maandag, 28 april 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Een vleiende visie


Gevaren voor een maatschappij kunnen dodelijk zijn, ook als zij niet acuut zijn. Eén zo’n gevaar is de dominante visie van onze tijd- en het dogmatisme waarmee de ideeën, de aannames, en de houdingen van die visie aangehangen worden.

Het is niet dat deze visie uitzonderlijk slecht of uitzonderlijk incorrect is. Mensen maken fouten en begaan zonden sinds het begin van de mensheid. Er speelde meer bij de grote catastrofes in de geschiedenis. Er was typisch een additioneel ingrediënt dat cruciaal bleek: een methode die feedback van de realiteit tegenging, waardoor een gevaarlijke koers blindelings voortgezet kon worden tot aan een fatale afloop. Grote delen van het Europese continent werden verwoest in de Tweede Wereld Oorlog omdat het totalitaire regime van de Nazi’s geen mogelijkheid gaf aan diegenen, die de zelfvernietigende gevolgen van Hitlers politiek voorzagen, om deze politiek te veranderen of zelfs maar te beïnvloeden. Ook in eerdere perioden voorzagen veel individuen de zelfvernietiging van hun eigen beschavingen, vanaf het Romeinse rijk tot aan de perioden van Spaanse, Ottomaanse en andere rijken. Toch was dit onvoldoende om af te wijken van de koers die naar ruïnering leidde. Vandaag de dag is de dominante sociale visie, ondanks de vrijheid van pers en de massamedia, gevaarlijk dichtbij zich zelf af te sluiten van enige afwijkende feedback van de realiteit.

Zelfs wanneer de behandeling van beleidsvraagstukken de uiterlijke vorm aanneemt van argumentatie, zijn de conclusies vaak vooraf bepaald door de aannames en definities inherent aan de specifieke kijk op maatschappelijke processen. Verschillende visies hebben natuurlijk verschillende aannames, waardoor het niet ongewoon is dat mensen met verschillende visies tegenovergestelde meningen hebben op een reeks van ongerelateerde onderwerpen, zoals justitie, buitenlandse zaken, milieu, anti-discriminatiebeleid, defensie, onderwijs, en ga zo maar door. In een opmerkelijk groot deel van de gevallen wordt echter geen empirisch bewijs vooraf gezocht of, nadat een beleid eenmaal onderweg is, naderhand geraadpleegd. Feiten worden aangevoerd voor een reeds ingenomen positie, maar dat is heel wat anders dan het systematisch testen van tegengestelde theorieën aan de hand van bewijzen. Monumentale vraagstukken worden in essentie benaderd als een strijd tussen visies.

De nadruk zal hier [in Sowells boek: The Vision of the Annointed: Self-Congratulation as a Basis for Social Policy] liggen op een specifieke visie-de visie dominant onder de intellectuele en politieke elite van onze tijd. Belangrijk aan deze visie zijn niet slechts de specifieke aannames en de gevolgtrekkingen daaruit, maar ook het feit dat het een dominante visie is-hetgeen betekent dat de aannames ervan door zo veel mensen als gegeven worden beschouwd, inclusief door de zogenaamde ‘intellectuelen’, dat in het algemeen noch de aannames, noch de gevolgtrekkingen geconfronteerd worden met de eis empirisch bewezen te worden. Integendeel, empirisch bewijs kan zelfs als verdacht beschouwd worden voor zover het inconsistent is met de visie.

Afwijkende bewijzen kunnen afgedaan worden als alleenstaande onregelmatigheden, of als iets dat selectief gekozen is door tegenstanders, of het kan ad hoc ‘wegverklaard’ worden met behulp van een theorie waarvoor geen enkel empirische onderbouwing bestaat -afgezien dan van het feit dat de ad hoc theorie zich zelf kan handhaven en acceptatie wint omdat deze consistent is met de overlappende visie. Voorbeelden van dergelijke tactieken zijn talrijk in de hoofdstukken die volgen. Wat eerst aan de orde moet komen zijn de redenen achter deze tactieken; waarom is het dermate belangrijk om in een bepaalde visie te geloven dat bewijs dat het tegendeel waar is, genegeerd, onderdrukt, of ongeloofwaardig gemaakt moet worden-feitelijk: waarom zoekt men niet de realiteit maar een visie? Wat biedt de visie dat de realiteit niet biedt?

Wat een visie kan bieden, en wat de dominante visie van onze tijd inderdaad met nadruk biedt, is een speciale status van deugdzaamheid voor diegenen die erin geloven. Degenen die de visie accepteren worden niet slechts als feitelijk correct beschouwd, maar als moreel superieur. Anders gezegd, degenen die het oneens zijn met de dominante visie zijn niet slechts incorrect, ze zondigen. Vanuit het perspectief van degenen met deze visie van de wereld discussiëren de ‘gezalfden’ en de ‘onwetenden’ niet op eenzelfde niveau van moraliteit, noch hanteren zij dezelfde koude regels van logica en bewijs. De onwetenden moeten ‘bewust’ gemaakt worden, hun ‘geweten’ moet verbeterd worden, en de wens wordt uitgesproken dat ze als mens zullen ‘groeien’. Mochten de onwetenden echter recalcitrant blijken, dan moet hun ‘slechtheid’ bevochten worden en moeten de ‘ware redenen’ achter hun argumenten en handelingen ontmaskerd worden. Hoewel verbale modes veranderen, is dit beeld van de uiteenlopende rechtschapenheid van de gezalfden en de onwetenden de laatste 200 jaar niet fundamenteel gewijzigd.

