dinsdag, 18 maart 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Wetenschap, Ratio en Politiek


De politieke besluitvorming in Nederland en in andere westerse landen betreft in steeds grotere mate onderwerpen met een technische of wetenschappelijke achtergrond. Politici en beleidsmakers zijn daarbij geheel afhankelijk van de berichtgeving over resultaten van wetenschappelijk onderzoek en vooral over de interpretatie daarvan. Hierbij doen zich verschillende problemen voor. In de eerste plaats is de wetenschappelijke wereld in haar berichtgeving vaak onvoldoende eenduidig. Verder schiet de interpretatie door de media dikwijls ernstig tekort. In de derde plaats spelen in de politiek vele niet-rationele argumenten vaak een doorslaggevende rol.

HOE OBJECTIEF IS DE WETENSCHAP?

Binnen elke tak van wetenschap zijn gebieden aan te wijzen waarover alle vakmensen het eens zijn, maar dit betreft meestal onderzoeksresultaten die minstens enige tientallen jaren oud zijn. Op de meer actuele onderzoeksterreinen ligt dat echter heel anders. De discussie is daar nog volop in beweging en wordt voortdurend gevoed door nieuwe onderzoeksresultaten. Ook ontstaan er van tijd tot tijd nieuwe theorieën. Het gevolg is dat er van een algemene opinie in de actuele wetenschap geen sprake kan zijn. Doordat de wetenschap spreekt met een veelheid van stemmen, worden de interpretatie en de communicatie naar de samenleving erg moeilijk.

De wetenschappelijke wereld maakt zich verder nogal eens schuldig aan het niet objectief weergeven van de resultaten van onderzoek. Dat kan verschillende redenen hebben. Het ligt voor de hand om te denken dat de resultaten van onderzoek dat gefinancierd wordt door industriële ondernemingen in principe niet objectief kan zijn. Dit is mijns inziens verreweg het minst ernstige probleem. Industriële onderzoekers worden meestal betaald om de waarheid zo goed mogelijk te doorgronden. Gebrek aan objectiviteit is veeleer te verwachten bij universitair onderzoek. Dat komt doordat universitaire onderzoekers tegenwoordig steeds meer gedreven worden door de individuele behoefte aan faam. Er is een ware ‘ratrace’ ontstaan om toch vooral veel en snel te publiceren. De financiering van het onderzoek kan daarvan afhankelijk zijn. Daardoor wordt zoveel mogelijk aan de weg getimmerd en worden voorlopige resultaten vaak te vroeg gepubliceerd. Dit komt het wetenschappelijk gehalte van publicaties niet ten goede.

Een weinig onderkend gevaar zit in het blindelings geloven in het nut van het ‘peer reviewing-systeem’. Dit is het systeem dat voorschrijft dat wetenschappelijke publicaties anoniem worden bekritiseerd door vakgenoten, alvorens ze worden gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. De kritiek wordt gerapporteerd aan de schrijvers, die deze al of niet in hun artikelen verwerken. Hoewel er ontegenzeggelijk voordelen zijn aan dit systeem, vooral wat betreft de toetsing van de methodologie en de continuïteit van onderzoek binnen een beperkt vakgebied, is er ook een belangrijk nadeel, dat onvoldoende wordt onderkend. Zelf heb ik dit pas ingezien na jaren betrokken te zijn geweest bij het peer reviewing-systeem. Ik zou dit het gevaar van ‘inteelt’ willen noemen, waardoor men in de kring van specialisten collectief oogkleppen ontwikkelt en zich daarbij niet zelden wentelt in zelfgenoegzaamheid. Het gevaar daarvan is dat men op den duur niet meer twijfelt aan de paradigma’s die ten grondslag liggen aan de ingeburgerde wetenschappelijke methode. Nieuwkomers met originele en controversiële ideeën krijgen daardoor minder kans dan leden van het wetenschappelijke establishment. Vooral op congressen van specialisten wordt dit gevoel van collectieve voortreffelijkheid versterkt. Dit verschijnsel doet zich in meer of mindere mate voor in allerlei takken van wetenschap. Het interessante is, dat het dikwijls juist wetenschappers van buiten die kringen van specialisten zijn, die uiteindelijk het geloof in de geldende paradigma’s doorprikken. Dit zijn meestal personen met een bredere wetenschappelijke visie, die niet thuis horen in het gespecialiseerde peer reviewing-circuit. De eerste reactie van het wetenschappelijke establishment bestaat nogal eens uit het belachelijk maken van deze ‘dissidenten’. Uiteindelijk krijgen deze dikwijls toch gelijk.

