maandag, 21 juli 2003
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Laf, Laffer, Lafst

Onder deze titel verscheen kortelings een artikel in “De Financiële Telegraaf”. Het betrof een systeem van zelffinanciering door middel van belastingverlagingen ontwikkeld door de Amerikaanse Econoom Prof. Arthur Laffer. Hiermede werd enigszins spot gedreven, maar dit idee van Laffer had jaren eerder reeds een uiterst effectieve voorganger: Andrew Mellon.


Aan deze Andrew Mellon wordt in het boek “The Myth of the Robber Barons”, ISBN 0-9630203-1-5, een heel hoofdstuk gewijd, dat hieronder wordt weergegeven.

ANDREW MELLON EN DE TWINTIGER JAREN

(van de Twintigste Eeuw)

Andrew Mellon is een van de meest onbegrepen mannen in de Amerikaanse geschiedenis. Als Minister van Financiën wist hij het Amerikaanse Congres te bewegen om belastingen te verlagen ten einde het kapitaal te vergaren, dat de befaamde Twintiger Jaren zo welvarend maakte voor vele Amerikanen. Zeer veel leerboeken echter doen het voorkomen dat hij uitsluitend de rijken bevoordeelde en dat hij de aanzet gaf tot de Grote Depressie.

Zelfs in de Twintiger Jaren, toen Mellon één van de bekendste mensen was van Amerika, riep hij sterke gevoelens op met zijn sensationele belasting plan. Als men echter de feiten beschouwt en allerlei mythen weg laat, kan de geschiedenis van Andrew Mellon ons veel leren over welk belastingbeleid deugt en welk niet.
In het algemeen gaat men ervan uit, dat belastingverhoging ook hogere belastinginkomsten betekent en dat belastingvermindering de belastinginkomsten verlaagt. Mellon echter betwistte deze algemene wijsheid.

“Het schijnt voor velen moeilijk te zijn om te begrijpen,”schreef hij, “dat hoge belastingen niet noodzakelijkerwijs grotere inkomsten voor de Regering betekenen en dat men meer inkomsten kan vergaren door lagere belastingen”.
Als Mellon niet een zeer geslaagde ondernemer in de petroleum-, en de aluminiumindustrie was geweest, dan zouden slechts weinigen zijn belastingfilosofie serieus genomen hebben.
Desondanks werd op 14 December 1929 Mellons zesde en laatste belasting vermindering van dat decennium aangenomen. Het was het toppunt van zijn belastingrevolutie. Vanaf 1921 tot 1929 werden de belastingschijven voor inkomens onder $ 4.000,– per jaar achtvoudig verminderd (van 4% naar ½%); voor de schijf tussen de $ 4.000,– en $ 8.000,– werd de belasting met een kwart verminderd (van 8% naar 2%) en belastingen op topinkomens werden met een derde verlaagd (van 73% naar 24%). De opbrengst aan inkomstenbelasting was een opzienbarend succes; deze was in 1929 meer dan één miljard dollar tegen 719 miljoen dollars in 1921 toen de inkomstenbelastingen veel hoger waren.

Andrew Mellon, wiens grootvader van Schots-Ierse afkomst, vanwege hoge belastingen naar Amerika was uitgeweken, had een goede handelsgeest en uitstekende kijk op ondernemerschap. Samen met zijn broer bouwde hij de familiebank uit en als zodanig steunde hij industriële ondernemers, die gedegen plannen hadden, maar gebrek aan kapitaal. Daarom steunde hij in 1890 Alcoa, omdat hij overtuigd was van de goede toekomst van aluminium in het industriële proces. In 1900 stopten hij en zijn familie 15 miljoen dollar in Gulf Oil, omdat hij overtuigd was, dat een verticaal bestuurd bedrijf de concurrentie met Standard Oil kon aangaan. En hij had gelijk. Gulf Oil legde pijpleidingen aan van Texas naar Oklahoma, vond het boren in zee uit en was de eerste, die benzinestations op de hoeken van de straten had om de auto’s van benzine te voorzien.

