisme hoewel er zeker ook verschillen zijn. Veel concepten van het klassiek liberalisme waren al in de oudheid naar voren gebracht maar het is duidelijk dat ze pas in de 17e eeuw in een samenhangend geheel werden geformuleerd. Als stamvader wordt bijna altijd gewezen naar de puritein John Locke (1632-1704) een arts en politiek filosoof. Locke ging uit van bepaalde natuurrechten die het gevolg waren van de menselijke natuur en die doordat ze door God gegeven waren boven de menselijke wetten stonden. Sterker nog als wetten van de koning in strijd waren met de natuurlijke rechten van de mens dan zouden ze moeten verdwijnen. Het belangrijkste natuurlijke recht was volgens Locke het eigendomsrecht. Dat werd verkregen door arbeid toe te voegen aan iets, bijvoorbeeld door het bewerken van land. Het brutaal schenden van dit recht door roof, zelfs al was de staat gelegitimeerd door God, was een schending van het natuurrecht en de bevolking was dan (door God) gerechtigd om in opstand te komen. En natuurlijk was er altijd sprake van spanning tussen de door God gegeven natuurrechten en de tot zonde geneigde mensen. Het ideaal van een samenleving zonder gemeenschappelijke regering zou alleen te bereiken zijn als iedereen rationeel zou handelen. Het klassiek liberalisme ontwikkelde zich natuurlijk sterk in de volgende eeuwen met de Verlichting en de Victorianen maar het is opvallend dat de basis gelijk bleef. Ook voor een moderne, niet-religieuze Victoriaan als Herbert Spencer blijft het principe van het natuurlijke eigendomsrecht het fundamentele principe. Spencer was dan ook persoonlijk zeer teleurgesteld dat de Victoriaanse samenleving niet in staat bleek om in overeenkomst met dit principe te leven, zowel thuis als in de kolonies.

Maar zo tegen 1900 begint het klassiek liberalisme veel aanhang te verliezen. Alle aandacht van de nieuwe generaties gaat uit naar het socialisme en naar een extreem soort conservatisme dat soms als fascisme en dan weer als nationalisme te boek staat. In plaats van de tijd van handel en samenwerking kwam er nu een tijd van oorlogen en revoluties. Tegen 1940 was het vloeken in de kerk om voor het laissez-faire kapitalisme van de klassiek liberalen te pleiten en het was absoluut uitgesloten dat het nog langer in de praktijk gebracht zou worden. De strijd ging alleen nog over de vraag of de staatsinterventie door conservatieve, socialistische of ‘liberale’ concepten beïnvloed zou worden waarbij het ‘liberalisme’ stond voor democratische controle en de conservatieven meestal ofwel het socialisme ofwel het ‘liberalisme’ volgden omdat ze zelf geen echt originele ideologie konden ontwikkelen. Het klassiek liberalisme leek op sterven na dood.

aynrand1.jpg
Ayn Rand
Rothbard.jpg
Murray Rothbard
s_hayek.gif
Friedrich Hayek

Toch waren er nog aanhangers die verder probeerden te denken, nieuwe argumenten probeerden te ontwikkelen om de ideologie door de moeilijke tijden heen te slepen. In de Verenigde Staten werd de term libertarisme bedacht als alternatief voor liberaal dat ‘liberaal’ was geworden. De voor de Bolsjewieken gevluchte Ayn Rand was een belangrijk figuur die via romans en non-fictie boeken het laissez-faire kapitalisme verdedigde als moreel principe. Want laissez-faire was niet zozeer beter omdat het beter presteerde maar omdat het gebaseerd was op het rationele karakter van de menselijke natuur: het was een uiting van het non-agressie principe wat de kern zou worden van het libertarisme. De enige taak van de overheid zou nog zijn om als de klassiek liberale nachtwakerstaat het non-agressie principe te verdedigen. Maar libertarische denkers als Murray Rothbard vonden zelfs die minimale staat overbodig. Ook veiligheid en recht kon het beste op de vrije markt aangeboden worden. Vraag en aanbod zouden misstanden hier snel op kunnen lossen. Deze stroming wordt het anarcho-kapitalisme genoemd. In de decennia sinds de jaren veertig van de vorige eeuw heeft het libertarisme steeds meer mensen weten te overtuigen en de argumenten zijn steeds verfijnder geworden.

