woensdag, 1 april 2009
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

DE ZEGEN VAN VERNIETIGING.

 

DE ZEGEN VAN VERNIETIGING.

 

We hebben het hoofdstuk met de gebroken ruit beëindigd. Een elementaire denkfout. Om het even wie, zou men denken, zou het na een paar ogenblikken erover nagedacht te hebben kunnen vermijden. Maar toch is de denkfout met betrekking tot de gebroken ruit, onder honderd vermommingen, het meest blijvend in de geschiedenis van economie. Het is meer ongebreideld nu dan ooit in het verleden. Het wordt opnieuw elke dag plechtstatig bevestigd door grootindustriëlen, door Kamers van Koophandel, door de leiders van de vakbonden, door redactieschrijvers en krantenkroniekschrijvers en radio – en televisiecommentators, door geleerde statistici die de meest geraffineerde technieken gebruiken en door professoren in de economie op onze beste universiteiten. Op verschillende manieren weidden zij over de voordelen van vernietiging uit.

Hoewel sommigen van hen geringschattend zouden zeggen dat het netto voordeel uit kleine handelingen van vernietiging gering is, zien zij een bijna eindeloos voordeel dat te behalen valt uit enorme handelingen van vernietiging. Zij vertellen ons hoeveel beter we het economisch hebben in oorlogstijd dan in vredestijd. Zij zien „wonderen van productie”, waar een oorlog voor nodig is, om dit te bereiken. En zij zien een wereld die welvarender wordt gemaakt door de “geaccumuleerde” of de „gesteunde” enorme vraag. In Europa, na de tweede wereldoorlog, telden zij vreugdevol de huizen, de gehele steden die met de grond gelijk waren gemaakt en die „moesten worden vervangen.”

In Amerika telden zij de huizen die tijdens de oorlog konden worden gebouwd, de nylonkousen die niet konden worden geleverd, de versleten auto’s en de banden, de verouderde radio’s en de ijskasten niet. Alles tezamen zijn dit formidabele bedragen.

Het was slechts onze oude vriend, de denkfout van de gebroken ruit, in een nieuw jasje, en buiten alle porties van erkenning gegroeid. Dit keer werd het ondersteund door een gehele bundel van verwante denkfouten. Het verwarde behoefte met vraag. Hoe meer de oorlog vernietigt, des te meer verarmt het land, des te groter is de naoorlogse behoefte. Ongetwijfeld. Maar behoefte is geen vraag. De efficiënte economische vraag vereist niet slechts behoefte maar overeenkomstige koopkracht. De behoeften van India nu zijn onvergelijkbaar groter dan de behoeften van Amerika. Maar de koopkracht en daardoor de „nieuwe zaken” die het kan bevorderen, is onvergelijkbaar kleiner.

Maar als wij aan dit punt voorbij gaan, zien wij een kans om een andere denkfout te belichten en de denkfout van de gebroken ruit grijpt het zoals gewoonlijk. Zij denken aan „koopkracht” slechts in termen van geld. Geld wordt afgedrukt door een drukpers. Op het moment dat dit boek wordt geschreven, is het drukken van geld, in feite, de grootste industrie ter wereld – als het product volgens monetaire termen wordt gemeten. Maar hoe meer geld op deze wijze in omloop wordt gebracht, des te meer zal de geldswaarde van om het even welke bepaalde eenheid dalen. Deze dalende waarde kan aan de hand van stijgende prijzen van goederen worden gemeten. Maar aangezien de meeste mensen zo standvastig in hun denkpatroon aan rijkdom en inkomen in termen van geld zijn, vinden zij dat zij beter af zijn omdat deze monetaire totalen toenemen, ondanks het feit dat in termen van goederen zij minder bezitten en minder kunnen kopen. De meeste „goede” economische resultaten die de mensen destijds toeschreven aan de tweede wereldoorlog, waren in werkelijkheid het gevolg van inflatie tijdens de oorlogstijd. Zij konden dat geweest zijn, en waren, indien zij ook geproduceerd zouden zijn met een gelijkwaardige inflatie in vredestijd. Wij zullen later op deze geldillusie terugkomen.

Nu is er een halve waarheid in de denkfout van de „gesteunde” vraag, zoals ook in de denkfout van de gebroken ruit zat.

De vernietiging van huizen en steden leverden meer zaken op voor de bouw – en constructiebedrijven. Het onvermogen om auto’s, radio’s, en ijskasten tijdens de oorlog te produceren bewerkstelligde een cumulatieve naoorlogse vraag naar deze bepaalde producten.

