vrijdag, 17 juni 2005
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De milieubeweging (7): de grote vervuilster


“De mens is de oorspronkelijke en fundamentele vervuiler”. (J.O’M Brockis, redacteur Environmental Chemistry) (1)

I

Als ik u zou vertellen dat er een bedrijf bestaat, een multinational, die meer uitlaatgassen in de lucht pompt dan alle andere bedrijven op de wereld bij elkaar – een multinational die meer zware metalen in de grond stopt, meer ongelukken en natuurrampen veroorzaakt, meer ziekten verspreidt, meer doden op zijn geweten heeft, en meer planten en dieren heeft vernietigd (en nog steeds vernietigt) dan de hele mensheid bij elkaar, wat zou u daarvan zeggen?

Zou u vinden dat deze multinational verboden zou moeten worden? Zouden de producten van dit bedrijf geboycot moeten worden? Zouden de directeuren vervolgd moeten worden en in de gevangenis gezet?

Welnu, ik kan u meedelen dat deze multinational werkelijk bestaat. Het is namelijk niemand minder dan onze ouwe, trouwe Moeder Natuur, diezelfde Moeder Natuur waar we allemaal zo dol op zijn en die we allemaal zo graag willen beschermen en naar de schoot waarvan een aantal van ons dolgraag terug zouden willen keren. Niet Shell, niet AKZO, niet Amerika, niet de Mensheid, maar Moeder Natuur is de grootste vervuilster ter wereld. Absurd? Nee hoor. In wetenschappelijke kringen zijn de vervuilende activiteiten van de natuur geen geheim of punt van discussie; in de media, in het onderwijs en door de overheid echter wordt er vrijwel nooit over gepraat.

In voorgaande artikelen van deze serie hadden we al gezien dat er veel meer natuurlijke “kankerverwekkende” stoffen bestaan dan “synthetische”, en dat er veel meer planten- en diersoorten zijn uitgestorven door toedoen van de natuur dan als gevolg van menselijk handelen. In deze aflevering zullen we zien dat er nog veel meer mis is met de natuur. Laten we beginnen met luchtvervuiling.

Als u gewend bent om af te gaan op wat u ziet op t.y., of wat u leest in de pers, of wat u hoort van de Rijksvoorlichtingsdienst, of wat u hebt geleerd van uw onderwijzers, docenten of professoren, of (het ergste van alles) van wat er in uw encyclopedie staat, dan zult u er ongetwijfeld heilig van overtuigd zijn dat luchtvervuiling een typisch geval is van menselijke (en met name industrieel-westerskapitalistische) verderfelijkheid. Het idee dat luchtvervuiling niet alleen door de mens wordt veroorzaakt, maar ook door de natuur, en nog wel in veel grotere mate, zal voor de meeste mensen heel vreemd in de oren klinken. Toch is het een simpele waarheid.

Luchtvervuiling is al zo oud als de aarde. Zo lezen we in het (overigens zeer milieuvriendelijke) Time-Life boek De Atmosfeer: “In zekere zin is de atmosfeer altijd verontreinigd geweest.”

Tenslotte is de atmosfeer een complex geheel van gassen en deeltjes, waarvan er sommige niet en andere wel schadelijk zijn. Lang voor de ontdekking van het vuur en voor de mens zijn bijdrage aan het probleem begon te leveren, zat de lucht al vol stofdeeltjes, zoutdeeltjes van de oceanen, stuifmeel, bacteriën, rook en gassen van bosbranden, vulkanisch afval en ontelbare andere stoffen. Tot op de dag van vandaag zijn de meeste van de in de lucht zwevende deeltjes van diezelfde bronnen afkomstig. De schrijver en chemicus Donald Carr merkte eens op: ,Er is aardig wat hoogdravende nonsens geschreven over de gezonde lucht op het land en in de bergen’, en omschreef die lucht vervolgens zelf als een ,zeer ingewikkeld, geparfumeerd zootje.’ (2)

In dit Time-Life boek van Oliver E. Allen wordt een overzicht gegeven van de stofdeeltjes in de atmosfeer, waaruit blijkt dat door menselijke activiteiten jaarlijks 92 miljoen ton stoffen in de atmosfeer komen, terwijl de jaarlijkse hoeveelheid stofdeeltjes van natuurlijke herkomst 1207 miljoen ton bedraagt, waarvan maar liefst 1000 miljoen ton afkomstig is van zeezout. (3)

II

De grootste luchtvervuilers ter wereld zijn niet fabrieken of auto’s of elektriciteitscentrales, maar vulkanen. Vulkanen? Jawel. Vulkanen zijn zo smerig dat, als het fabrieken waren geweest, ze al lang door de overheid zouden zijn gesloten – na eerst door de milieubeweging te zijn verketterd.