Het gaat hier niet slechts om discussietactieken. Mensen zijn zelden oprechter dan wanneer zij hun eigen morele superioriteit aannemen. Noch zijn zulke houdingen inherent aan polemiek als zodanig. Een aantal zeer sterke polemisten stelden dat hun opponenten goede bedoelingen hadden en zelfs intelligent waren-maar gevaarlijk incorrect op het betreffende discussiepunt. Sommigen ‘kunnen de slechtste dingen doen zonder de slechtste der mensen te zijn’, zei Edmund Burke in de 18e eeuw. Op dezelfde wijze zei Malthus toen hij een populaire visie van zijn tijd aanviel, waarvan William Godwin en Condorcet pleitvaders waren:

Ik kan niet twijfelen aan de talenten van mensen als Godwin en Condorcet. En ik ben niet bereid te twijfelen aan hun oprechtheid.

Evenwel was Godwins antwoord van een geheel andere aard. Hij noemde Malthus ‘boosaardig’, betwijfelde ‘de menselijkheid van de man’ en zei ‘ik beken niet in staat te zijn me voor te kunnen stellen van wat voor aarde deze man gemaakt is.’

Hier was meer aan de hand dan een verschil in persoonlijke polemische stijl. De asymmetrie in argumenten weerspiegelt een asymmetrie in visies die door de eeuwen heen bestaan heeft. Toen Friedrich Hayeks The Road to Serfdom de verzorgingsstaat en het socialisme aanviel in 1944, karakteriseerde hij zijn tegenstanders als ‘doelzekere idealisten’ en ‘auteurs wiens oprechtheid en onbaatzuchtigheid onder geen enkele verdenking staan,’ maar zijn eigen boek werd behandeld als iets immoreels, dat sommige Amerikaanse uitgevers weigerde te publiceren ondanks het reeds aangetoonde impact ervan in Engeland. Evenzo stelde een boek uit 1993 dat zeer kritisch was over progressieve sociale beleidsmaatregelen, dat de voorstanders van deze maatregelen mensen waren die ‘wilden helpen’ vanuit ‘fatsoenlijke en gulle motieven’, ongeacht dat de conclusie van het boek was dat het netto resultaat van de maatregelen was dat ‘de armen in hun armoede bleven steken.’ Ter vergelijking, een bestseller uit 1992 geschreven door een voorstander van precies zulke sociale beleidsmaatregelen claimde ‘conservatieven kan het eigenlijk niet schelen of zwarte Amerikanen gelukkig of ongelukkig zijn’. Deze demonisering van tegenstanders van de visie is niet beperkt tot de VS of tot etnische vraagstukken. De eminente Franse schrijver Jean-François Revel, die tegen veel aspecten van de dominante visie stelling genomen heeft, vertelt dat hij behandeld wordt, zelfs in een sociale setting, als iemand met ‘residuele sporen van homo sapiens.’

Een hedendaagse schrijver vatte de verschillen tussen diegenen met de visie van de gezalfden-politiek links-en anderen als volgt samen:

Ben je het oneens met iemand van rechts dan vindt hij je waarschijnlijk stompzinnig, incorrect, dwaas, bedwelmd. Ben je het oneens met iemand van links dan vindt hij je eerder egoïstisch, een afvallige, ongevoelig, mogelijk kwaadwillig.

De hedendaagse gezalfden en degenen die hen volgen slaan zich zelf bijvoorbeeld op de borst over hun ‘medeleven’ voor achterstandsgroepen, hun ‘bezorgdheid’ over het milieu, en over het feit dat ze ‘anti-oorlog’ zijn-alsof dit kenmerken zijn die hen onderscheidt van mensen met een tegengestelde kijk op het beleid. Alleen al het idee dat een tegenstander van de dominante visie, zoals Milton Friedman bijvoorbeeld, net zoveel medeleven voor de armen en achterstandsgroepen heeft, en net zo verschrikt is van vervuiling, of verafschuwd door het lijden en de slachtingen onder miljoenen onschuldigen als gevolg van oorlog-zo’n idee zou een zeer afwijkende noot zijn in de visie van de gezalfden. Als zo’n idee geaccepteerd zou worden, dan zou dit betekenen dat tegenargumenten over sociaal beleid ingegeven zouden zijn door methodiek, kansrekeningen, en empirisch bewijs-en omdat medeleven zich aan beide kanten van het debat zou vinden, zou het verdwijnen als relevante onderscheidende factor daarin. Dat is zeker niet de visie van de gezalfden. Eén reden voor de handhaving en afscherming van een visie is dat deze onlosmakelijk verbonden is met de ego’s van degenen die erin geloven. Ondanks Hamlets waarschuwing tegen zelfverheerlijking, is de visie van de gezalfden niet simpelweg een visie van de wereld en de causale verbanden daarin, maar ook een visie van henzelf en hun morele rol in die wereld. Het is een visie van onderscheidende rechtschapenheid. Het is geen visie van de tragedie van de menselijke toestand: problemen bestaan omdat anderen niet zo wijs of zo deugdzaam zijn als de gezalfden.

