donderdag, 5 december 2002
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Handelsliberalisering: Sisyphus in Actie


Handel is een van de belangrijkste aanjagers van de groei. Mede door de handel heeft onze levensstandaard een hoogte bereikt die zonder weerga is in de menselijke geschiedenis. In het tijdperk van de globalisering vindt een groeiend deel van de handel over de grenzen plaats. Zonder internationale handel zouden complexe produkten als auto’s, vliegtuigen of wasmachines niet hebben bestaan. Maar zelfs de eenvoudigste produkten, zoals een potlood, zijn samengesteld uit inputs die van heinde en verre komen. Het hoeft daarom geen verbazing te wekken dat economen reeds vanaf het begin van het ontstaan van de economie als zelfstandige wetenschappelijke discipline, de loftrompet over de internationale handel hebben gestoken. Adam Smith schreef daarover:
‘What is prudence in the conduct of every private family, can scarce be folly in that of a great kingdom. If a foreign country can supply us with a commodity cheaper than we ourselves can make it, better buy it of them with some part of the produce of our own industry, employed in a way in which we have some advantage. The general industry of the country, being always in proportion to the capital which employs it, will not thereby be diminished […] but only left to find out the way in which it can be employed with the greatest advantage.’

Aan het eind van de jaren tachtig, geloofden velen dat de ineenstorting van het communisme met zijn commando-economie, de uiteindelijke overwinning zou inluiden van de markteconomie. Er heerste een welhaast euforisch optimisme. Men verwachtte een golf van marktliberalisering, zowel binnen als tussen landen. En inderdaad is er in de daarop volgende periode aanzienlijke vooruitgang geboekt, zoals de voltooiing van de Europese interne markt, de succesvolle afronding van de Uruguay Ronde, de vorderingen binnen NFATA, de overgang van de voormalige centrale planeconomieën naar een markteconomie, privatisering alom enz. enz.

Aan het einde van de jaren negentig keerde het tij echter en leek er sprake te zijn van een zekere liberaliseringsvermoeidheid. De Ministeriële vergadering van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation: WTO) in Seattle (december 1999), die oorspronkelijk was bedoeld als opstap naar een nieuwe handelsronde, de Millennium Ronde, mislukte door fundamentele tegenstellingen tussen de belangrijkste handelsmachten. In de West-West context manifesteerden deze zich in het meningsverschil over de agenda. De EU wilde een brede agenda om uitruil van concessies tussen verschillende beleidsterreinen mogelijk te maken, terwijl de VS de voorkeur gaf aan een beperkte agenda, waardoor sneller resultaat zou kunnen worden geboekt. Bovendien bestond er ook verschil van mening tussen beide over de liberalisering van de landbouw, waarin de Amerikanen verder wilden gaan dan de Europeanen. In de Noord-Zuid context wensten de ontwikkelde geïndustrialiseerde landen aandacht te schenken aan arbeids- en milieunormen. Maar dat stuitte op verzet van de ontwikkelingslanden die vreesden dat de toepassingen van (hoge) westerse standaarden hun concurrentievermogen zou aantasten. Zij zien het in feite als een verkapte vorm van Westers protectionisme. Ook verzetten de ontwikkelingslanden zich tegen de reeds eerder afgesproken bepalingen over de bescherming van intellectueel eigendom, in het bijzonder wat betreft medicijnen tegen aids. Zij wensten vermindering of opheffing van die bescherming indien de volksgezondheid in gevaar zou zijn, zodat zij de betrokken medicijnen zelf goedkoper konden produceren.