“Misschien zorgen vulkaanuitbarstingen (…) voor de grootste vervuiling,” verklaart Allen. “(Bij een zware uitbarsting kan een met zwaveldioxide bezwangerde aswolk tot zo’n 20 kilometer hoogte stijgen en een heel halfrond in een stofsluier hullen.” Een voorbeeld is de uitbarsting van de Fuegovulkaan in Guatemala in 1974, “(e)venals andere vulkanen … een grote vervuiler; nog maandenlang waren de zonsondergangen op het noordelijk halfrond in een rossige gloed gehuld als gevolg van in de lucht zwevende asdeeltjes.” (4)

In The Apocalyotics van Edith Efron vinden we een overzicht van een aantal van de stoffen die door vulkanen in de atmosfeer worden gebraakt. “Vulkanen hebben door de eonen heen zware metalen in de atmosfeer gebracht. Wetenschappers, die de stoffen hebben geanalyseerd die zich in de mondingen en spleten van actieve vulkanen bevonden, zijn tot de conclusie gekomen dat in vulkanische stofdeeltjes koper, arsenicum, zink, antimonium, lood en kwik voorkomen. Vulkanische gassen zijn waarschijnlijk belangrijke bronnen van kwik in de atmosfeer. In vulkaanstof is de aanwezigheid van lood geconstateerd. Vulkanische activiteit brengt stikstofdioxiden voort. En vulkanen stoten enorme hoeveelheden selenium uit; men heeft geschat dat gedurende de gehele geschiedenis van de aarde, vulkanen ongeveer 0,1 gram selenium hebben uitgestoten per vierkante centimeren van het aardoppervlak…. Vulkanen produceren eveneens zwaveldioxide. Bij een vulkaanuitbarsting op Hawaï kwam methylchloride vrij. (En) vulkanen stoten venzo(a)pyrene uit”. (5)

De Britse klimatoloog H.H. Lamb geeft een globale omschrijving van de manier waarop vulkaanuitbarstingen hun vuile werk doen. “Grote vulkaanuitbarstingen … stoten grote aantallen submicroscopische rotsdeeltjes en aërosolen (microscopisch kleine, zwevende deeltjes) afkomstig van zwaveldioxide in de stratosfeer, waar ze buiten het bereik zijn van de regen die zulke verontreiniging (normaliter) uit de lagere atmosfeer spoelt. De vulkaanstof circuleert rond de aarde in tien dagen tot een paar weken, afhankelijk van de hoogte…; deze verschillende diffusieprocessen … verspreiden het materiaal geleidelijk in een steeds gelijkmatigere sluier die het betreffende halfrond (of zelfs de hele aarde) binnen een half jaar kan bedekken. Hoe hoger net geëxplodeerde stof wordt geworpen door de uitbarsting, hoe langer de sluier blijft bestaan. De deeltjes gaan zo langzaam naar beneden dat ze er tussen twintig dagen en een jaar over doen om een kilometer te dalen en ze kunnen tussen één en zeven jaar (of langer) in de atmosfeer aanwezig blijven.” (6)

Voor broeikas-, ijstijd- en andere klimaatpessimisten werkt het wellicht therapeutisch om eens te mediteren over het effect van vulkanen op het globale klimaat. Het verkoelingseffect dat optreedt na grote vulkanische erupties wordt geschat op 0,1 tot 1 graad Celsius (dit is het gemiddelde over de centrale luchtstreken). “…als gevolg van grote vulkaanuitbarstingen … blijft een sluier van submicroscopische deeltjes enkele jaren in de stratosfeer hangen. De stofsluiers schermen de inkomende zonnestraling af, maar laten de uitgaande langeregolf straling van de aarde door”.