De grote ideologische kruistochten van de intellectuelen van de 20e eeuw gingen over een enorm spectrum aan uiteenlopende gebieden: van de eugenetica-beweging van de eerste decennia van de 20e eeuw tot de milieubeweging van de latere decennia, om maar niet te spreken van thema’s als de verzorgingsstaat, socialisme, communisme, Keynesianisme, en medische, nucleaire, en automobiele veiligheid. Wat al deze uiteenlopende kruistochten gemeen hebben is de morele verheffing van de gezalfden boven anderen, wiens afwijkende standpunten moesten verdwijnen en vervangen moesten worden door de visie van de gezalfden middels de machtige arm van de overheid. Ondanks de grote verscheidenheid aan gebieden waarover in de 20e eeuw de kruistochten van de intellectuelen zich afspeelden zijn er een aantal vaak terugkerende kenmerken aan te wijzen:

1. Beweringen van een groot gevaar voor de hele maatschappij, waar de massa’s blind voor zijn.

2. Een urgente noodzaak voor actie om de komende ramp te voorkomen.

3. Een noodzaak voor de overheid om drastisch het gevaarlijke gedrag van velen in te perken, om te voldoen aan de wijze, vooruitziende blik van weinigen.

4. Een minachtende afwenteling van tegenargumenten als zijnde ongeïnformeerd, onverantwoordelijk, of gemotiveerd door onwaardige doelen.

Specifieke argumenten over specifieke onderwerpen komen in de volgende hoofdstukken aan de orde, maar deze hoeven ons hier nog even niet bezig te houden. Wat opmerkelijk is, is hoe weinig argumenten daadwerkelijk aangedragen worden, en hoeveel substituten voor argumenten er bestaan. Deze substituten voor argumenten zijn, haast per definitie, het best beschikbaar voor aanhangers van de dominante visie wiens aannames zo wijdverspreid geaccepteerd worden dat conclusies gebaseerd erop ermee door kunnen zonder verder onderzoek.

De dominante visie van onze tijd is reeds lange tijd toe aan een kritische revaluatie-of in veel gevallen, aan een eerste evaluatie. De visie doordrenkt de media en de academische wereld in zo’n grote mate, en heeft zoveel terrein gewonnen in religieuze kringen, dat velen volwassen worden zonder te weten dat er een andere manier is waarop de zaken bekeken worden, of dat bewijs relevant kan zijn om de grandioze aannames van de zogenaamde ‘intellectuelen’ te checken. Veel van deze ‘intellectuelen’ kunnen beter beschreven worden als ‘gearticuleerden’, als mensen wiens verbale vlugheid ontsnapt aan zowel bewijs als logica. Dit kan een fataal talent zijn wanneer het de cruciale afscherming ten opzichte van de realiteit levert die ten grondslag ligt aan vele historische catastrofes.

Ondanks de kracht van de dominante visie zijn sommigen in staat gebleken zich eraan te onttrekken. De meeste van de leidende hedendaagse tegenstanders van de dominante visie bevonden zich ooit in zijn invloedsfeer. Milton Friedman, Friedrich Hayek, Karl Popper, Edward Banfield, Irving Kristol, Norman Podhoretz-de lijst gaat maar door-deelden eens de aannames van degenen met wie ze uiteindelijk zo fundamenteel zouden verschillen. Zelfs in de alledaagse politiek was de meest prominente en succesvolle tegenstander van de dominante visie, Ronald Reagan, ooit in dermate deel van de visie dat hij behoorde tot de progressieve organisatie Americans for Democratic Action.

Weinigen hebben zich dus hun hele leven buiten de visie van de gezalfden bevonden, en bijna niemand is er niet op een of andere manier door beïnvloed. Het begrijpen van die visie, de huidige impact ervan en de toekomstige gevaren, is het doel van dit boek [The Vision of the Annointed: Self-Congratulation as a Basis for Social Policy].

Thomas Sowell

(Oorspronkelijke titel: Flattering Unction, hoofdstuk 1 uit Thomas Sowells boek The Vision of the Annointed: Self-Congratulation as a Basis for Social Policy. Vertaling door Peter van Maanen, eindnoten met literatuurverwijzingen zijn weglaten.)

Zie ook www.tsowell.com

Dit artikel verscheen eerder op: mvlogo-small.jpg
 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Thomas Sowell, topic: Libertarische Theorie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.