Voor de meeste mensen leek dit een verhoging van de totale vraag, aangezien het gedeeltelijk in dollars met een lagere koopkracht was. Maar wat hoofdzakelijk plaatsvond was een afleidingsmanoeuvre van de vraag naar deze bepaalde producten door anderen. De inwoners van Europa bouwden meer nieuwe huizen dan anders, omdat zij wel moesten. Maar toen zij meer huizen bouwden hadden zij veel minder arbeidskrachten en productieve capaciteit over om het maken van andere goederen te realiseren. Toen zij huizen kochten hielden zij veel minder koopkracht over voor iets anders. Waar de handel in één richting werden verhoogd, werd het (behalve voor zover het productieve arbeidsvermogen uit een oogmerk van behoefte en urgentie werden bevorderd) navenant verminderd in de andere.

De oorlog, in het kort, veranderde de naoorlogse richting van inspanning; het veranderde de balans van de industrieën; het veranderde de structuur van de industrie.

Nadat de tweede wereldoorlog in Europa eindigde, was er een snelle en zelfs spectaculaire „economische groei” zowel in landen die door de oorlog waren verwoest en landen die dat niet waren. Enkele landen waarin de grootste vernietiging, zoals Duitsland, had plaatsgevonden zijn sneller vooruitgegaan dan anderen, zoals Frankrijk, waarin veel minder was vernietigd. Voor een deel was dit omdat Duitsland een gezonder economisch beleid volgde. Voor een deel was het omdat de wanhopige behoefte om naar normale huisvesting en betere levensomstandigheden terug te keren, verhoogde inspanningen bevorderden. Maar dit betekent niet dat de vernietiging van een eigendom van een persoon een voordeel is voor diegene wiens eigendom is vernietigd. Geen mens steekt zijn eigen huis in brand gebaseerd op de theorie dat de behoefte om te herbouwen zijn werkkracht zal bevorderen.

Na een oorlog is er normaal een stimulatie van arbeidsvermogen voor een tijd. Aan het begin van het beroemde derde hoofdstuk van zijn boek de Geschiedenis van Engeland, wees Macaulay erop dat:

Geen gewoon ongeluk, geen gewoon wanbeleid, zal genoeg zijn om een natie armzalig te maken, omdat de constante vooruitgang van fysieke kennis en de constante inspanning van elk mens om zichzelf te verbeteren een natie welvarend zal maken.

Men heeft vaak geconstateerd dat kwistige uitgaven, zware belastingheffing, absurde commerciële beperking, corrupte rechtbanken, rampzalige oorlogen, oproer, vervolgingen, branden, overstromingen, geen kapitaal zo snel hebben kunnen vernietigen als de inspanningen van privé burgers het hebben kunnen creëren.

Geen mens wil dat zijn eigen bezit wordt vernietigd ongeacht of er oorlog of vrede heerst. Wat voor een individu schadelijk of rampzalig is, zal voor verzameling van individuen, die een natie uitmaken, even schadelijk of rampzalig zijn.

Veel van de frequentste denkfouten in het economische redeneren komen nu voort uit duidelijke neiging, om vooral in termen van een abstractie – het collectief, de „natie” te denken, – en de individuen te vergeten of te negeren die er deel van uitmaken en het een betekenis geven.

Niemand kon bedenken dat de vernietiging door oorlog een economisch voordeel was, als deze eerst en vooral aan de mensen had gedacht van wie het bezit werd vernietigd.

Zij die denken dat de vernietiging door oorlog de totale „vraag” verhoogt vergeten dat vraag en aanbod enkel twee kanten van het zelfde muntstuk zijn. Zij zijn het zelfde ding bekeken van verschillende richtingen. Aanbod leidt tot vraag omdat het in feite vraag is. Aanbod van goederen is alles dat mensen, in feite, hebben gemaakt om ze in ruil aan te bieden voor goederen die zij willen hebben. In deze betekenis vormt het aanbod van de landbouwers van tarwe hun vraag naar auto’s en andere goederen. Dit alles is inherent aan de moderne arbeidsverdeling en aan een uitwisselingseconomie.

Dit fundamentele feit, het is waar, is voor de meeste mensen (met inbegrip van sommige naar men zegt briljante economen) onduidelijk, door dergelijke complicaties zoals loonbetalingen en de indirecte vorm waarin vrijwel alle moderne uitwisselingen door middel van geld worden gedaan.