Maar het libertarisme was niet de enige voortzetting van het klassiek liberalisme: ook de econoom van de Oostenrijkse school en filosoof (en Nobelprijswinnaar) Friedrich Hayek oefende een grote invloed op het denken uit ondanks zijn vaak wat cryptisch aandoende schrijfstijl. Interessant is dat Hayek van huis uit psycholoog was. Hij bekeek de economie dan ook vanuit het perspectief van de stromen van informatie en hoe de deelnemers aan het economische verkeer met die informatiestromen omgingen. Hij beargumenteerde dat de informatie die noodzakelijk is om de economie draaiende te houden veel eenvoudiger was dan veel economen aannamen en verspreid was in kleine ‘pakketjes’ over alle deelnemers. Door het marktmechanisme waren de deelnemers in staat om zich te specialiseren en zo een geavanceerdere economie op te zetten dan wanneer iedereen zou proberen zelf in het eigen bestaan te voorzien. Het marktmechanisme, betoogde Hayek, was veel effectiever in het laten samenwerken van de verschillende deelnemers dan planning door de staat ooit voor elkaar zou krijgen. De wetenschappelijke informatie van de planners zou nooit de informatie van de werkvloer volledig kunnen vervangen en het resultaat zou een minder effectieve arbeidsspecialisatie en dus een minderwaardige economie zijn. Anno 2004 is dit zelfs in de Volksrepubliek China volledig aanvaard en is het voor veel mensen moeilijk te geloven dat Hayek (en de hele Oostenrijkse school met hem) hier een radicaal en impopulair standpunt mee innam.

Een andere theorie van Hayek was er een die ook nu nog zeer omstreden is: die van de culturele groepselectie. Dit wil zeggen dat een bepaalde culturele groep door de arbeidsspecialisatie van nature een bepaalde samenhang heeft waardoor de individuen een deel van hun vrijheid verliezen. Dat is onvermijdelijk omdat de enorm grote mogelijkheden voor alternatief gedrag die er zonder regels zouden zijn samenwerking bijna onmogelijk zouden maken. Te denken valt aan basale zaken als tijd. Niemand van ons is vrij om zelf te bepalen hoe laat het is. Afspraken maken zou onmogelijk worden, de samenleving zou in chaos ontaarden.. Hetzelfde geldt ook voor taal en wiskunde: zaken waar eenheid in moet bestaan wil samenwerking mogelijk zijn. Maar ondertussen is wel de individuele vrijheid ingeperkt want we zijn immers niet vrij om zoiets fundamenteels als de tijdsindeling zelf te bepalen. Zulke culturele regels zijn volgens Hayek de basis voor de arbeidsspecialisatie en er is ook variatie per cultuur. Sommige culturen zullen regels hebben die een minder geavanceerdere arbeidsspecialisatie tot gevolg hebben dan andere. Die culturen zullen dan minder goed presteren en volgens Hayek zullen ze op den duur door de culturele tegenhanger van natuurlijke selectie ‘uitsterven’. Dat wil zeggen, de mensen zullen overstappen op nieuwe culturele regels en de oude afschaffen. De trend door de tijd heen is naar meer arbeidsspecialisatie en het pad van de geschiedenis ligt dan ook bezaaid met samenlevingen die door de beperkingen van hun cultuur niet meer mee konden komen.

Conflict libertarisme en evolutie?