In Seattle verschenen ook de anti-globalisten voor het eerst op het wereldtoneel. Deze beweging bestaat uit vogels van diverse pluimage, zoals anarchisten, Trotskisten, Marxisten, Maoïsten, neo-fascisten, feministen, milieuactivisten, Derde Wereld groeperingen, de mensenrechtenbeweging, consumentenrechtenactivisten, religieuze groeperingen, de vakbeweging, de landbouwlobby enz. Afgezien van het feit dat velen van hen tegen het (neo-) liberalisme zijn, hebben zij geen gemeenschappelijke agenda. Maar globaal genomen kunnen zij worden gegroepeerd in twee stromingen: enerzijds degenen die de meer-partijen democratie met haar markteconomie voor een ander stelsel willen inruilen en, anderzijds, degenen die dat niet willen maar aanpassingen van ons maatschappelijk stelsel wensen op bepaalde onderdelen. De grootste gemene deler is misschien dat een meerderheid onder hen de huidige ongelijke inkomensverdeling binnen en tussen landen veroordelen. Zij zijn in het algemeen tegenstander van de multinationals die zij te machtig vinden. Zij zijn voorstander van zekere minimum arbeidsstandaarden omdat zij vrezen dat de export van landen met lage lonen en lage arbeidsnormen in de ontwikkelde landen zal leiden tot een ‘race to the bottom’. Datzelfde geldt voor milieunormen. Daarenboven wensen zij de bescherming van de nationale culturele identiteit, die naar hun oordeel wordt bedreigd door verschijnselen als ‘Disneyfication’ and ‘Coca-Colonization’. Zij zijn ook tégen de ongelijke kansen in het wereldhandelssysteem omdat zij ervan overtuigd zijn dat de multinationals en mensen in rijke landen het meeste profiteren van globalisering. Ten slotte verwerpen zij de concentratie van macht in ondemocratische instituties, zoals het IMF en de WTO.

De voorstanders van globalisering daarentegen verwerpen deze opvattingen. In het voetspoor van Adam Smith en David Ricardo beklemtonen zij de voordelen van de internationale arbeidsverdeling, die tot meer welvaart leidt vanwege de betere benutting van comparatieve voordelen, efficiencywinst, en schaalvoordelen. Dit zal leiden tot een verhoging van de levensstandaard voor brede lagen van de wereldbevolking. Deze heeft zich reeds gemanifesteerd, in het bijzonder in landen met een exportoriëntatie, zoals de Aziatische tijgers. Zij beschouwen globalisering daarom overwegend als een ‘positive sum game’. Wat betreft het argument van de tegenstanders dat globalisering zou leiden tot toenemende inkomensongelijkheid, erkennen sommige voorstanders dat dit inderdaad wel hier en daar gebeurt, maar dat dit als een tijdelijk verschijnsel dient te worden gezien dat onvermijdelijk is in landen die zich in de fase van economische ‘take-off’ bevinden. Anderen ontkennen dat de wereldwijde inkomensongelijkheid is toegenomen, zoals Xavier Sala-i-Martin, van de Columbia Universiteit in de VS, die heeft berekend dat zowel de wereldwijde inkomensongelijkheid als het aantal mensen in absolute armoede over de laatset dertig jaar is afgenomen. De voorstanders erkennen vaak ook dat het milieu hier en daar achteruit gaat, maar zij zien dat vooral als een locaal verschijnsel dat verholpen zal worden wanneer landen rijker worden. (Bij een inkomen van $ 8000 per hoofd beginnen landen in het algemeen met een serieus milieubeschermingsbeleid.) De voorstanders zijn voorts van mening dat de democratische controle op de multilaterale instellingen bevredigend is. Immers, het zijn de vertegenwoordigers van de (meestal) democratisch gekozen regeringen die daar de dienst uitmaken. Tenslotte geloven zij dat ondanks globalisering – sommigen zouden zelf beweren: mede dankzij de welvaartsverhoging als gevolg van globalisering – landen voldoende ruimte hebben om hun eigen sociale en economische doelstellingen te verwezenlijken.

Veel anti-globalisten maken deel uit van een of andere nietgouvernementele organisatie (NGO). Men moet er echter voor oppassen om alle NGO’s over een kam te scheren. Oxfam bijvoorbeeld is niet tegen internationale vrijhandel. Integendeel! Deze organisatie is erg kritisch ten aanzien van het handelsbeleid van de ontwikkelde landen. Volgens Oxfam is dit niet liberaal genoeg. Het beschuldigt hen van hypocrisie omdat zij extra hoge handelsbarrières ten opzichte van de ontwikkelingslanden handhaven, bijv op het gebied van de landbouw, textiel en lederwaren. Hiermee is Oxfam in zekere zin ‘plus royaliste que le roi’, of, met andere woorden, meer globalistisch dan vele overheden die zich voordoen als voorstander van globalisering.