Een manier waarop het effect van vulkanen kan worden gemeten is op basis van zuurafzettingen in ijslagen, zoals bijvoorbeeld in Groenland. Het zuurgehalte van het ijs in Groenland is volgens Lamb min of meer representatief voor de hoeveelheid aërosolen in het noordelijk halfrond. De meting van de zuurgraad in de ijslagen van het Groenlandse ijs gaat terug tot de 6e eeuw. Er blijkt een indrukwekkende overeenkomst te zijn tussen de zuurgraad van het Groenlandse ijs en de gemiddelde temperatuur op het noordelijk halfrond (die weer op een andere manier is vastgesteld, onder meer op basis van boomringen). “Het moet zeker worden aanvaard dat de variaties in de hoeveelheden vulkanisch materiaal in de atmosfeer, en de hoeveelheden die worden afgezet vanuit de atmosfeer, iets te maken lijken te hebben met de klimatologische variaties in de (laatste 1400 jaar), en wellicht zelfs een belangrijke oorzaak zijn geweest voor de Kleine IJstijd. Deze hypothese wordt bevestigd door andere benaderingen van Bryson en Goodman van de Universiteit van Wisconsin, die er ook op wijzen dat het afkoelen van het noordelijk halfrond sinds de vijftiger jaren (sic) wellicht kan worden toegeschreven aan een verdubbeling van het vulkanische materiaal in het noordelijk halfrond gedurende dezelfde periode.”

Er is nog meer bewijs: tussen 1925 en 1945 vond er op het zuidelijk halfrond wel veel vulkanische activiteit plaats, en in tegenstelling tot het noordelijk halfrond, daalde de gemiddelde temperatuur op het zuidelijk halfrond in de dertiger jaren. (Overigens is het ook zeker dat vulkanische erupties niet de enige oorzaak zijn van klimaatvariaties). Ondanks dit alles hoor je maar weinig protesten tegen vulkanen. Zou het geen idee zijn om, in plaats van het autogebruik terug te dringen, te proberen alle vulkanen op aarde te doven? Of zou zoiets volgens de milieubeweging “geweld tegen de natuur” zijn?

III

De auto, dat weet iedereen, is het symbool van de milieuvervuiling. De auto is wel het meest onnatuurlijke, materialistische, vieze-troep-uitbrakende monster dat de mensheid heeft voortgebracht. Althans, dat is wat de milieubeweging ons wil doen geloven, en dat is haar aardig gelukt. De mensen zijn nog steeds niet uit hun auto’s te branden, maar ze laten wel de ene belastingmaatregel na de andere, de ene accijnsverhoging na de andere, de ene parkeerbeperking na de andere gelaten over zich heen gaan. Ze rijden nog wel, maar ze zijn niet meer zo blij dat ze rijden.

Wat is er eigenlijk precies mis met de auto? Volgens een brochure van de Stichting Natuur en Milieu en het Wereld Natuur Fonds getiteld Auto en Milieu, is “de groei van het autoverkeer (…) een ramp voor de natuur en het milieu. Op basis van het overheidsbeleid zal de uitworp van koolwaterstoffen en stikstofoxiden in 2010 184 miljoen kilo bedragen. Dat is meer dan het dubbele van wat de overheid zich in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) ten doel heeft gesteld, te weten 86 miljoen kilo. Om die doelstelling te bereiken is een halvering van het autogebruik vereist.” Aldus een bericht in de Volkskrant van 21 augustus 1990. Er volgen nog een heleboel cijfertjes over de te verwachten en de gewenste uitstoot van “schadelijke stoffen” door de auto, plus de mededeling dat de brochure is geschreven door Th. Haffmans uit Apeldoorn, “de man die in 1989 een klacht indiende” tegen een brochure van de Bovag/Rai getiteld Over de Auto en het Milieu, “waarin de auto niet bedreigend voor het milieu wordt genoemd. Deze brochure werd later door de Reclame Code Commissie als misleidend bestempeld”. Het College van Beroep van de Stichting Reclame Code bevestigde deze uitspraak.

De Stichting Natuur en Milieu en het Wereld Natuur Fonds protesteren dus tegen de uitworp van koolwaterstoffen en stikstofoxiden door de auto. Wat ze echter verzuimen te vermelden is dat de uitstoot van deze zelfde stoffen door natuurlijke bronnen veel en veel groter is dan door auto’s. Hoeveel mensen zouden zich realiseren dat bossen -jawel, bossen – alleen al pakweg zes keer zoveel koolwaterstoffen produceren als de mens (en dat is dus meer dan alleen de autorijdende mens)? Hoeveel mensen zouden beseffen, als ze zo’n krantenberichtje lezen, dat hun dierbare Moedertje Natuur veel en veel meer stikstofoxiden produceert dan de mens, volgens één schatting vijftien keer zoveel? Hoeveel mensen zouden er zich van bewust zijn dat er bijvoorbeeld bij bliksem enorme hoeveelheden stikstofoxiden (NO en N02) vrijkomen? Volgens een schatting uit 1977 is bliksem verantwoordelijk voor vijftig procent van de “wereldproductie” aan stikstofoxiden. (7) Met andere woorden, de Stichting Natuur en Milieu en het Wereld Natuur Fonds verdedigen de natuur en het milieu tegen gassen die de natuur en het milieu zelf in grote hoeveelheden produceren. Wie misleidt er wie nu eigenlijk?