John Stuart Mill en andere klassieke schrijvers, hoewel zij er soms niet in slaagden om voldoende rekening met de complexe gevolgen als gevolg van het gebruik van geld te houden, keken minstens door de „monetaire sluier” naar de onderliggende werkelijkheid heen. In die mate waren zij veel van hun huidige critici vooruit, die door geld eerder worden verward dan er door worden geïnstrueerd. Zuivere inflatie – dat betekent, de zuivere uitgifte van meer geld, met het gevolg van hogere lonen en prijzen – ziet er uit als de creatie van meer vraag. Maar in termen van de daadwerkelijke productie en de uitwisseling van echte goederen is dat het niet.

Het zou duidelijk moeten zijn dat de echte koopkracht in de zelfde mate wordt tenietgedaan als de productiviteit. Wij moeten ons op dit punt door de gevolgen van prijsstijgingen door monetaire inflatie of stijging van het „nationale inkomen” in monetaire termen niet laten bedriegen of verwarren.

Men zegt soms dat de Duitsers of de Japanners een naoorlogs voordeel boven de Amerikanen hadden, omdat hun oude installaties die volledig door bommen tijdens de oorlog waren vernietigd, nu door de modernste installaties en apparatuur konden worden vervangen en zo efficiënter en tegen lagere kosten dan de Amerikanen met hun oudere- en halfverouderde installaties en apparatuur konden produceren. Maar als dit werkelijk een duidelijk netto voordeel was, konden Amerikanen het gemakkelijk compenseren door onmiddellijk hun oude installaties te slopen, en al de oude apparatuur te dumpen. In feite, konden alle fabrikanten in alle landen al hun oude installaties en apparatuur elk jaar afdanken en nieuwe installaties bouwen en nieuwe apparatuur installeren.

De eenvoudige waarheid is dat er een optimale koers voor vervanging is, en de beste tijd daarvoor. Het zou slechts een voordeel voor een fabrikant zijn dat zijn fabriek en apparatuur door bommen wordt vernietigd, op het moment dat zijn installatie en apparatuur zo verouderd en daardoor onproductief waren, of dat zijn installatie en apparatuur al een ongeldige of negatieve waarde hadden verworven en de bommen net vielen toen hij juist opdracht had gegeven om alles te slopen om nieuwe apparatuur en installatie te kunnen plaatsen.

Het is waar dat waardevermindering en veroudering, als deze waarden niet voldoende in zijn boeken weerspiegeld zijn, de vernietiging van zijn bezit, per saldo, minder rampzalig lijkt te zijn.

Het is ook waar dat het bestaan van nieuwe installaties en apparatuur het in onbruik raken van oudere installaties en apparatuur versnelt. Als de eigenaars van de oudere installatie en de apparatuur proberen het langer in gebruik te houden dan de periode waarover het hun winst zou maximaliseren, dan zullen de fabrikanten van die installaties en de apparatuur die werden vernietigd (als wij veronderstellen dat zij zowel de wil als het kapitaal hadden om deze met nieuwe installaties en apparatuur te vervangen) een vergelijkbaar voordeel oogsten of, om het nauwkeuriger te stellen, zullen zij hun vergelijkbare verlies verminderen.

Wij kunnen kortom concluderen dat het nooit een voordeel is dat zijn installaties door bommen worden vernietigd tenzij die installaties al waardeloos waren of door waardevermindering of veroudering een negatieve waarde hadden. In deze bespreking, hebben wij bovendien tot dusver een centrale overweging weggelaten. Installaties en apparatuur kunnen niet door een individu (of een socialistische overheid) worden vervangen zonder dat hij of zij het door het verwerven van besparingen, de kapitaalaccumulatie, het benodigde geld hadden, om vervangingen te kunnen doen. Maar oorlog vernietigt geaccumuleerd kapitaal.

Er kunnen terecht compenserende factoren zijn. Technologische ontdekkingen tijdens een oorlog gedaan kunnen een voorsprong bewerkstelligen waardoor, bijvoorbeeld, individuele of nationale productiviteit op een zeker punt wordt verhoogd, en er kan uiteindelijk een netto toename van de algemene productiviteit plaatsvinden. De naoorlogse vraag zal nooit het nauwkeurige patroon van de vooroorlogse vraag reproduceren. Maar dergelijke complicaties zouden ons niet van het erkennen van de basiswaarheid moeten afleiden, namelijk dat de gewelddadige vernietiging van om het even wat voor echte waarde altijd een netto verlies, een ongeluk, of een ramp is, en dat de compenserende overwegingen in een bepaalde situatie, per saldo, nooit een voorspoed of een zegen kan zijn.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Henry Hazlitt vertaling: LvG, topic: Economie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. nachtwaker schreef op : 1

    ik denk dat het goed is om de schade van overheidsinterventie te berekenen -en zichtbaar te maken voor iedereen ..