Peer reviewing wordt ook toegepast bij beoordeling van subsidie-aanvragen voor het onderzoek dat gefinancierd wordt door NWO. Dit is het zogenaamde het ‘tweede geldstroom-onderzoek’, dat een aanzienlijk deel uitmaakt van het universitaire onderzoek. Hoewel deze beoordelingen als regel zorgvuldig worden uitgevoerd, is hier ook het gevaar van ‘inteelt’ aanwezig. De consequenties zijn hier echter veel groter dan bij de beoordeling van publicaties voor tijdschriften. Een belangrijk deel van het wetenschappelijk onderzoek vindt plaats in overheidsinstituten, waarvan sommige een duidelijke missie hebben (zoals het RIVM, KNMI, ECN, KEMA enz.). Deze kunnen opdrachten van de overheid uitvoeren en adviezen aan de regering geven. Hieraan kleven in principe wel twee bezwaren, die vaak niet voldoende worden onderkend: de overheid kan te eenzijdig worden voorgelicht, waarbij opvattingen van bepaalde wetenschappelijke stromingen onderbelicht blijven en er kan een ongewenste terugkoppeling ontstaan tussen politiek en wetenschap, doordat deze door de overheid wordt gefinancierd.

Maar ook in de universiteiten zijn wetenschappers voor de financiering van hun onderzoek in veel gevallen afhankelijk van overheidssubsidies. Deze worden toegekend door overheidsdiensten die vallen onder ministeries, die op hun beurt weer door politici worden bestuurd. Het feit dat de politiek een invloed heeft op de richting van wetenschappelijk onderzoek houdt mijns inziens het gevaar in dat het wetenschappelijk bedrijf niet voldoende kritisch is en op den duur gaat dienen om de reeds ingenomen standpunten van de politici te onderbouwen.

We zien dit vooral bij ‘maatschappelijk relevant’ onderzoek. Hierbij doet zich ook nog een apart interpretatieprobleem voor. Dit soort onderzoek is vrijwel altijd ‘multidisciplinair’, dat wil zeggen dat onderzoeksresultaten uit verschillende vakgebieden moeten worden gecombineerd, terwijl er op het geïntegreerde wetenschapsgebied geen erkende deskundigen zijn. Daardoor zijn er nogal eens verschillende interpretaties mogelijk, wat soms leidt tot scherpe polarisatie van meningen.

Soms wordt de noodzaak van inbreng van deskundigen uit bepaalde vakgebieden over het hoofd gezien. Later kunnen deze de voorlopige conclusies geheel op hun kop zetten. Helaas vinden vele onvoldoend gefundeerde conclusies snel hun weg naar de media. Dit geldt in sterke mate voor onderzoek naar milieubelasting, klimaatverandering en gezondheid. Het gevolg is dat allerlei twijfelachtige opvattingen op deze gebieden via de media snel wijd verbreid worden.

DE WETENSCHAP EN DE MEDIA

De weg van de wetenschap naar de politiek gaat voor een belangrijk deel via de media, want de media bepalen voor een belangrijk deel de publieke opinie. Uit de krant kan je de indruk krijgen dat wij in Nederland een geweldig respect hebben voor de wetenschap. Men beseft echter vaak te weinig hoe controversieel ‘de wetenschap’ is. Hoe vaak lezen wij niet in de krant: ‘Uit recent wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat…’, waarna een conclusie volgt. Deze wordt al gauw algemeen voor waar aangenomen. Zo’n conclusie is echter meestal erg voorlopig of geldt alleen onder zeer bepaalde omstandigheden. Verder staat er meestal niet bij of de conclusie betrekking heeft op een gevonden oorzakelijk verband dan wel op een empirische correlatie. In het laatste geval kan later blijken dat de gevonden correlatie niet significant of zelfs toevallig was en het gevolg van een te klein aantal metingen. Andere onderzoeken op hetzelfde gebied waaruit andere conclusies volgen halen de krant lang niet altijd.

Van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek komt maar een klein deel onder de ogen van de media, die daarvan weer een klein deel bespreken. Het is onvermijdelijk dat zij daarbij een selectie toepassen. Bovendien hebben de media niet altijd voldoende deskundigheid om een en ander goed te interpreteren. Weliswaar hebben steeds meer kranten goede wetenschapsjournalisten, maar deze kunnen onmogelijk de gehele wetenschap overzien. Bovendien hebben ze, merkwaardig genoeg, vaak betrekkelijk weinig invloed op de algemene opinie en op de politiek.