De sleutel tot het succes van deze en vele andere ondernemingen was kapitaal – venture capital met een hoog risico. Maar iemand moest toch de durf hebben, het geld en de visie om ondernemingen te steunen, die goede resultaten beloofden. Mellon had dit zo goed gedaan, dat hij in 1920 zo ongeveer een miljard dollars waard was, waarmede hij gelijk stond met John D. Rockefeller en Henry Ford als één van de drie rijkste mannen van Amerika.

Het uitstekende begrip van Mellon met betrekking tot de economie trok de aandacht van de nationale politieke leiders. Na de Eerste Wereldoorlog tobden zij met een stilstaande economie, een steeds groter wordende nationale schuld en zeer zwaar drukkende belastingen. De Republikeinse Warren G. Harding, winnaar van de presidentsverkiezingen in 1920 vroeg Mellon om in zijn regering Minister van Financiën te worden. Mellon, die 65 was en een wereldomspannend economisch rijk beheerde en zitting had in de directies van meer dan 60 naamloze vennootschappen, moest zich wel bedenken of hij een baantje van slechts $ 12.000,– per jaar zou aannemen. Na enig aandringen echter stemde hij toe.

Mellon kwam naar Washington in een uiterst moeilijke tijd in de geschiedenis van Amerika. De Eerste Wereldoorlog had een omslag betekend op de wijze waar men de rol van de Regering in het economische leven beschouwde. Voor de oorlog was de rol van de Federale regering in sturen, reguleren en belasten van het Amerikaanse bedrijfsleven, uiterst gering. Het Federale budget bedroeg minder dan 1 miljard dollars per jaar. De belastingen nodig voor het gaande houden van de Amerikaanse regering waren laag en eenvoudig te innen; land verkopen en in-, en uitvoerrechten waren de voornaamste bronnen van inkomsten. Vanaf 1910 waren er twee zaken, die voor enorme veranderingen in dit systeem zorgden: het aannemen van een wet op de inkomstenbelasting en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Het idee van inkomstenbelasting was reeds lang een onderwerp van discussie in de Amerikaanse geschiedenis. Gedurende de Burgeroorlog nam het Congres een belastingmaatregel van 3% op alle inkomens hoger dan $ 800,– en verhoogde het percentage daarna nog twee keer, maar deze maatregel werd in 1872 teruggenomen. Vervolgens in 1894 gedurende de economische teruggang, werd een voor ieder gelijke inkomstenbelasting ingesteld van 2% over alle inkomens hoger dan
$ 4.000,– per jaar. Het volgende jaar echter verklaarde het Hooggerechtshof deze wet ongrondwettelijk en moest deze worden ingetrokken.

Conservatieven waren algemeen tegen een inkomstenbelasting; hoge belastingen hielden investeringen tegen, was hun argument en elke inkomstenbelasting zodra dat werd toegelaten, kon eenvoudigweg worden verhoogd en was moeilijk te verminderen.
“Progressieven”, zoals zij zichzelf noemden, waren voorstanders van inkomstenbelasting en streden net zo lang om een amendement in de Grondwet te realiseren, die het Congres het recht verschafte om belasting te heffen op persoonlijke-, en bedrijfsinkomsten. Inkomstenbelasting volgens de theorie van de Progressieven kon aangewend worden in plaats van in-, en uitvoerrechten en zou de Federale regering meer macht geven.

