maandag, 1 januari 2001
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Het recht om uit te sluiten

Het Hooggerechtshof van New Jersey zegt dat de padvinders homo’s als leiders moeten aanvaarden of anders zwaait er wat. De opvatting is dat homo’s dezelfde gelegenheid moeten hebben om zich bij de organisatie aan te sluiten als wie dan ook. Maar deze opvatting is in strijd met de vrije samenleving. Het woord vrijheid roept een beeld op van eindeloze mogelijkheden en kansen. Maar vrijheid betekent ook het recht om uit te sluiten omdat landeigenaren beslissen over toegangsproblemen. Er bestaat bijvoorbeeld geen recht om onuitgenodigd bij vreemden op een diner partijtje te komen. De huiseigenaar heeft het recht om op welke grond uit te nodigen of niet uit te nodigen. Net zo goed is er geen recht om in een privé organisatie in te dringen.

Toch wordt het recht om buiten te sluiten al tientallen jaren in de Amerikaanse wetgeving aangevallen. Het Hooggerechtshof van New Jersey definieerde de padvinders als een „openbare voorziening”, en op die wijze ondergeschikt aan de anti-discriminatiewet van New Jersey, die in ‘t bijzonder homo’s beschermt. Merk op dat er niets was dat de padvinders konden hebben doen om deze bijzondere aanduiding te vermijden anders dan er maar mee op te houden.

Maar deze aanduiding betekent dat de overheid beslist wie er van toegang uitgesloten kan worden, en wie niet, wat niet verschillend is van een huiseigenaar die gedwongen wordt om Kosovaarse vluchtelingen of een andere politiek bevoorrechte groep voor het avondeten uit te nodigen.

Het Hof zou kunnen reageren met te zeggen dat de padvinders het „publiek” dienen terwijl de huiseigenaar zichzelf dient. Maar er is niet zoiets als „het publiek”. Hotels en restaurants bieden niet zonder onderscheids des persoons diensten aan. Ze wijzen mensen af wanneer ze vol zitten, bijvoorbeeld, of ze sluiten personen uit wegens hun kleding of dronkenschap. Op deze gebieden is de vraag wie er bediend wordt (door een restaurant, winkelgalerij, verkavelaar, of welke dienstverlener dan ook) er een waarover besloten wordt door de eigenaren. Door sommige beslissingen te doorkruisen en andere niet oefent de overheid machtswillekeur uit. Kort gezegd had de verdedigende advocaat gelijk. „Dit is een zaak over het recht van de padvinders, als een private vrijwillige organisatie, om maatstaven voor zijn leden en voor de leiders aan te leggen.” In een vrije samenleving kunnen degenen die de regels niet bevallen, een andere groepering beginnen, maar niemand kan zich daarin binnendringen. Vrijheid was natuurlijk het laatste waar de rechters aan dachten: „De droeve waarheid is dat buitengesloten groepen en individuen weerhouden zijn van volledige deelname aan het maatschappelijke, economische en politieke leven van ons land. De menselijke prijs die deze kwezelarij kost is enorm. [ ] … Ondergeschiktheid aan de principes van gelijkheid vereist dat ons wetssysteem het slachtoffer beschermt tegen boosaardige discriminatie .”

Dit in een notendop is de basis van waaruit vrijheid en eigendom elke dag weer worden ondermijnd. Slachtofferen: als een groep verondersteld kleinburgerlijk vooroordeel kan aanvoeren, kan het bijzondere voorrechten verwerven die door de overheid verleend worden.
Gelijkheid: een idee dat meer toepasbaar is op meetkunde dan op mensen, wordt nu zo breed toegepast dat het elke andere overweging van het leven overstemt.
Discriminatie: een woord dat eens goed oordeel betekende, nu verdraait tot zonde.

Stel eens dat de padvinders hadden besloten om racisten buiten te sluiten als scout leiders. Zouden de grechtshoven hebben geïntervenieerd ten behoeve van het recht van een lid van de Ku Klux Klan om zich bij de padvinders aan te sluiten? Geen kans. Dit is niet een gelijke toepassing van de wet maar een die belangengroepen voortrekt die door de overheid worden goedgekeurd. Om die reden is er de verleiding de religieuze gronden te verdedigen waarop de padvinders homo’s buitensluiten. Maar of de situatie van homofiele leiders verenigbaar is met gezinswaarden is niet waar het echt om gaat. Het gaat er om of een privé organisatie het recht heeft om zijn eigen lidmaatschapsregels vast te stellen. Deze regels komen misschien wel of misschien niet overeen met maatschappelijke normen. Maar in een vrije samenleving hebben de Heidenen van Manhattan evenveel recht om de christenen uit te sluiten als de Milwaukee Bierdrinkers het recht hebben om geheelonthouders uit te sluiten. Het alternatief voor het uitsluitingsrecht, zoals de advocaat van de padvinders stelde, is de’totale staat’. Onder dat systeem wordt niemand een privé-ruimte toegestaan waar de staat niet binnen kan komen. Ironisch genoeg pleiten homogroepen – -die lang het recht eisten van privacy in de slaapkamer — er nu voor dat de overheid de deur intrapt van elke privé ruimte die hen niet verwelkomt.