Wat betreft andere schadelijke stoffen in de uitlaatgassen van auto’s: loodderivaten zijn verdwijnende als gevolg van het gebruik van loodvrije benzine, en ozon – zo dit al schadelijk is, want het wordt snel weer omgezet in zuurstof – wordt eveneens in veel grotere hoeveelheden geproduceerd door de natuur (bijvoorbeeld door bliksem). Wellicht wordt het tijd om de benaming “heilige koe” te gaan gebruiken voor iets anders dan de auto.

IV

Hier houdt de luchtverontreiniging door de natuur geenszins mee op. Efron schrijft: “Planten, bijvoorbeeld bonen en peulgewassen, verspreiden metaalrijke zwevende deeltjes; zaailingen van pijnbomen scheiden zink en lood af. Van terpenen (onverzadigde koolwaterstoffen) is (in de wetenschappelijke literatuur) vastgesteld dat ze kankerverwekkend zijn en deze stoffen worden door de Environmental Protection Agency beschouwd als zwaar vervuilend. De lucht bevat onverzadigde koolwaterstoffen die afkomstig zijn van het gebladerte van bomen, planten, van oliehoudende en andere harsen en van rottende en ontbindende blad-, schors- en houtweefsels”. Efron heeft nog meer interessants te melden. De natuur produceert meer zwaveldioxide (55-65 procent van het totaal) dan de mens.

De meeste metalen die in de atmosfeer worden gevonden zijn afkomstig van de aardkorst en van zeezout. Natuurlijke radioactiviteit is vele malen groter dan de radioactiviteit afkomstig van menselijke activiteiten. Volgens schattingen uit 1978 was de radioactieve straling afkomstig van nucleaire energie in de V.S. 56 rem per persoon per jaar tegenover 20.000 rem van natuurlijke bronnen. De radioactieve straling als gevolg van het ontwikkelen, produceren en testen van wapensystemen was naar schatting 0,165 rem. Wie nooit in een ziekenhuis komt ontvangt vrijwel geen radioactieve straling van menselijke activiteiten. (In sommige gevallen vervuilt de mens meer dan de natuur: een voorbeeld is de uitstoot van lood.) (8)

Hier kan tegenin worden gebracht dat de luchtverontreiniging door de mens vaak geconcentreerder is en daarom schadelijker dan de natuurlijke luchtverontreiniging. Dit is (soms) waar en het is een goed argument voor het terugbrengen van door menselijke activiteiten veroorzaakte luchtvervuiling in die gevallen waar dat nodig is, bijvoorbeeld rond stedelijke gebieden waar de lucht niet goed kan doorstromen. Dat is echter heel wat anders dan de bewering dat de natuur wordt vernietigd door de vervuiling die de mensheid produceert.

V

Aan waterverontreiniging doet de natuur ook al flink mee. In (drink)water komen talloze metalen van nature voor: aluminium, arsenicum (!), barium, beryllium, cadmium, chroom, koper, ijzer, lood, kwik, nikkel, tin, zink, enz. De metalen in drinkwater zijn afkomstig van regenwater en rottende vegetatie. Puur “natuurlijk” water kan gevaarlijk zijn. In bepaalde streken van de Amerikaanse staat Oregon bevat het water dertig tot veertig keer zoveel arsenicum als volgens wettelijke normen aanvaardbaar wordt geacht. Men veronderstelt dat dit wordt veroorzaakt door vulkaanafzettingen. De natuurlijke concentratie van asbest in water varieert naar schatting van 10.000 tot 1 miljoen vezels per liter (9).