De jaren tussen 1900 en 1920 worden vaak de Progressieve Tijd genoemd, want in die tijd begonnen de Progressieven zich met de politiek te bemoeien en vermeerderden zij de rol van de Federale regering in de Amerikaanse economie.
In 1913 lukte het hen om het 16e Amendement goedgekeurd te krijgen, die aan het Congres de mogelijkheid verschafte om inkomstenbelasting te heffen.
De inkomstenbelasting die dat jaar werd geheven was matig. Mensen die minder dan 3000 dollar per jaar verdienden en gehuwden met een inkomen van 4000 dollar betaalden geen belasting. Zij, die meer verdienden tot 20.000 dollar per jaar betaalden 1%. Tussen 20.000 en 50.000 dollar betaalde men 2%; tussen 50.000 en 75.000 dollar werd dat 3% en zo vervolgens. Het hoogste percentage was 7% over inkomens groter dan 500.000 dollar per jaar.
Onder dit stelsel betaalden weinig Amerikanen inkomstenbelasting en het merendeel dat betaalde viel in de 1% groep. De inkomsten uit deze belasting was gering, maar in 1913 had de Amerikaanse regering geen behoefte aan grote inkomsten want het had weinig geld nodig om efficiënt te kunnen werken.

In 1916 werden de percentages verhoogd in antwoord op het verzoek van President Wilson om op een komende oorlog voorbereid te zijn. Het werd 2% voor inkomens onder de 20.000 dollar tot 15% over inkomens van 2.000.000 dollar of meer.
In het volgende jaar nam Amerika deel aan de Wereldoorlog en de kosten rezen de pan uit tot de hoogste ooit. Enorme Regeringsprogramma’s kochten voedsel, wapens, en verdere benodigdheden voor Amerika en haar geallieerden. De Regering stelde ook de lonen en prijzen vast en controleerde vele soorten van industrieën.

Wilson gebruikte de inkomsten-, en ondernemingsbelasting om het oorlogsprogramma te financieren; de laagste belasting begon met 4% en steeg sterk naar 77%. Ondernemingsbelasting steeg tot 18%.
De meeste Amerikanen waren bereid om zich op te offeren en betaalden 7 miljard gedurende de oorlogsjaren. Daarenboven kochten zij voor miljarden dollars aan “Vrijheids Obligaties” van de regering. Aan het einde van de oorlogsjaren was de Nationale schuld gestegen van 1½ miljard dollars in 1916 tot 24 miljard dollars in 1919.

De geleide economie was de vervulling van een grote wens van vele Progressieven. Zij werden echter wel met een probleem geconfronteerd toen de inkomsten uit de hoge belastingen drastisch kelderden in 1919 en 1920. De ruime bestedingen van de federale regering, kon na de oorlog niet gestand gedaan worden tengevolge van de sterke vermindering van de belastingopbrengsten en de torenhoge nationale schuld.
“Er is een punt”, bemerkte president Wilson, waarbij in vredestijd hoge percentages inkomsten-, en winstbelasting, de energie ontnemen aan de mensen en industriële stagnatie bevorderen met als consequentie werkeloosheid en andere ellende”. De nevenproducten van oorlog en een steeds stijgende nationale schuld zouden duidelijk de problemen zijn voor de Twintiger Jaren.

Als Minister van Financiën begon Mellon met dat uitgangspunt en hij vergaarde en bestudeerde alle gegevens met betrekking tot de Amerikaanse economie. Hoge belastingen concludeerde hij waren grootste parasieten, die de Amerikaanse economie leegzogen. De rijken gaven zich enorm veel moeite om de hoge belastingen te omzeilen.

De hoge percentages zetten de belastingbetaler onder hoge druk en deze begon zijn kapitaal aan het productieve bedrijfsleven te onttrekken om dit geld te beleggen in belastingvrije fondsen…. Het gevolg was, dat de belastingbronnen begonnen uit te drogen, rijkdom bleef in gebreke om de belastingopbrengst te schragen en kapitaal werd in kanalen gesluisd, die geen profijt hadden voor de Regering of het volk.

Mellon publiceerde zijn bevindingen zoals in de tabel weergegeven. Tussen 1916 en 1921 was het aantal van mensen, die meer dan 300.000 dollar verdienden teruggelopen en daarmede ook de gemiddelde inkomens. De rijken waren niet minder rijk, maar slimmer; zij belegden hun fortuin in belastingvrije obligaties. Dit onderwerp van belastingvrije obligaties werd erg belangrijk, omdat de Federale Regering de staten en steden toestond om belastingvrije obligaties uit te geven. Als nu de belasting hoger werd dan 50% over de topinkomens dan werden gemeentelijke obligaties, die slechts 5% uitkeerden, winstgevender dan aandelen, die 11% opbrachten. Aangezien er echter praktisch geen onderneming in het gehele land een dividend van 11% per jaar uitkeerde, vloeide het kapitaal naar gemeentelijke projecten over het gehele land.