Wat is het precedent voor deze inbreuk op eigendomsrechten? In 1948 sprak het Amerikaanse Hooggerechtshof zich uit over die reglementen die rasuitsluitingsgronden als beperking hadden. De rechters bevolen de staten, in het proces van Shelley tegen Kraemer, zulke regels niet af te dwingen, daar hen dit deelgenoot zou maken van handelingen die in strijd zijn met behoorlijk proces. Dat vormde de eerste kiezel op het hellende pad. Als vrijwillige contracten niet afgedwongen zouden kunnen worden vanwege de reden dat rechters er niet van houden, dan zijn er geen eigendomsrechten, geen recht op vrije vereniging, geen recht op contractsvrijheid. Laten we eens de woorden beschouwen die de aanleiding vormden voor een andere zaak die een keerpunt vormde: de overheid mag niet „het recht van welk persoon dan ook, beperken of verkorten, die zijn onroerend goed gedeeltelijk of in zijn geheel, rechtstreeks of indirect, wil of wenst te verkopen, te verpanden of te verhuren aan die persoon of personen die hij volgens zijn volstrekte bevoegdheid uitkiest.” Volkomen in de pas lopend met de kritiek die een vrije samenleving heeft, nietwaar? John Locke of Thomas Jefferson zouden alleen maar kunnen juichen. De woorden zijn ontleend aan een amendement in 1964 op de grondwet van Californië welke bij referendum met een twee tegen een meerderheid werd aangenomen. Maar in 1967 vernietigde het Amerikaanse Hooggrechtshof – om dezelfde redenen die het Hof van New Jersey aanvoerde tegen de padvinders.

Sindsdien heeft het recht van vrije vereniging veel tegenslagen ondervonden, beginnend met de Wet op de Burgerrechten, die bepaalde dat elke onderneming een openbare gelegenheid is waar de overheid zeggenschap over heeft, en verder gaand in een rechte lijn naar deze beslissing in New Jersey. Als een groep machtig genoeg is kan het de tirannen in zwarte gewaden de eigendomsrechten van iedereen aan de kant laten zetten.

Dit kan tot merkwaardige gevolgen leiden. Jongensscholen kunnen aangevallen worden wegens discriminatie maar meisjesscholen zijn in overeenstemming met de noodzaak voor verscheidenheid. Blanke clubs zijn ‘verboten’ maar zwarte clubs zijn een gezonde weerspiegeling van etnische trots. Christelijke scholen vormen vluchthavens van kwezelaars maar atheïstische scholen zijn essentieel voor pluralisme.

Nog merkwaardiger is het begrip „openbare gelegenheid”, een onfortuinlijke rest van het Engelse gewoonterecht. Maar het is een volledig willekeurige aanduiding. Alle eigendom is van iemand. Óf het is in eigendom van prive-eigenaren óf het is overheidseigendom. Het is juist dat de eigenaar het dan ook voor ‘t zeggen heeft.

Maar met ‘openbare gelegenheid’ hebben we een derde categorie: privé eigendom waar de overheid zeggenschap over heeft. De term-zelf is lijnrecht in strijd met het wettig regiem van een vrije samenleving. Dit gebruik overtreedt ook het dertiende amendement** op de Amerikaanse Grondwet daar eigenaren en hun werknemers gedwongen worden diegenen te bedienen aan wie zij geen diensten willen verlenen. Dat is de reden waarom libertariërs meer moeten doen dan de meest recente aanval op de padvindersin het tegendeel te doen verkeren. Ze moeten ook verzoeken om de lange wettelijke geschiedenis van overheidsinmenging in prive-aangelegnheden ongedaan te maken welke de zaak om de padvinders onvermijdelijk maakte.

* Llewellyn H. Rockwell Jr. is president van het Ludwig von Mises Institute in Auburn, Alabama.

** „Noch slavernij noch onvrijwillige dienstbaarheid, behalve als straf voor een misdaad waar de betreffende partij terecht de regels voor veroordeeld is, zal bestaan in de VS, of welke plaats dan ook binnen de jurisdictie van de VS.”

© 1999 WorldNetDaily.com, Inc.

Vertaling door J.O. Vrijhof.

Dit artikel verscheen eerder op: mvlogo-small.jpg
 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Llewellyn H. Rockwell Jr., topic: Multiculturalisme en Discriminatie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.