Wij zien dus dat er op de weg van de wetenschap naar de politiek nogal wat obstakels zijn. Allereerst zendt ‘de wetenschap’ een veelheid van onduidelijke en dubbelzinnige signalen uit, maar deze worden dan weer verder gezeefd en vervormd door de media. Wat uiteindelijk bij de politici terechtkomt heeft soms weinig meer te maken met de werkelijke stand van de wetenschap.

DE RATIO IN DE OPENBARE DISCUSSIE

Men zou verwachten dat in een hoog ontwikkelde democratie de besluitvorming allereerst gebaseerd wordt op rationele gronden. In het ideale geval zou men bij een te nemen politieke beslissing de voor- en nadelen van een bepaald voorstel op objectieve manier tegen elkaar moeten afwegen. In veel gevallen zijn zulke voor- en nadelen goed kwantificeerbaar. Wetenschappelijke gegevens kunnen hierbij een belangrijke bron van informatie zijn. Wanneer men vindt dat de voordelen van een bepaald voorstel voldoende opwegen tegen de nadelen, kan men een besluit nemen om het voorstel over te nemen en een daarop gebaseerde maatregel in te voeren. Dit heeft twee pluspunten: het is voor iedereen duidelijk wat de voordelen zijn, terwijl men ook de eventuele nadelen goed op een rijtje heeft staan. Men kan dan aanvullende maatregelen nemen om nadelige gevolgen daarvan te beperken.

In feite gebeurt dit echter zelden. De besluitvorming in de politiek wordt meer gebaseerd op de openbare discussie zoals die wordt gevoerd en weergegeven in de media. Deze is vaak verre van rationeel. Verschillende partijen hebben meestal al bij voorbaat hetzij voor, hetzij tegen het voorstel gekozen. Er ontstaat zo vanaf het begin een vrij scherpe polarisatie. De ene partij volstaat dikwijls met het hameren op één opvallend voordeel en negeert de nadelen, terwijl de andere partij alleen aandacht vraagt voor de nadelen. Daarbij wordt er nogal eens met morele normen geschermd, die altijd kwalitatief zijn en waaraan meestal geen prijskaartje hangt. De voorstemmers gaan er dan van uit dat hun voorstel in principe goed is. In het geval dat zij in de meerderheid zijn, ontstaat de situatie dat hun standpunt als ‘goed’ wordt gezien, en dat van de oppositie als ‘slecht’. Op den duur gaat de meerderheid zichzelf als ‘goed’ en de oppositie als ‘slecht’ beschouwen.

In veel gevallen worden wel degelijk resultaten van wetenschappelijk onderzoek gebruikt in de discussie. Maar dan zie je toch dat opinies soms zwaarder wegen dan feiten. Opinies behoeven niet op feiten gebaseerd te zijn, terwijl feiten vaak worden gezien als opinies van lieden die verborgen motieven hebben. Wij zien dan ook nogal eens dat de politieke discussie over werkelijk belangrijke maatschappelijke aangelegenheden voor een groot deel gaat over volstrekt onwezenlijke zaken, waar de ratio ver te zoeken is.

POLITIEKE CORRECTHEID EN POLITIEKE MODE

Sinds de laatste drie decennia is het begrip ‘politieke correctheid’ in zwang gekomen. Het interessante is dat dit oorspronkelijk een positieve connotatie had, terwijl het tegenwoordig ook in een uitgesproken negatieve connotatie wordt gebruikt. Er was een tijd, vooral in de jaren ’70, dat politieke correctheid haast als een soort ideaal werd beschouwd. Een bepaald politiek standpunt dat ooit door een meerderheid was ingenomen was op den duur gemeengoed geworden. Men behoorde daar niet meer aan te twijfelen. Hoewel men dit niet graag hoorde, was er een opvallende overeenkomst met de situatie in de communistische landen uit die tijd. Het verschil was alleen dat het officiële standpunt daar door de staat werd verkondigd, terwijl de burgers in stilte daartegen protesteerden. In het Westen was de situatie in feite ernstiger: het ‘officieel’ aanvaarde standpunt was vrijwillig gekozen en de censuur was ook vrijwillig. Zo was er in steeds meer gevallen sprake van een ‘politieke mode’, die de regels voorschreef waarover niet meer gesproken ‘mocht’ worden. Deed iemand dit toch, dan werd hij in brede kringen doodgezwegen.