Het laatste decennium is er dus de strijd binnen het libertarisme over het non-agressieprincipe waarvan overigens iedereen erkent dat het de basis is van effectieve samenwerking (en dus van specialisatie). Het moralistische kamp lijkt steeds meer onder vuur te liggen van het consequentialistische. Ongetwijfeld gruwen de moralististen van wat zij zullen zien als het “non-agressie: als het mij uitkomt” van de consequentialisten. Omgekeerd hebben de mensen die het libertarisme zien als handig hulpmiddel voor het verbeteren van de economie en de maatschappij een beetje een hekel gekregen aan wat zij zien als fundamentalistisch gedrag: het toepassen van het non-agressie principe op elke situatie zonder op de context te letten.

Maar waarom heeft die botsing nu plaats en wat zouden de achterliggende redenen kunnen zijn? Wel, het lijkt ondergetekende helemaal niet toevallig dat precies in de periode dat culturele evolutie taboe werd het klassiek liberalisme wegkwijnde. Dat gevoel wordt nog eens versterkt als we zien dat beide weer voorzichtig opkrabbelden na de tweede wereldoorlog om allebei gestaag te groeien zonder serieus genomen te worden door de intellectuele en politieke elite. Zou er een verband kunnen zijn of is dit puur toeval? De factor toeval wordt wel uitgeschakeld als we bedenken dat ten tijde van Locke ook het denken over de evolutie van menselijke samenlevingen serieus begon door de toename in antropologische en archeologische kennis. Het denken over de culturele evolutie bereikte haar hoogtepunt samen met het laissez-faire kapitalisme tijdens de Victoriaanse periode.

Duidelijk een verband maar wat is de logica erachter? Wat heel erg opvalt is dat beide sterk geïnspireerd worden door economische en maatschappelijke vooruitgang. Er is sprake van een toename in kennis, een toename in banen en economische vrijheid door een geavanceerdere arbeidsspecialisatie en een toename in persoonlijke vrijheid. Dat kan bijna niet anders dan leiden tot een optimistische kijk op de politiek en geschiedenis en pogingen om het succes te verklaren. In een tijd waarin het minder gaat zal zo’n optimistische kijk veel minder aanspreken. Men zal dan niet zo snel beweren dat er altijd sprake van vooruitgang volgens een bepaalde theorie zal zijn (wat de evolutietheorie overigens ook helemaal niet beweerd). Na de oorlog was er sprake van sterke economische groei en ook een grote toename van kennis over vooral de biologische aspecten van culturele evolutie maar nog wel getemperd door de koude oorlog. Na de val van de muur zien we ineens een ware explosie populair wetenschappelijke boeken over de evolutie van culturen en een grote toename van de interesse voor het libertarisme.

Dit heeft de bestaande spanning binnen het libertarisme verscherpt simpelweg omdat de maatschappelijke relevantie van de stroming is toegenomen. En er is ook een duidelijk verband met culturele evolutie: het idee van evolutie en vooral culturele groepselectie gaat op het oog zeer slecht samen met het idee van een vast en absoluut concept als het natuurrecht, geworteld in de door God gegeven menselijke natuur van Locke, dat nu de vorm van het non-agressie principe heeft aangenomen. Sterker nog ze lijken elkaar absoluut uit te sluiten: het opportunistische van de evolutie gaat niet samen met het morele van de religie. Dit lijkt een onoverbrugbare kloof en zou het einde kunnen betekenen van het libertarisme als eenduidige ideologie. Toch is het volgens mij mogelijk een brug te bouwen en wel via het zogenaamde utilitarisme: het maximaliseren van het opgetelde geluk of vrijheid van alle mensen. De morele dimensie is dan dat mensen als emotionele wezens een morele rechtvaardiging nodig hebben voor dingen die nuttig en goed voor ze zijn. En een recente studie van de experimentele economie heeft nu juist precies dit aangetoond: universeel menselijke (dus biologische) emoties spelen een belangrijke rol in uitwisseling van schaarse goederen tussen mensen. Er is dus sprake van dat emoties het biologische fundament zijn voor de arbeidsspecialisatie die aan de basis staat van vooruitgang.