Als er ergens op de wereld een olietanker op de klippen vaart en zijn lading verliest, wordt dit onmiddellijk door iedereen betiteld als een “milieuramp”. Nu ben ik geen voorstander van het ongecontroleerd dumpen van olie in de zee, maar “milieuramp?” Volgens Edith Efron werd in het begin van de tachtiger jaren in de Atlantische Oceaan een olievlek ontdekt van bijna 1500 km lang, 1,8 km breed en 100 meter dik. Deze olie was onder water uit de aarde gesijpeld. Er lekt constant olie vanuit de aarde in de zee, maar hoeveel is volgens Efron niet bekend. (10)

VI

Naast grootscheepse luchtverontreiniging is ons aller Moedertje Natuur verantwoordelijk voor talloze ziekten en plagen, waarvan zowel mensen als dieren en planten het slachtoffer zijn. Een paar voorbeelden. De Mycobacterium tuberculosis was nog niet zo lang geleden de belangrijkste doodsoorzaak, waaraan 15 miljoen mensen per jaar stierven. De Pasteurella pestis is een bacil die in het jaar 540 naar schatting 100 miljoen mensen het leven kostte, plus nog eens 25 miljoen in de 14e eeuw en 13 miljoen tussen 1896 en 1917. (11) Weet u het nog? Volgens bepaalde milieufreaks stonden “we” vroeger “op goede voet met de natuur”.

In Japan zijn in het verleden honderden mensen omgekomen doordat ze methylkwik binnenkregen afkomstig uit industrieel afval. De schadelijke gevolgen van methylkwik waren in die tijd niet bekend. Zonder meer een trieste zaak, maar toch zinkt een dergelijke tragedie in het niet bij de miljoenen slachtoffers die worden geëist door puur “natuurlijke” ziekten zoals malaria en dysenterie. (12)

Bossen worden voorzover we weten in zeer beperkte mate aangetast door zure regen. Het aantal bomen dat hierdoor sterft is verwaarloosbaar in vergelijking met de massaslachtingen van Moeder Natuur in de vorm van stormen, onweer, branden en natuurlijke plagen. Voor de mensen die zich echt zorgen maken over de toekomst van onze bossen is het volgende verhaal van de Amerikaanse bodemdeskundige Edward C. Krug wellicht interessant:

“Er wordt geëist dat we miljarden per jaar moeten besteden aan (de bestrijding van) zure regen om een hypothetisch gevaar te bezweren voor ongeveer 120.000 hectare hooggelegen sparrenbos. Maar er wordt weinig gedaan voor de resterende ruim 7 miljoen hectare sparrenbos (in de Verenigde Staten) die wordt verwoest door geïmporteerde insectenplagen – negentig procent van de volwassen sparrebomen in de Southern Appalachians zijn dood of stervende als gevolg van de woolly adelgid en de spruce budworm heeft miljoenen hectare rode sparren verslonden in Maine en miljoenen méér in Canada. Dan zijn er nog de 60 miljoen hectare hardhout in het oosten (van de Verenigde Staten) die worden aangevallen door verschillende geïmporteerde ziekten en plagen. Voordat de kastanjeboom uit onze bossen verdween door plantenziekte kon een ondernemende eekhoorn van Maine naar Georgia reizen over de takken van kastanjes … De eik, die veel van de iepen en kastanjes heeft vervangen in onze bossen, wordt verwoest door de resvlinder. En nu verspreidt de beukbastziekte (“beech bark disease”) zich over ons land, na voor het eerst geconstateerd te zijn in Halifax, Nova Scotia …. Milieuactivisten in het middenwesten treuren om de 1600 hectare verzuurd water waarvan zij aannemen dat het getroffen is door zure regen. Maar we horen weinig over de zebra mussel … die geen natuurlijke vijanden heeft en de plantonische basis van de voedselketen van de Grote Meren bedreigt en daarmee 73 miljoen hectare water”. (13)

VII

Het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl, hoe verschrikkelijk dit ook was (zeker voor de slachtoffers ervan), is niettemin slechts een mini-rampje in vergelijking met de natuurrampen die de aarde in het verleden te verduren heeft gehad. Meteorietinslagen bijvoorbeeld.

Over de meteorieten die de aarde in de prehistorie hebben geteisterd bestaat nog veel onzekerheid. In Scientific American (september 1978) staan de resultaten van een onderzoek naar de Manicouagankrater in Quebec (Canada). De onderzoekers denken dat de krater is veroorzaakt door een meteoriet met een doorsnee van 8 kilometer, die, 214 miljoen jaar geleden, op de aarde inbeukte met een snelheid van ongeveer 60.000 kilometer per uur. Hierbij kwam een hoeveelheid energie vrij die waarschijnlijk gelijk is aan een paar miljoen Hiroshimabommen. Er zijn ook theorieën die het uitsterven van o.a. de dinosaurus en zijn vriendjes in verband brengen met de klimatologische gevolgen van een meteorietinslag.