Tabel Jaar Aantal betalingen Netto Inkomen Alle schijven Inkomen > $ 300.000 Alle schijven Inkomen > $ 300.000 1916 $ 437,036 $ 1,296 $ 6,298,577,620 $ 992,972,986 1917 3,472,890 1,015 13,652,383,207 731,372,153 1918 4,425,114 627 15,924,639,355 401,107,868 1919 5,332,760 679 19,858,491,448 440,011,589 1920 7,259,944 395 23,735,629,183 246,354,585 1921 6,662,176 246 19,577,212,528 153,534,305

In 1923 schatte Mellon, dat de Amerikanen een dikke 12 miljard – een drievoudige vermeerdering in 10 jaar – aan belastingvrije obligaties bezaten. Deze 12 miljard was bijna drie keer zoveel als het nationale budget en meer dan half zoveel als de nationale schuld.
Al deze rijken, die hun geld in gemeentelijke obligaties belegden gaven Mellon grote zorgen. De Amerikaanse industrie schreeuwde om kapitaal, terwijl de steden over een overvloedige hoeveelheid geld tegen lage rente konden beschikken of zij het nu nodig hadden of niet. Op die manier hadden de Verenigde Staten meer fantastische football stadions en gemeenschapsruimten maar steeds minder bedrijven en fabrieken, waar de gewone man een vaste betrekking kon vinden.

Mellon wist uit de eerste hand hoe moeilijk het was voor speculatieve ondernemingen, zoals alumini-umfabricage of boren naar olie, om het kapitaal te verkrijgen om te slagen. Arme en modale mensen konden het geld niet opbrengen voor deze hoge risico dragende ondernemingen. Alleen de rijken konden het zich permitteren om venture kapitaal te besteden. Omdat het topinkomen zich daaraan echter onttrok hadden specifiek nieuwe ondernemingen het moeilijk om van de grond te komen, maar niet alleen nieuwe ondernemingen, ook bestaande konden geen kapitaal krijgen voor uitbreiding of vernieuwing.

Mellon noemde William Rockefeller, een broer van John D., als voorbeeld. Toen deze Rockefeller in 1923 overleed bleek hij 44 miljoen dollar in belastingvrije obligaties te bezitten en slechts 7 miljoen in Standard Oil.
Mellon verzocht het Congres om iets aan de belastingvrijheid te doen, maar wist ook, dat dit niet voldoende zou zijn en zeker geen vlugge oplossing. Zo lang belastingen hoog waren zouden investeerders wegen vinden om deze te ontlopen. De belastingen moesten werkelijk drastisch omlaag om het grote kapitaal terug te lokken naar het productieve ondernemerschap en hij gaf een draai aan zijn argumentatie: meer (belasting)inkomsten kunnen veelal verkregen worden door lage percentages.
Niet meer inkomsten van de rijken, voorspelde Mellon, maar er zou meer inkomsten over de gehele breedte verkregen worden als de tarieven werden verlaagd en hij gaf daarbij Henry Ford als voorbeeld.

Is er iemand, die durft te betwijfelen, dat de Heer Ford meer heeft verdiend door de prijs van zijn auto te verlagen (van $ 3.000 naar $ 380) en dat hij daarmede zijn omzet zodanig vergrootte dan als hij de hoge prijs had gehandhaafd – en meer winst per auto zou hebben gemaakt – maar veel minder auto’s had verkocht?