    vooral de “ondergrondse” kosten/schades die politici voor lief nemen na overheidsinterventie
    bv.

    uitwijkgedrag
    underground economics
    smokkel
    kapitaalvlucht
    verplaatsing
    braindrain
    bedrijfs-emigratie etc.

    neem nou die vliegtax .. deze denkfout werd redelijk openbaar gemaakt met die schades

    uitwijkgedrag consumenten naar buitenlandse vliegvelden
    verplaatsing (dreiging) o.a. ryanair uit eindhoven te vertrekken
    winstderving -of zelfs verlies voor vliegvelden in NL
    gedwongen ontslagen voor vliegvelden in NL
    buitenlandse inversteerders gaan vliegtax (negatief voor NL) afwegen
    meer milieu-vervuiling door vervoer naar buitenlandse vliegvelden , etc , etc
    ONwetendheid:
    door dit alles zo nauwkeurig te berekenen (in euro schades) en openbaar te maken ,blijft er weinig over van die “zegens” , aangezien de ONwetendheid is opgeheven ( kosten / baten)
    vliegtax :
    de “volks”vertegenwoordiging ??… 300 milj v/d staat versus 1.300 milj schade voor burgers!

    DE 2e kamer der partij , politiek -en staatsbelangkamer is “onze volks vertegenwoordiging”!

    eerst belasting betalen om de (3e)wereldmarkt kapot te maken , (landbouwsubsidies importheffingen) om daarna belasting te betalen voor (niet werkende )ontwikkelings”hulp”

    DE ZEGEN VAN VERNIETIGING door overheidsinterventie komt voort uit deels ONwetenheid

  2. Ed schreef op : 2

    Ik ben op zoek naar de persoon die nu bezig is met de vertaling van Economics in One Lesson. Ik ben daar nl ook mee bezig en heb al ruim de helft van het boek in het Nederlands. Schrijf me svp op: verborgenadres@gmail.com

  3. simon schreef op : 3

    Dit werk van Hazlitt is niet erg origineel, ‘t is nagenoeg gecopieert van Frédéric Bastiat’s ‘What is Seen and What is Not Seen’. (al voor 1850!)

    Dat is dus wat er vertaalt zou moeten worden…

    Ed [4] reageerde op deze reactie.

  4. Ed schreef op : 4

    @simon [3]:
    Ik begrijp je opmerking niet helemaal Simon. Uiteraard is Bastiat zijn werk de voorloper van Economics in One Lesson. Als je Hazlitt zijn boek leest zal dat er ook heel duidelijk in vermeld staan. Het enige probleem is dat Bastiat twee eeuwen terug leefde en dat Hazlitt’s werk veel beter te plaatsen is in deze tijd van “Big Government”. Om die reden is het een zeer belangrijk boek dat vertaald moet worden (en bekend moet worden) onder een breed Nederlands publiek. Mijn vertaling zal overigens zonder meer Bastiat zijn beroemde artikel bevatten.

  5. simon schreef op : 5

    Ik vind Bastiat ook in 2009 (ondanks wat archaïsch taalgebruik en verwijzigen naar franse politici uit die tijd) nog uitstekend te begrijpen….en overtuigend.

    Waarom het werk van een volgeling als basis nemen als je direct de bron van zijn wijsheid kunt aanboren?

    (dus inclusief economic sophisms)

  6. Ed schreef op : 6

    @simon [5]:
    Simon, ik zou zeggen pak je woordenboek erbij en begin met vertalen van Bastiat zijn werk, als je tenminste ervan overtuigd bent dat het nemen van ‘de basis’ voor een vertaling belangrijker is dan een immens populair boek als Economics in One Lesson. Bovendien, het is wel erg makkelijk om hier opmerkingen te plaatsen over Hazlitt’s inspiratiebron (zie alle verwijzingen in zijn boeken) en dus op zich ook niet echt origineel zijn.

  7. simon schreef op : 7

    Veel succes met je boek.

  8. Henry schreef op : 8

    Heel veel libertarische artikelen zijn niet origineel. Maar dat geeft niet. Als je een bekend iets op een goede manier weet uit te leggen, op je eigen manier, is dat toch heel zinnig. En succes zit hem in de herhaling! Hoe vaak we de libertarische/vrije markt boodschap brengen, hoe beter.

  9. Peter schreef op : 9

    Een ander onderbelicht punt is dat de decennia na de tweede wereldoorlog gekenmerkt werden door demografische meewind.

    Dat wordt nu een jaar of 30 tegenwind …