zaterdag, 18 juni 2005
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De anti-held als alarmbel voor onze vrijheid


Het is een onbetwist axioma dat de mens een redelijk dier is: hij verricht handelingen om een doel te bereiken waardoor hij meent beter af te zullen zijn. Voor het bereiken van dat doel wendt hij zijn middelen aan: zijn eigendommen en zijn capaciteiten.

Een ander mens is óók een redelijk dier dat óók middelen aanwendt om een doel te bereiken. Het impliciete inzicht om zelf een redelijk wezen te zijn houdt in dat dit ook voor anderen moet gelden. Men mag een ander dus niet de gelegenheid ontnemen naar eigen oordeel te handelen. Doet men dat wel, en wijzigt men zonder toestemming van de ander de aard van diens middelen (eigendommen en capaciteiten), dan pleegt men agressie en is er sprake van een onrechtmatige daad.

In nagenoeg alle ethische theorieën is het begrip ‘immoreel’ aanzienlijk ruimer dan het begrip ‘onrechtmatig’. Dan rijst er een probleem: terwijl.onrechtmatige handelingen mogen worden verhinderd met gebruikmaking van (rechtmatige) agressie, mogen rechtmatige immorele daden niet verhinderd worden. Maar omdat de moralist in zijn vaak lovenswaardige ijver geneigd is zijn uitgangspunt te vergeten, dat een ander mens ook een redelijk wezen is, komt hij gemakkelijk in de verleiding om rechtmatig, maar zijns inziens immoreel handelen te gaan verbieden. En daarbij komen die rechtmatige activiteiten het eerst aan bod die het meest immoreel gevonden worden. En als eenmaal de vrijheid van handelen ontzegd is aan de lasteraar, de aborteur, de pornograaf, de woekeraar en de pooier, zijn U en ik aan de beurt,

Waar het op neer komt is dat zulke immoreel handelende personen een snuffelpaalfunctie vervullen voor de mate van vrijheid die U en ik zelf nog hebben. Als zij eenmaal vogelvrij verklaard zijn, hangt ónze vrijheid nog maar aan een zijden draad. De strategie voor wie op zijn vrijheid van handelen, ook in de toekomst, gesteld is, is dan ook om die ‘immorele’ personen te verdedigen om zo de eigen vrijheidsmarge in stand te houden of te creëren. Dit is het kernthema van Walter Block’s “Defending the Undefendable”.

Afhankelijk van het ethische systeem dat we aanhangen, zullen we zulke immorele personen voor de rest natuurlijk mijden als de pest.

Dat onze vrijheidslievendheid o zo gemakkelijk strijdig is met onze morele overtuiging schept een nogal tweeslachtige situatie. De libertariër die bijvoorbeeld tegen abortus gekant is, zal eerst alles in het werk stellen om abortus gelegaliseerd te krijgen om vervolgens het immorele karakter van de omstreden activiteit dik in de verf te zetten en de betrokken personen het leven op alle rechtmatige manieren zuur te maken. Maar ja, wie vrijheid wil voor zichzelf, dient er op toe te zien dat diezelfde vrijheid aan anderen niet ontzegd wordt.

De verdediging van rechtmatige ‘immorele’ activiteiten zal gewoonlijk steunen op twee pijlers: enerzijds op de vrijwilligheid van de erbij betrokken personen en (in tweede instantie) op het mogelijke nut, en anderzijds op de ondoeltreffendheid van het verbod en op de schadelijke, vaak desastreuze, gevolgen ervan. Als voorbeeld twee in deze context weinig verrassende verschijnselen, abortus en prostitutie.

Het (nog bestaande?) abortusverbod is ingewikkeld omdat niet aan te tonen valt dat de foetus een ander is in de zin van ons uitgangsprincipe. Maar let wel: het is veel belangrijker dat het verbod om dezelfde reden evenmin gerechtvaardigd kan worden. Hier is de zaak dus onbeslisbaar. Maar het abortusverbod heeft andere kanten die een morele rechtvaardiging van het verbod onmogelijk maken, ja zelfs het verbod tot agressie bestempelen. Het is niet rechtmatig iemand te dwingen anderen te ondersteunen; zelfs al zou een foetus een moreel personage zijn, dan kan de moeder niet gedwongen worden het langer te onder steunen dan ze zou willen. Als de regel, i.c. het abortusverbod, een onrechtmatige daad impliceert, dan kan het verbod zelf evenmin rechtmatig zijn, laat staan moreel toelaatbaar. Over de effectiviteit van het verbod hoeft hier niet uitgeweid te worden. De schade die het verbod aanricht is een gevolg van het feit dat de abortushandel nu naar de zwarte markt verhuist. Op de zwarte markt is de prijs die men voor een ingreep moet betalen afhankelijk van het gezondheidsrisico dat men wenst te lopen, en -als een deskundige arts de ingreep uitvoert- van de morele overtuiging van de arts. Het spreekt vanzelf dat de bemiddelde personen geen moeite zullen hebben om een perfecte ingreep te verkrijgen, al was het maar omdat zij gemakkelijk een reisje kunnen betalen naar een land waar de ingreep niet verboden is. Maar dat is meestal niet eens nodig.

