maandag, 1 januari 2001
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Karl Popper – All life is problem solving

Vrijheid = democratie?

De Oostenrijkse filosoof Karl Popper heeft op het gebied van de politieke filosofie vooral bekendheid verworven als criticus van het totalitaire gedachtegoed. In zijn onlangs verschenen essaybundel ‘all life is problem solving’ probeert Popper antwoord te geven op de vraag hoe de samenleving dan *wel* dient te worden ingericht.

Hoewel de totalitaire staat niet deugt, is onbeperkte vrijheid voor ieder individu volgens Popper eveneens onwenselijk. Popper redeneert als volgt: vrijheid betekent de vrijheid om alles te doen wat je wilt. Wie vrij is om alles te doen wat hij wil, is ook vrij om andere mensen van hun vrijheid te beroven. Ongelimiteerde vrijheid leidt dus tot slavernij; om de vrijheid te beschermen moet de vrijheid aan banden worden gelegd.
De vraag die Popper zich vervolgens stelt, luidt: wat voor inperkingen van de individuele vrijheid zijn noodzakelijk, en welke inperkingen gaan te ver? Aan welke criteria moet worden voldaan om te kunnen spreken van een vrije samenleving?

Popper komt met het volgende antwoord: “een staat is politiek vrij als de politieke instituties het de burgers in de praktijk mogelijk maakt om een overheid zonder bloedvergieten te vervangen wanneer een meerderheid een dergelijke verandering wenst.” De beste methode om dit te bereiken, aldus Popper, is het houden van vrije verkiezingen.

Volgens Popper’s criterium zijn alle inperkingen van de individuele vrijheid dus toegestaan, zolang de meerderheid maar accoord gaat. Vrijheid = democratie.
Met andere woorden: de enige reden waarom de slachtoffers van Hitler, Stalin, of Mao reden tot klagen hadden, was het feit dat er geen democratie heerste. Waren er netjes elke 4 jaar verkiezingen gehouden, en had 51% van de bevolking z’n instemming met deze regimes betuigd, dan hadden we volgens Popper’s criterium moeten spreken van ‘vrije samenlevingen’. En Popper geeft dit ook bijna expliciet toe met zijn stelling:
“het maakt niet uit wie regeert, zolang de regering maar zonder bloedvergieten kan worden verwijderd.”

Popper lijkt de onzinnigheid van zijn gelijkstelling van vrijheid aan democratie zelf ook te beseffen, want hij merkt op dat zijn theorie ‘een beetje grof’ is – prachtig understatement! – omdat er geen rekening wordt gehouden met ‘de bescherming van minderheden’. Maar de voor de hand liggende conclusie dat dit zijn theorie onbruikbaar maakt, weigert hij te trekken. Ook waarschuwt Popper tegen het gevaar van de ‘dictatuur van de meerderheid'; maar hoe een dergelijke waarschuwing te rijmen valt met Popper’s eigen definitie van een vrije samenleving, blijft volledig in het duister.

Waarom is Popper, fanatiek bestrijder van het totalitarisme, desondanks zo’n zwakke en inconsistente verdediger van de vrijheid? Een belangrijke oorzaak ligt waarschijnlijk in de definitie van vrijheid waar Popper van uitgaat. Volgens Popper’s Orwelliaanse definitie van vrijheid leven mensen in een staat van pure vrijheid als ze elkaar vrijelijk tot slaaf kunnen maken: vrijheid = slavernij. Voor Popper is dat een reden om de vrijheid aan banden te leggen. Maar omdat hij geen antwoord heeft op de vraag tot hoever de vrijheid dan wel aan banden mag worden gelegd, wordt principiele kritiek op tyranniek overheidsoptreden onmogelijk. Kritiek kan altijd worden afgedaan met de woorden: ‘jawel, deze maatregel betekent inderdaad een beperking van de individuele vrijheid, maar dat is nu eenmaal noodzakelijk: absolute vrijheid leidt immers tot slavernij.’ Popper’s definitie van vrijheid komt als een boemerang terug; een betere definitie van vrijheid kunnen machtsbeluste politici zich onmogelijk wensen.

Had Popper de definitie van vrijheid gehanteerd die door de meer consistente en radicale denkers van het klassieke liberalisme werd gebruikt, dan zouden deze problemen niet zijn opgetreden. Wanneer vrijheid wordt gedefinieerd als de vrijheid van een ieder om vrijelijk over zichzelf en de vruchten van zijn arbeid te beschikken, dan valt de innerlijke contradictie weg. De vrijheid van de een betekent in dat geval niet meer de slavernij van de ander, maar juist de vrijheid van de ander: als iedereen de vrijheid heeft om over zijn eigen lichaam en eigendommen te beschikken, dan volgt daar automatisch uit dat niemand de vrijheid heeft om inbreuk te maken op andermans lichaam en eigendommen. Popper’s oorspronkelijke reden om de vrijheid te beperken vervalt daarmee.