Mellon was zich er natuurlijk van bewust, dat er een limiet was waartoe belastingen verlaagd kunnen worden en toch extra inkomsten genereren. “Het probleem voor de Regering”, zij hij, “is om zulke percentages vast te stellen, die het maximum aan inkomsten voor de staatskas genereren, zonder een te grote druk op de belastingbetaler of het bedrijfsleven te leggen”. Mellon vermoedde, dat 25% het maximum was, dat de rijken aan belasting zouden willen betalen voor zij de vlucht namen naar belastingvrije mogelijkheden.

Mellons voorspelling, dat verlagen van de belastingpercentages meer opbrengst voor de Regering was van begin af aan uiterst controversioneel. De Progressieven huiverden bij het idee alleen al; maar ook de conservatieven werden er zenuwachtig van. Voor hen stond het in balans brengen van het budget en de nationale schuld voorop. Meer dan 7½ miljard dollar aan 4% Vrijheids obligaties moesten in 1923 uitbetaald worden. Hiervan zou niets terecht komen als Mellon het bij het verkeerde eind had. De Regering zou deze obligaties dan moeten herbeleggen tegen een waarschijnlijk hogere rente en dan dus elk jaar meer geld moeten lenen om de verminderende belastingopbrengsten voor het aflossen van de steeds groeiende nationale schuld.

Het zou dan steeds moeilijker worden om het budget in balans te krijgen, daarmede zou het vertrouwen in de Regering teruglopen, renten zouden hoger worden en investeerders zouden hun kapitaal uit de Amerikaanse economie terugnemen. De economische terugslag sinds de oorlog zou dan wellicht gedurende de gehele Twintiger Jaren door lopen.
Mellon moest zijn ideeën eerst tegen President Harding en later tegen President Coolidge met kracht verdedigen, totdat beiden eindelijk besloten hem in zijn streven te steunen.

Als de plaatselijke “Financier van het Universum” dwong Mellon echter veel respect af en toen hij in 1924 “Belastingen: Een zaak voor het Volk” schreef had hij de volledige steun van de President. Door de pers werd zijn voorstel het “Mellon Plan” genoemd.
De vier hoofdzaken waren:
1. Verlaag het hoogste percentage naar 25%. Dit was één van de eerste maatregelen, die hij bij zijn
aantreden voorstelde. In 1921 verlaagde het Congres het percentage van 73 naar 58%, maar hierna
ontmoette hij veel tegenstand. De Progressieven wensten een hoog percentage en daarbij hadden zij de logica van de democratische politiek aan hun zijde: weinig kiezers verdienden een hoog inkomen en velen van hen waren afgunstig op hen, die wel een hoog inkomen hadden. Daarom was er altijd wel steun te vinden voor een “Kleed de rijken uit” politiek. Zoals eerder al gesteld was Mellon het daarmede niet eens en meende hij, dat 25% het maximum haalbare was.

2. Verlaag de belastingen op de lage inkomensgroep. Toen Mellon in dienst kwam was het percentage 4% op inkomens van $ 4,000 per jaar of minder en 8% op inkomens groter dan $ 4,000
Mellon wenste deze tarieven te verlagen van 4% naar3% en van 8% naar 6%: naderhand stelde hij dat deze nog verder verlaagd moesten worden. Dit was niet slechts politiek slimmigheid, maar stellige overtuiging van hem. De belastingpolitiek stelde hij: ” moet zo veel mogelijk de lasten verlichten van hen, die deze het minst goed kunnen dragen”. Om dit te versterken stelde hij een verlaging voor van 25% op inkomsten uit arbeid ten opzichte van inkomen verkregen uit investeringen.
Ook verlangde hij, dat belastingen op telegrammen, telefoons en bioscoopkaartjes ongedaan gemaakt moesten worden. Speciaal de laatste belasting was onterecht want juist voor de gewone man met een klein inkomen, was bioscoopbezoek een van de weinige mogelijkheden tot recreatie.
Het zou een vermindering van belastinginkomsten betekenen van 70 miljoen dollar, maar daartegenover betekende het een directe besparing voor de velen voor wie de belastingdruk verlaagd moest worden.
Uiteraard waren de “Progressieven” hier fel tegen. Er waren er, die belasting wilden heffen bij inkomens van $ 800. In 1925 was een senator uit die groep fel tegen de belasting verlaging, die Mellon door voerde van 1,5% naar 0,5% op inkomens van minder dan $ 4.000 per jaar.