Maar we hoeven niet te speculeren over het verre verleden. Bekend is de meteorietexplosie van 30 juni 1908 (nog niet zo lang geleden) in Siberië (boven het dal van de Toengoeska-rivier). Deze explosie had een kracht van tien megaton. Volgens een artikel in Science (2 oktober 1981) genereerde de vlucht van deze meteoriet door de atmosfeer pakweg 30 miljoen ton stikstofmonoxide. Deze stikstofmonoxide vernietigde daarbij waarschijnlijk (spuitbusbestrijders opgelet!) 30 tot 45 procent van de ozon op het noordelijk halfrond. Er is bewijs dat het ozongehalte in 1909 aanzienlijk is aangetast, en dat het enkele jaren heeft geduurd voordat dit weer was hersteld.

Zoals H.H. Lamb vaststelt, …(O)nderzoek duidt erop dat het globale regiem zeer goed beschermd is tegen eventuele verstoringen als gevolg van de relatief nietige hoeveelheden energie die zelfs de moderne mens tot zijn beschikking heeft. De energie die vrijkomt bij een nucleaire ontploffing van één megaton is ongeveer een-honderdste van de energie die vrijkomt bij één cycloon van ongeveer een uur of een middelgrote vulkaanuitbarsting.” (14)

VIII

De mens is soms zelfs veel milieuvriendelijker dan de natuur. Dit zal voor de meeste milieufilosofen klinken als vloeken in de kerk, maar daarom is het niet minder waar. Als de mens een stuk woestijn verandert in een boomgaard of een moestuin, dan is dat ongunstig voor de schorpioen en de cactus, maar gunstig voor een heleboel andere planten en dieren. De mens weet vaak een rijke natuur te scheppen, waar de natuur zelf een dor of eentonig landschap in gedachten had. Een voorbeeld uit de Volkskrant.

“Toch is de totale ondergang van de oorspronkelijke natuur door biologen nooit erg betreurd. De kleinschalige landbouw die eeuwenlang – tot in deze eeuw – de oernatuur verving, had een verrijkende invloed. Het oorspronkelijke bos werd vervangen door een veel grotere schakering in landschappen en deze variatie kwam veel planten en dieren ten goede. De variatie in milieu-omstandigheden nam dankzij de mens toe. Er werd een nieuwe rijkdom geschapen, de .cultuur-natuur’…. Wat wij nu als natuur ervaren, is voor het overgrote deel een restant van vroegere economische activiteit”. Een voorbeeld is de heide, die natuurbeschermers in Nederland zo graag in stand willen houden. Alleen door het beweiden met schapen, afplaggen en branden, kon de onafzienbare heide in stand blijven. De schapenmest werd door de boeren gemengd met heideplaggen en als bemesting gebruikt voor hun schamele akkertjes. Toen de kunstmest de schapen overbodig maakte en bovendien de wol moeilijk viel af te zetten, werd rond de eeuwwisseling het oude systeem vaarwel gezegd. De heide werd in hoog tempo in cultuur gebracht of bebost. Natuurbeschermingsorganisaties die zich zorgen maakten over de teloorgang van de heide en tot aankoop overgingen, moeten nu voor die belangstelling boeten. Het in stand houden bleek na het verdwijnen van het vroegere beheer een immense klus. Vrijwilligers trekken boompjes uit (!) om te voorkomen dat de heide dichtgroeit en de terreinbeheerders gebruiken groot materieel om te frezen en mechanisch te plaggen (!). Ook andere gebieden leiden aan het euvel dat de mens alle moeite moet doen om het vroegere beheer voort te zetten. Bloemrijke hooilanden die niet worden gemaaid, verliezen hun luister. Plassen waar geen riet wordt gesneden, groeien langzaam dicht”. (15)

IX

De conclusie die we uit het bovenstaande verhaal kunnen trekken is dat de activiteiten van de mens niet bijzonder vervuilend zijn, als je ze vergelijkt met de vervuiling die normaal is in de natuur. Dat wil uiteraard niet zeggen dat vervuilende activiteiten van de mens per definitie aanvaardbaar moeten worden geacht. Het feit dat iemand op natuurlijke wijze een rotsblok op z’n hoofd kan krijgen, wil niet zeggen dat iedereen daarom maar met rotsblokken mag gaan gooien.

Hoe een milieubeleid er precies uit zou moeten zien is een onderwerp voor later. In ieder geval dienen er objectieve criteria te worden aangelegd voor wat wel en niet mag. De milieubeweging houdt er echter een hele andere redenatie op na. Volgens het huidige milieudenken is het simpele feit dat de activiteiten van mensen gevolgen hebben voor de (rest van de) natuur – bijvoorbeeld het feit dat autorijden de uitworp van bepaalde gassen met zich meebrengt – voldoende om deze activiteiten af te wijzen of tenminste in principe te veroordelen.