Niet iedereen is zich hiervan voldoende bewust. Toch zijn er belangrijke voorbeelden te noemen van politieke besluiten die voornamelijk waren gebaseerd op wat in die periode ‘politiek correct’ werd gevonden. Ik noem enkele voorbeelden: de afschaffing van de kleuterscholen, de fusies van scholen van voortgezet onderwijs, de universitaire bestuurshervorming van 1971. Dit waren allemaal maatregelen tegen beter weten in. Op meer technisch gebied: de beperking van de ammoniak-emissie door de veeteelt, het omzetten van productieve landbouwgrond in wildernis, de tolpoorten en de kilometerheffing, de hogesnelheidslijn door het ‘hart van Holland’, de politiek ten aanzien van het vermeende broeikaseffect, de subsidie van windmolens, de invoering van fictieve ‘groene stroom’. De eventuele schade die door ammoniak wordt veroorzaakt, beperkt zich tot een zekere aantasting van een klein aantal natuurgebieden, de kosten van de ammoniakreductie zijn voor de veeteelt catastrofaal. Wegen de nadelen hier op tegen de voordelen? Het omzetten van landbouwgrond in wildernis is leuk voor sommige natuurliefhebbers, maar hebben we aan het prijskaartje gedacht? De tolpoorten en de kilometerheffing waren beide gebaseerd op de aantoonbaar onjuiste veronderstelling dat de fileproblemen konden worden opgelost door het autorijden duurder te maken. De hogesnelheidslijn door het hart van Holland was op geen enkele manier economisch te verantwoorden. Het broeikaseffect lijkt dreigend voor wie de cijfers niet kent. In feite gaat het hier om een hypothese gebaseerd op een groot aantal onzekere en soms onwaarschijnlijke veronderstellingen. De financiële consequenties reiken echter zeer ver. Elektrische stroom opgewekt door windmolens is vele malen duurder dan op basis van brandstoffen en de nadelen zijn aanzienlijk. Het milieuvoordeel (beperking van een mogelijke temperatuurstijging vanwege minder CO2-uitstoot) is volledig verwaarloosbaar. Het verbranden van biomassa is duurder en veroorzaakt meer CO2-uitstoot (per opgewekte kWh) dan het verbranden van gas of olie. Het hele idee van ‘groene stroom’ verliest daardoor zijn betekenis. Het zou overigens logischer zijn om de elektriciteit opgewekt op basis van traditionele brandstoffen (en biomassa) ‘groen’ te noemen, omdat de vrijkomende CO2 de plantengroei bevordert. Wanneer men van dergelijke politieke controverses de voor- en nadelen rationeel en kwantitatief had afgewogen, zouden er waarschijnlijk heel andere beslissingen zijn genomen.

POLITIEKE BESLUITVORMING

Politieke besluitvorming is in Nederland (en elders) een buitengewoon ingewikkeld proces en daardoor vrij ondoorzichtig voor de burger. Er bestaat een aantal gebruiken en werkwijzen die de openheid en rationaliteit van de politieke besluitvorming ernstig in de weg staat.

Wanneer een bepaald voorstel in de Tweede Kamer komt, vindt er in het algemeen geen goede weging plaats van voor- en nadelen. Meestal wordt een voorstel maar door één lid van elke fractie (de ‘woordvoerder’ betreffende dat onderwerp) grondig bestudeerd. Na brainstorming in fractiecommissies vindt overleg plaats in de betreffende kamercommissie tussen de woordvoerders van de verschillende fracties. Deze vergaderingen zijn in principe wel openbaar, maar ze maken geen deel uit van een werkelijke publieke discussie. De woordvoerder van een bepaalde fractie komt tot een conclusie die dan in veel gevallen door zijn gehele fractie wordt overgenomen. Als er over een belangrijk voorstel in de Kamer een beslissing wordt genomen, kan het gebeuren dat deze wordt bepaald door de standpunten van slechts enkele kamerleden. En deze kunnen hun standpunt gebaseerd hebben op irrationele overwegingen, op eenzijdig geloof in de ‘goedheid’ van het betreffende voorstel of op overwegingen van politieke correctheid. Het gevolg daarvan is dan dat de discussie in de Tweede Kamer dikwijls overheerst wordt door irrationele overwegingen en dat zakelijke argumenten niet serieus worden genomen.