Op dat moment kunnen alle overheden die inbreuk maken op de individuele vrijheid op principiele gronden worden bestreden, en niet meer met het slappe verwijt: ‘eerst verkiezingen houden alvorens door te gaan met deze onderdrukkingspraktijken!’. Consequentie van een dergelijke definitie van vrijheid is natuurlijk wel dat dan niet alleen verre dictaturen worden ontmaskerd als vijanden van de vrijheid, maar ook de moderne democratische staten, gezien de eindeloze hoeveelheid wetten en reguleringen waarmee die inbreuk maken op de vrijheid van een ieder om naar eigen goeddunken over eigen lichaam en eigendommen te beschikken.

De meer principiele denkers onder de klassiek liberalen schrokken voor een dergelijke radicale kritiek op de moderne democratische staat niet terug, maar voor Popper is dit duidelijk een brug te ver.
Het is opmerkelijk dat Popper, die zichzelf expliciet in de liberale traditie plaatst, klaarblijkelijk nauwelijks kennis heeft genomen van het gedachtegoed van zijn voorgangers. Nergens blijkt dat Popper op de hoogte is van de ideeen van klassiek liberalen als Herbert Spencer of Frederic Bastiat, laat staan van twintigste-eeuwse denkers als Robert Nozick, Ayn Rand of Murray Rothbard. Maar de grondleggers van het totalitarisme – Plato, Hegel, Marx en hun vele volgelingen – zijn in de boeken van Popper alomtegenwoordig. Het heeft er alle schijn van dat Popper het te druk heeft gehad met het bestuderen en weerleggen van de onzin die zijn politieke tegenstanders hebben uitgekraamd, om zich ook nog te kunnen verdiepen in filosofen van wie hij *wel* wat had kunnen opsteken.

Wie geinteresseerd is in een kritiek op totalitaire politieke stromingen, is bij Popper aan het juiste adres; maar wie geinteresseerd is in een verdediging van de vrijheid, zal zijn heil elders moeten zoeken.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Bart Croughs, topic: Minarchisme, Recensies
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. VrijeSmoel schreef op : 1

    Wat een geleuter ! Essentieel is de vraag hoe je aan je eigendommen bent gekomen ! Bijvoorbeeld een computerprogramma of een idee. Dat heb je wellicht gestolen (creatief ingepikt) of unfair afgedwongen, en met behulp van de overheid (pattent) tot je eigendom gemaakt. Alleen door de regeltjes die de samenleving oplegt, kunnen mensen rijk zijn en rijkdom handhaven. Wie moet joun vrijheid beschermen ? Joun verhaal gaat over passieve vrijheid: ik heb het recht om te zijn en te hebben. Maar om iets te hebben, meer dan anderen, moet je veroveren en beschermen en dat betekent: anderen de vrijheid (tot eigendom) ontnemen. Zo is dat nu eenmaal en met geleuter verander je dat niet. Leuke libertariaanse theorien gaan uit van een onbeperkte mogelijkheid tot eigendom. Iedereen die maar wilt, kan plukken en pakken. Dat is een mooie droom die niets met de realiteit van doen heeft.

  2. Floris Naaijkens schreef op : 2

    Minstens één ding onder ogen houden: er worden meer nieuwe dingen, zaken, producten, gedachten, diensten gemaakt dan dat er onderhouden hoeven te worden in een moderne economie.

    Eenieder plukt dus meer vruchten van de arbeid/onderneming van elke dag, dan dat er beschermd hoeft te worden.

    De eigendommen die je hebt, spaargeld, huis, tv, auto, geschreven boeken, zijn in principe van het idividu, en slechts in een minderheid aan gevallen is het nodig deze te beschermen.

    Daarvoor kan men beter niet de staat (politie) gebruiken, maar beter een private beveiligingsdienst of verzekeringsmaatschappij.

    Dit geldt voor ons allen. En ja, bij conflicten (ideëen pikken, eigendommen stelen) hebben we een onafhankelijke mediatieve partij nodig, bijvoorbeeld de staat/rechter.

    Te beginnen met redeneren over wat we hebben, en hoe we er aan kwamen is de redenering van 130 jaar socialisme. Diezelfde periode hebben we mogen zien dat het voornamelijk dient te gaan over de /nieuwe/ productie en niet over het reservoir aan productie uit het verleden: liever gaat het over koeken bakken dan over te verdelen koeken….

    Zelfs de armsten onder ons zijn meer geld kwijt aan de staat dan aan ‘de rijke’ die op slinkse wijze geld weet te ‘ontfutselen’. En zelfs dán nog zijn wij allen rijker geworden dan welke niet kapitalistische systemen op aarde ook.

    De essentie, meneer!

    groeten,
    floris.