Overdrijf ik? Neem de volgende uitspraak, die niet afkomstig is van de ene of andere fundamentalistische milieugroepering, maar van niemand minder dan onze minister van VROM, de heer Alders himself. “Geen enkel product,” heeft onze minister gezegd, “is vriendelijk voor het milieu” (16)

Alders haalt hiermee een frase aan uit het NMPPlus, of althans de conceptversie ervan: “Ten aanzien van reclame geldt dat de wildgroei in het gebruik van de term milieuvriendelijk – of zinspelingen daarop – aan banden moeten worden gelegd. In principe is geen der producten (d.w.z. geen enkel product) milieuvriendelijk, al is het wel zo dat bepaalde producten minder milieuschadelijk zijn dan andere” (17)

Net zoals sommige milieufilosofen het gebruik van grondstoffen en het bedrijven van landbouw bestempelen als een gewelddaad tegen de natuur, is de minister (en met hem de gehele milieubeweging) van mening dat het maken van producten gelijkstaat aan het toebrengen van schade aan het milieu. Mijn argument, dat ik in het huidige en voorgaande artikelen uiteen heb gezet, is dat dit standpunt onhoudbaar is.

a) omdat de mens net zo goed recht heeft om te trachten te overleven als alle andere levende wezens en aangezien de mens hersens heeft gekregen van Moeder Natuur is het maken van producten nu eenmaal de manier waarop hij overleeft (met andere woorden, als het maken van producten per definitie schadelijk is voor het milieu, dan zijn alle activiteiten van alle levende wezens ook per definitie schadelijk voor het milieu, en dan zijn we dus onzin aan het kletsen);

b) omdat de gevolgen van menselijke activiteiten voor het milieu in geen enkel opzicht verschillen van de gevolgen van natuurlijke .activiteiten’ (gebeurtenissen) voor het milieu. Met andere woorden, er is geen wezenlijk verschil tussen menselijke activiteiten en natuurlijke gebeurtenissen (18), hooguit kunnen er verschillen zijn in gradaties (dat wil zeggen, verschillen in de omvang van de gevolgen die menselijke activiteiten en natuurlijke gebeurtenissen voor het milieu hebben), maar vooralsnog vallen die eerder in het voordeel van de mens uit dan andersom.