Veel belangrijker is nog dat de aard van de zwarte markt ertoe leidt dat de kosten van marktinformatie hoog zijn en vaak is deze informatie gewoon onbereikbaar; dit is vooral desastreus voor armere vrouwen.Als de vrouw immers deel uitmaakt van dezelfde sociale klasse als de arts, dan is het voor haar relatief gemakkelijk om een aborterende arts in haar omgeving te vinden, of in haar omgeving een arts te vinden die een discrete verwijzing naar een welwillende collega kan geven; de prijs die zij dan moet betalen zal vaak niet eens erg hoog zijn. Maar de armere vrouw, die deze sociale kontakten niet heeft zal niet zo gauw een arts vinden die voor haar enig risico wil nemen, hetzij om de ingreep uit te voeren, hetzij om haar discreet door te verwijzen. Deze vrouw is dus aangewezen op informatie van mensen als de plaatselijke dameskapper, en komt onherroepelijk bij rommelaars terecht; de prijs die zij voor een riskante ingreep moet betalen zal vaak hoger zijn dan de prijs die een rijkere vrouw voor een niet-riskante ingreep zou betalen. Het abortusverbod, kortom, is onrechtmatig, immoreel, ineffectief en schadelijk.

Prostitutie is bij uitstek vrijwillige handel. Toen dat in het naoorlogse Parijs verboden werd, met als oogmerk de moraal en de gezondheid op een hoger plan te brengen, en meteen ook nog eventjes de vrijkomende bordelen te kunnen gebruiken voor studentenhuisvesting en voor bombardementsdaklozen, werd prostitutie naar de zwarte markt verbannen, met alle gevolgen voor kwaliteit en kwantiteit. Door de nu hoge informatiekosten was het voor de klant moeilijk geworden om gezondheidsrisico’s uit te bannen. De voordien bestaande concurrentie was in belangrijke mate gebaseerd op gegeven gezondheidsgaranties, die bepalend waren voor de goede naam van het huis. Door het verbod werd het aanbod kleiner en van ongewisse kwaliteit: niet alleen wat de gezondheid betreft maar ook wat het uiterlijk schoon aangaat. Terwijl het beoogde effect was de gezondheidsrisico’s uit te bannen door een verbod, was het resultaat een nooit geziene verspreiding van geslachtsziekten over het hele land en de hele bevolking.

Het verbod had ook zijn weerslag op de prijs, en dat niet alleen omdat het risico op arrestatie groter was of omdat er minder concurrentie was. Tipgeld, omkoping van politie, en duur illegaal medisch onderzoek kwamen daar nog bij. Door de hoge kosten was de in deze zaken geïnteresseerde gewone man gedwongen het met kwaliteit op een akkoordje te gooien. Het Mattheuseffect speelt vaak juist daar waar je het niet verwacht.

Het verbod is dan ook behalve onrechtmatig en ineffectief ook erg schadelijk. Vergelijkbare overwegingen gelden voor de pooier. Op zich is zijn activiteit als prostitutiemakelaar niet onrechtmatig. Zoals elke makelaar bespaart hij de klant tijd en geld, en beperkt hij voor de prostituee de gevaren van de kant van milieu en politie. Ook hier raakt een verbod kant noch wal.

Om onze vrijheid te verkrijgen of te behouden is het vaak noodzakelijk om de vrijheid van door ons verfoeide personen te verdedigen, om hen op te voeren als held, heilige en Vrijheidsstrijder, ook al kan er geen aureool af.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Apeldoorn, Nico, topic: Apeldoorn, Nico, Persoonlijke vrijheid, Vrijbrief 33 (november 1980)
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.