Het belangrijkste bezwaar is dat een openbare discussie, waarbij alle voor- en nadelen in beschouwing worden genomen, nergens plaatsvindt. Het algemene publiek wordt zo buiten een wezenlijke discussie gehouden.

WETENSCHAP, RATIO EN POLITIEK

Veel wetenschappers klagen terecht over de onvoldoende inbreng van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek bij de politieke besluitvorming. Dit wordt allereerst veroorzaakt door de gebrekkige berichtgeving over onderzoeksresultaten en door onvolledige of onjuiste interpretatie daarvan. Ik meen echter dat het gebrek aan rationaliteit in de publieke en politieke discussies het werkelijke achterliggende probleem is. Zolang dit gebrek aan rationaliteit in het denken zo wijd verspreid is, is er weinig hoop dat de effectiviteit van een wetenschappelijke inbreng in de politiek kan worden verbeterd.

Het is niet eenvoudig hier iets aan te doen. We kunnen slechts hopen dat er langzamerhand een zekere bewustwording op dit gebied plaatsvindt.

Prof.dr.ir. D. Thoenes is emeritus hoogleraar chemische technologie aan de Technische Universiteit Eindhoven.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Dick Thoenes, topic: Technologie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Eric Legdeur schreef op : 1

    Geachte heer Thoenes,

    Ik vind het een geweldig artikel, en een zeer goede bijdrage aan Libertarian. In uw conculsie/samenvatting ontbreekt echter naar mijn mening vermelding van het feit dat door de tegenstrijdige infomatie die door de wetenschap wordt afgegeven (zoals u aangeeft aan het begin van het artikel) de wetenschap door de politiek zowel als door het algeme publiek niet meer wordt gezien als onafhankelijk en instrument van de rationaliteit. Hierdoor worden wetenschappelijke argumenten minder serieus genomen en in de besluitvorming ‘meegewogen’ in plaats van als belangrijkste argumentatie gezien. Dit is naar mijn mening tevens een belangrijke reden voor het ontbreken van rationaliteit in de politieke besluitvorming. Een ander algemeen probleem is het ontbreken van voldoende opleiding in rationaliteit voor het algemene publiek. De modale burger weet weinig of niets van wetenschap, techniek of rationaliteit en kan vaak zelfs de meest basale statistische gegevens niet interpreteren. De afgenomen populariteit en kwaliteit van wetenschappelijke en technische opleidingen in Nederland is in dit verband des te zorgwekkender. Niet goed opgeleide burgers vallen gemakkelijker ten prooi aan irrationele retoriek en zie daar de belangrijkste reden voor slechte politiek.

    Ik steun uw streven naar een betere bewustwording van het gebrek aan rationaliteit in de politiek van harte.

    Met vriendelijke groet,

    Eric Legdeur
    Amsterdam

  2. D.Thoenes schreef op : 2

    Geachte heer Legdeur,
    Nadat ik twee maanden in het buitenland was lees ik nu uw reactie waar ik het helemaal me eens ben.
    Dat de wetenschap met “meerdere tongen spreekt” is inherent aan de wetenschap zelf. De bewering van sommige politici dat er onder wetenschappers “algemene consensus” zou zijn over een actueel probleem (bijv. global warming) is altijd onjuist. Hoe weet je dan als burger of politicus wat juist is? Naar mijn mening is er maar een oplossing mogelijk: Benoem een commissie van bijv. vier vooraanstaande ervaren wetenschappers die geen van allen specialist zijn op het onderhavige terrein, maar die allen breed georienteerd zijn in de wetenschap. Bij voorkeur moeten twee daarvan voor een bepaalde theorie zijn en twee ertegen. Laat hen alle argumenten voor en tegen op een rijtje zetten en laat ze als een commissie tot een genuanceerd oordeel komen. Als we dat met het klimaatprobleem hadden gedaan, in plaats van te luisteren naar het verpolitiekte IPCC, dan was er een heel ander regeringsbeleid uit gekomen.
    Inderdaad weet de modale burger weinig af van wetenschap, weinig van statistiek en vooral weinig van logisch denken. Wij hebben in Nederland de laatste dertig jaar willens en wetens het onderwijs op al deze terreinen afgebroken. De meeste mensen, inclusief politici, vinden logisch denken overbodig. Je moet wel standpunten hebben, maar die hoeven niet gefundeerd te zijn. Als je het maar voelt dan is het genoeg. Redelijke discussie is ook niet nodig, de meerderheid heeft immers per definitie gelijk.
    Vriendelijke groeten
    Dick Thoenes