X

De milieubeweging ziet rampen daar waar niets dan vage theorieën zijn (de broeikastheorie en de afbraak-van-de-ozonlaag-theorie), globaliseert plaatselijke milieuproblemen (water- en luchtverontreiniging) en hangt over het algemeen van wetenschappelijke en biologische misvattingen aan elkaar (verzuurde meren, kankerverwekkende stoffen, uitlaatgassen van auto’s). Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het “vijf voor twaalf” is of tien voor twaalf of zes uur. Problemen zullen er altijd zijn, maar zolang er niet al teveel meteorieten inslaan en vulkanen uitbarsten blijft de Dag des Oordeels nog wel even uit. Vanwaar dan dat alles overheersende natuurpessimisme van de milieubeweging? Waarom zien ze alleen maar ellende op ons afkomen? De blik van de mens kan worden vertroebeld door zijn vooringenomen standpunten. Het zou kunnen dat het apocalyptische perspectief van de milieubeweging een uitvloeisel is van haar filosofische uitgangspunten. Hoe kijken de milieufilosofen tegen de mens aan? Ze hameren er steeds op dat de mens “deel uitmaakt van de natuur”, een “onderdeel is de natuur”, maar daarbij doelen ze slechts op de oermens van hun dromen die leeft in de natuur van hun dromen, niet op de echte, bestaande mens, die zo goed en zo kwaad als hij kan zijn verstand gebruikt en zijn handen laat wapperen om te kunnen overleven in een maar al te realistische en onverschillige – een mooie, maar desalniettemin onverschillige – omgeving. Zolang de mens “klein” blijft, “één is met de natuur”, een beetje door de bush-bush blijkt kruipen en geen hogere gemiddelde levensverwachting bereikt dan 20 jaar, mag-ie blijven. Groeit-ie groter – gaat-ie nadenken en zich vermenigvuldigen en de natuur voor zijn doeleinden gebruiken en het ergste van alles, producten maken, dan is de lol eraf. De grote ramp die de milieufilosofen aan zien komen is niet zozeer “het einde van de natuur”, maar – zo lijkt het – het begin van een blijvend succes van de grote mens, en daarmee het einde van hun idee van de natuur – hun idee van hoe de werkelijkheid eruit zou moeten zien. Een van de mede-oprichters van de Amerikaanse denktank The Hudson institute, MaxSinger, heeft een enigszins droog boek geschreven met een hele mooie titel: Passage to a Human World. De nadruk ligt op de laatste twee woorden: Human World. Volgens Singer is de mensheid hard op weg om voor het eerst in de geschiedenis een menselijke wereld te creëren – een wereld waarin de mens de aarde domineert en waarin geen wilde natuur. meer is. Hij is daar niet verheugd of bedroefd over (ik ook niet trouwens), hij constateert alleen dat het waarschijnlijk zo is. Het beeld van een “menselijke wereld” is iets dat veel mensen (en niet alleen milieufilosofen) met angst en afgrijzen vervult, net zoals de voorbodes van die toekomstige menselijke wereld – de computers en andere technologische vernieuwingen – deze mensen met angst en afgrijzen vervullen. Deze mensen concluderen dat een dergelijke wereld niet kan ontstaan (de mens is “afhankelijk” van de natuur, hij zal ten onder gaan als hij de natuur zo blijft gebruiken, enzovoort) omdat ze niet willen dat hij ontstaat. In dat opzicht biedt de milieubeweging niets nieuws: veranderingen en nieuwe ontwikkelingen hebben altijd weerstand ontmoet, en het is dan ook niet meer dan normaal dat grote veranderingen op grote weerstand stuiten.; Milieufilosofie is eenvoudigweg een nieuwe vorm van de eeuwenoude filosofie van het conservatisme, met alle kenmerken van dien: de idealisering van het verleden, de voorspelling van het einde der tijden, het idee dat uitgerekend “onze tijd” een verschrikkelijke crisis doormaakt en dat we nu of nooit van onze dwaalwegen moeten terugkeren. Dat is althans mijn inschatting.

In het volgende deel van deze serie hoop ik eindelijk te kunnen ingaan op het politieke programma van de milieubeweging – want daar was het me eigenlijk allemaal om begonnen.

NOTEN:

1. J. O’M. Bockris, redacteur Environmental Chemistry, 1977, geciteerd in Efron, p. 21.

2. Oliver E. Allen, De Atmosfeer, Time-Life Boeken, Amsterdam 1983. (Mijn cursivering.)

3. Allen, p. 133.

4. Allen, p. 142.

5. Efron, p. 145-146.

6. Lamb, paginanummer niet genoteerd, ongeveer p. 313.

7. Efron, p. 166-170. Zie ook J.C. v.d. Rhee, op. cit., p. 33- 36.

8. Efron, p. 166-170. Voor wat in deze context wordt verstaan onder “kankerverwekkend”: zie deel 6 van deze serie in de Vrijbrief van maart 1991.

9. Efron, p;. 171-172.

10. Efron, p. 171.

11. Efron, p, 355-356. Vervolg op pagina 12

12. Vgl. Singer, Passage to a Human World, Hudson Institute, Indianapolis, 1987, p. 176.

13. Krug, 10-11. (Voor de gecursiveerde woorden heb ik – nog geen Nederlandse vertaling kunnen vinden.)

14. Lamb, 324.

15. Volkskrant, 05-05-1990.

16. Geciteerd in de Volkskrant, 26-03-1990.

17. Geciteerd in De Volkskrant, 10-02-1990. Precies hetzelfde sentiment is geuit door Denis Hayes, directeur van de eerste “Earth Day” in Amerika en directeur van het niet-commerciële “Green Seal”-project, in een interview in The Financial Times: “No products are environmentally friendly…’” (21-6-1990).

18. Prof. dr. Lucas Reijnders, hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam, is het hier niet mee eens, blijkens de volgende uitspraak van hem: “Als King natuurzuiver is, dan ben ik Napoleon. Wat is er nu natuurzuiver aan suiker maken, met zwaveldioxide bleken en er dan een synthetische pepermuntsmaakje aan toevoegen.” (Volkskrant, 1990, exacte datum niet genoteerd). Mijn vraag aan de professor: wat is er onnatuurlijk aan suiker maken, met zwaveldioxide bleken en een pepermuntsmaakje toevoegen?

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Beckman, Karel, topic: Beckman, Karel, Milieu, Vrijbrief 160 (juni 1991)
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.