Oxfam wijst er bijvoorbeeld op dat ongeveer driekwart van de armsten in de ontwikkelingslanden op het platteland leven. Hun inkomen is mede afhankelijk van exportmogelijkheden en van importconcurrentie. Door landbouwsubsidies van de rijke landen worden zij in feite van de wereldmarkt uitgesloten. Deze subsidies leiden ook tot oneerlijke concurrentie op locale markten, aangezien de plaatselijke kleine boeren niet kunnen concurreren met de gesubsidieerde landbouwprodukten uit Europa en de VS. Oxfam stelt dat de afspraken die tijdens de Uruguay Ronde over de landbouw werden gemaakt, werden aangekondigd als een triomf van politieke wil: het begin van een nieuw tijdperk waarin de verlaging van de subsidies in de rijke landen nieuwe kansen zou scheppen voor de arme landen. Maar, volgens Oxfam is daar tot op heden nog niets van terecht gekomen.

Na de mislukking van Seattle gingen de conferentiedeelnemers weer naar huis om hun wonden te likken. Op 11 september werd de wereld opgeschrikt door de terroristische aanvallen op het World Trade Center in New York. Velen hadden het gevoel dat de haat van de fundamentalistische Islam tegen de VS en het Westen meer in het algemeen mede werd gevoed door wrok als gevolg van de grote inkomenskloof tussen rijke en arme landen. Deels ook om politieke steun van de Derde Wereld te verwerven voor de ‘War against Terror’, werden de pogingen om te streven naar verdere handelsliberalisering daarom op andere leest geschoeid. Dat wat oorspronkelijk de Millennium Ronde heette, werd omgedoopt tot de Ontwikkelingsronde, om aan te geven dat er extra aandacht zou worden gegeven aan de belangen van de ontwikkelingslanden.

De eerstvolgende belangrijke WTO-vergadering na Seattle vond plaats in Doha (november 2001). Het resultaat daarvan werd als een glansrijk succes gepresenteerd. Maar de overeenkomst had alleen maar betrekking op de agenda van een toekomstige liberaliseringsronde; inhoudelijke onderhandelingen zouden later volgen. Ondertussen hebben de VS en Europa nieuwe maatregelen getroffen om hun landbouw te beschermen. De Amerikaanse landbouwwet die in mei werd goedgekeurd, stelt voor de komende tien jaar zo’n extra $ 180 miljard subsidie in het vooruitzicht, terwijl Frankrijk en Duitsland onlangs zijn overeengekomen om de hervorming van het Europese landbouwbeleid uit te stellen tot op zijn vroegst 2006.

Dat betekent dat het resultaat van Doha na een jaar reeds zijn glans heeft verloren. Die indruk werd nog eens bevestigd op een recente vergadering van handelsministers uit 25 landen die in Sydney plaatsvond. Hier hebben de ontwikkelingslanden opnieuw aangedrongen op voortgang op het gebied van de landbouw als een conditio sine qua non voor de Ontwikkelingsronde. Maar in het bijzonder Europa en Japan lijken daar niets voor te voelen. In landen waar rechts en links wedijveren om de beslissende stem van de boeren – hetgeen vooral in Frankrijk het geval is – is er sprake van een botsing van alternatieve logicas, waarbij de economische logica het vaak moet afleggen tegen de politieke logica. En op deze manier blijft de staart met de hond kwispelen.

Met een dergelijke opstelling van de verklaarde voorstanders van globalisering kan men zich in gemoede afvragen welke rol nog voor de anti-globalisten is weggelegd. John Kenneth Galbraith heeft eens – ietwat kwaadaardig – opgemerkt dat de enige groep die nog zonder reserves vrijhandel bepleitte, bestond uit hoogleraren economie met een vaste aanstelling. Laten we hopen dat hij ongelijk had.

Drs. H.J. Labohm is als gastonderzoeker verbonden aan het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen ‘Clingendael’.

Dit artikel is eerder verschenen op Tech Central Station.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Hans H.J. Labohm, topic: Globalisering
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.