maandag, 7 juli 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Opkomst en ondergang van beschavingen


Elke beschaving in de geschiedenis heeft hetzelfde patroon gevolgd. In het begin rees en floreerde de beschaving te midden van vrijheid en armoede. Telkens ontstond er een vorm van overheid om de maatschappij te besturen, maar dankzij een algemeen gebrek aan goederen bleef de overheid klein en verleende diensten om de orde te handhaven. De drang om zich te verheffen boven de armoede was altijd onderdeel van de menselijke natuur en die drang betekende tevens de ondergang van diezelfde mens, hoewel het zijn omstandigheden verbeterde en zijn horizon verbreedde. Zodra er een algemene voorspoed heerst wordt de passie voor de macht ontketent en het politieke etablissement verandert geheel van karakter. Het schuift op van een beschermend naar een roofachtig instituut. Het heft belastingen en hoe meer de algemene economie groeit hoe hoger deze belastingen, altijd natuurlijk om het ‘algemeen nut’ te dienen. Zo was het in de tijd van de Romeinen en zo is het nu.

De algemene welvaart wordt niet verbeterd door verhoogde belastingen, integendeel, de beschavingsgroei wordt vertraagd in gelijke mate als de lastenverhoging en wanneer het een punt bereikt van productieontmoediging, draait de beschavingsparabool onherroepelijk naar beneden.

Om terug te keren naar de eerste principes moet het doel van productievermeerdering de consumptie zijn. Mensen werken om aan hun verlangens te voldoen en om niets anders. Men wil niet werken, maar men wil tevredenheid. De weerzin tegen arbeid is er in zo’n mate, dat telkens arbeidsbesparende apparaten worden ontwikkeld. En hoe meer arbeid men bespaart, hoe meer arbeid men steekt in het tevredenstellen van de nieuwe verlangens, die, gezien vanuit de menselijke geest, onuitputtelijk blijken. Wanneer echter de resultaten van hun arbeid worden weggenomen en wanneer de vooruitzichten op bezit en vreugde beperkt worden dan verliest men de interesse om te produceren. Waarom zou je werken als er niets uit voortkomt? Deze ongeïnteresseerdheid in productie is het gevolg van bezitsonzekerheid, welke weer het gevolg is van roversbenden en belastinginspecteurs. De naam of het uniform van de bezitsontnemer maakt geen verschil met betrekking tot degene, die zijn bezit kwijt raakt. Hij ziet geen enkel punt om zijn situatie te verbeteren en zijn horizon te verbreden, want zijn enige interesse is nog in overleven. Dit is een beschaving in ondergang.

Wanneer de overheid wordt geconfronteerd met deze omstandigheden, zal het dan zaken af gaan stoten? Nee, dat doet het niet. Het algemene gebrek aan interesse om te produceren bedreigt wel het eigen bestaan, maar het kan zichzelf niet afscheiden van de innerlijke drang naar macht. Het gaat dwang gebruiken om wetten, regels, controles en verplichtingen op te leggen, zodat de samenleving een slavenarbeidskamp wordt. De productie van zo’n economie, gebaseerd op dwang in plaats van op eigen lotsverbetering, is zeer mager. Belangrijker dan het gebrek aan productie is de slavenpsychologie, die zo’n samenleving creëert. Men verliest de capaciteit om zichzelf te verbeteren tezamen met het gevoel voor eigenwaarde. Hierdoor desintegreert de beschaving en wordt een historische en archeologische curiosa. De overheid stort natuurlijk tezamen ineen met de beschaving.

We zien nu hetzelfde, met betrekking tot het grote huidige enthousiasme voor ‘sociale zekerheid’. Iedereen lijkt erop gebrand om dit vluchtig begrip te bevatten, onwetend van het feit dat het niet binnen ons bereik ligt, omdat het eenvoudigweg niet bestaat. Er is niet zoiets als ‘sociale zekerheid’, het is een fata morgana voortkomende uit een diepgeworteld menselijk verlangen naar “iets-voor-niets”. De overheid, die leeft en bloeit op de uitoefening van de macht houdt dit geloof in het gouden kalf natuurlijk in stand, zodat het ongehinderd de goedgelovige aanbidders ervan van hun bezit en hun waardigheid kan beroven. Men heeft niet veel kennis nodig om zich te realiseren, dat wat uit de overheidsschatkist komt moet worden verdiend. Maar het denken is weggevallen door de waanzin die over ons heen is gekomen. De nationale passie is om uitkeringen te krijgen en het maakt niet uit hoeveel het kost. Aan vrijheid, die een vorm van zelfstandigheid verlangt, is een groot tekort. Waarom zou men ervoor strijden?

De gewone mens, wiens primaire doel is om te overleven, is niet in staat om in debat te gaan met een goedgeefse overheid, hij wil dit het liefst op zijn beloop laten. Zelfs mensen met getalenteerde capaciteiten zijn zeer gewillig om hun eigenwaarde hieraan op te offeren. De ondernemer, wiens bedrijf niet zou kunnen bestaan zonder overheidsleningen of -contracten zal zich gemakkelijk schikken in overheidsregels. Zolang de regering rentes op obligaties betaalt zal de bankier geen enkel probleem met welke overheidsinterventie dan ook. De boer zal ook niet klagen over de lastige overheidsagent, die hem een subsidie geeft en de hoogleraar, die leeft van een overheidssalaris of -toelage zal altijd prijzende boeken schrijven over de uitdelende staat.

Dit is een uittreksel uit het artikel: The Income Tax: Root of all Evil, hoofdstuk 11 For Freedom’s Sake van Frank Chodorov in 1954 van het Ludwig von Mises Institute in Auburn Alabama. Frank Chodorov (1887-1966) was directeur van de Devin Adair Company.

Vertaling door Albert Spits.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Frank Chodorov, topic: Libertarische Theorie, Sociale Zekerheid en Verzorgingsstaat
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. luc schoofs schreef op : 1

    Waarom breekt er dan geen libertarische revolutie uit ? Zelf werk ik dag na dag aan de verbreiding van het libertarisch ideaal.
    Vreemd is de grote onbekendheid in Belgiƫ van de idee, ondanks de veelzijdige aanwezigheid van de libertarische denktanks CNE,
    Turgo, Molinari, Stockholm Network e.a. Het burgermanifest van
    Verhofstad is een uitzondering, maar wordt hem aangemeten als een soort jeugdzonde. Ik werd al eens uitgenodigd voor een lezing bij Molinari en CNE. Opvallend aan de denktanken is de gelatenheid waarmee zij ,vanaf de zijlijn, alles overschouwen.
    Ik vermoed ook dat er zeker tekort aan sponsoring is ontstaan.
    Als we in de zakenwereld de absolute “free trade” kunnen doorduwen, aldus het politiek aparatski afschudden, zou er meer ruimte zijn voor financiĆ«le steun om het libertarisch gedachtengoed in leven te houden voor het nageslacht.