We hebben de moralisten dus nodig, ze zijn onmisbaar. Maar dat kan niet betekenen dat we de realiteit van de imperfecte structuur van de samenleving en de culturele groepselectie over het hoofd kunnen zien. Juist die realiteit zal er altijd voor zorgen dat er dilemma’s ontstaan waarbij ‘vuile handen’ gemaakt moeten worden en er ‘hypocriet’ omgesprongen zal moeten worden met de moraliteit. Ook in de anarcho-kapitalistische samenleving die steeds realistischer wordt nu de natiestaat in de verzorgingsstaat haar Waterloo gevonden lijkt te hebben zullen morele dilemma’s blijven bestaan.

Maar misschien is er een oplossing in een oude en bijna vergeten doctrine uit de tijd van de Victorianen: de Whig versie van de geschiedenis (Whig –pruik- is het oude Engelse woord om klassiek liberalen aan te duiden). Deze geschiedschrijving documenteerde zorgvuldig de vooruitgang van de mensheid met een bemoedigend woordje hier en een bestraffende opmerking daar. Titels als “De Pelgrimstocht der Menschheid” waren heel normaal en vooruitgang werd algemeen als een morele plicht gezien. En dat is precies het utilitaire principe van het maximaliseren van de opgetelde vrijheid van alle mensen. Meer vooruitgang betekend meer vrijheid en is dus te beschouwen als een morele plicht. Het lijkt me dan ook niet toevallig dat Hayek zichzelf een Whig noemde.

Literatuur:

Voor de opkomst, ondergang en wedergeboorte van de culturele evolutie vanuit het perspectief van de antropologie zie:
Carneiro, R.L., 2003 Evolutionism in cultural anthropology. A critical history. Westview Press, Oxford.

De relatie tussen emotie en economische samenwerking vanuit het perspectief van de experimentele economie:
Sigmund, K., Fehr, E. & Nowak, M.A., 2002 ‘The economics of fair play.’ Scientific American vol. 286 (1), pp. 81-85.

Verwijzingen:

Links relevante artikelen Libertarian:

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Marc Bajema, topic: Libertarische Theorie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Jurgen schreef op : 1

    Utilitarianism als morele theorie vertoont net zulke grote gaten als de Natural Law Theory. Geluk en vrijheid zijn relatieve individuele waarden. Het is onmogelijk om geluk en vrijheid van verschillende personen bij elkaar op te tellen. Alle pogingen hiertoe zijn jammerlijk mislukt. (Voor een goede vergelijking van alle morele theorieen kan ik Moral Theory van Mark Timmons aanraden.)

    De enige theorie die naar mening alle kritiek kan doorstaan is Relativisme. Alle morele oordelen zijn alleen vanuit individueel perspectief te vellen. Maar absolute (universele) uitspraken bestaan niet. Dat brengt ons dus vanzelf bij het consequentialisme. Als je zelf geluk en vrijheid wilt bereiken, dan is het over het algemeen verstandig om de vrijheid van anderen te respecteren. Maar dat is niet meer dan een vrijwillige keuze, en geen universele moraal.

  2. René schreef op : 2

    Jurgen schrijft: “De enige theorie die naar mening alle kritiek kan doorstaan is Relativisme. Alle morele oordelen zijn alleen vanuit individueel perspectief te vellen. Maar absolute (universele) uitspraken bestaan niet.”

    Niet flauw bedoeld maar die laatste uitspraak die je doet is behoorlijk absoluut. Hoe weet je dat zo zeker?

    Jurgen schrijft: “Dat brengt ons dus vanzelf bij het consequentialisme. Als je zelf geluk en vrijheid wilt bereiken, dan is het over het algemeen verstandig om de vrijheid van anderen te respecteren. Maar dat is niet meer dan een vrijwillige keuze, en geen universele moraal.”

    Vind je dan dat bijvoorbeeld moord zonder reden en verkrachting moreel neutraal zijn?