3. Verlaag de federale successierechten (belasting op erfenissen). In 1916 had het Congres de eerste successierechtenwet ingesteld. De percentages liepen op en begonnen bij erfenissen van $ 50.000 en meer. Tegen de tijd dat Mellon minister werd was de hoogte al gestegen van 5% tot 25% en dit werd door de Progressieven verder opgevoerd tot 40% tegelijkertijd, dat het Mellon plan bekend werd. Mellon was faliekant tegen. Hij was van mening dat de staten zelf deze belasting ten uitvoer moesten leggen en niet de federale regering. Hij was bovendien van mening, dat aandelen en grote bezittingen
onmogelijk hun volledige waarde konden verkrijgen als zij hals over kop verkocht moesten worden door de erfgenamen om aan de belastingen te kunnen voldoen. Daarbij zouden hoge successierechten op grote bezittingen, de eigenaren naar belastingvrije mogelijkheden doen uitwijken.
En dat was precies wat er gebeurde in 1930, zoals Mellon toen kon bewijzen.

4. Een veel efficiëntere regering. In 1919 was het federale budget $ 18 miljard; Mellon had graag, dat de federale budgets zouden verminderen tot $ 4 miljard. Minder regeringsuitgaven betekenden minder noodzaak voorbelastinginkomsten en daarbij een gerede kans om de staatsschuld van $ 24 miljard terug te dringen.
In zijn eigen ministerie verlaagde hij de personeelsuitgaven en hij verlaagde ook het aantal belastingambtenaren door er elke dag gedurende de 20’er jaren één te ontslaan. Dat kon ook makkelijk, omdat door de mindere belastinginkomsten er minder mensen nodig waren om de administratie te verwerken en de belasting biljetten te controleren. Hij had ook andere ideeën. Zo verkleinde hij de bankbiljetten, opdat deze beter in de portemonnaies pasten en bespaarde daarbij op kosten voor papier en inkt.

De plannen van Mellon waren voortdurend onderwerp van discussie gedurende de 20’er jaren waarbij twee verschillende politieke gezichtspunten met elkaar in strijd waren. Op zich maakte het niet eens zo veel uit of iemand met een inkomen van $ 4.000 per jaar $120 betaalde of $ 67,50, zoals Mellon wenste. De Progressieven echter wilden juist deze kleine bedragen incasseren om die bij de enorme
sommen te voegen, die zij van de rijken meenden te kunnen ontvangen. Daarbij wilden zij deze gelden gebruiken voor zulke sociale voorzieningen als steun aan de boeren, opdat zij hun overschotten voor een lagere prijs konden verkopen, een extra vergoeding betalen aan de veteranen van de Eerste Wereldoorlog, of voor de financiering van het regeringsproject voor energie in de Tennessee Vallei.
Mellon daarentegen, wilde de opbrengsten gebruiken om de staatsschuld te lenigen. Hij noemde de plannen van de Progressieven: “geld uit de zakken van alle mensen troggelen, opdat het uiteindelijk zijn weg zal vinden in de zakken van weinigen”.

In 1923 overleed President Harding en werd Coolidge president. Deze kon het uitstekend met Mellon vinden en was het ook roerend met hem eens wat de belastingpolitiek betrof. In 1924 werd Coolidge herkozen als president. De Republikeinen beleefden een enorme overwinning op de Democraten en de belastingplannen hadden daarbij een grote rol gespeeld. Deze plannen werden in 1926 door het Congres aangenomen. In 1928 en 1929 stelde Mellon nog verdere belastingverlagingen voor en het Congres nam ook deze aan. Successierecht werd gehalveerd tot 20%; top inkomens betaalden slechts 24% en lagere inkomens kregen nog verdere verminderingen.

De Progressieven konden het succes van de belastingverlagingen niet tegenspreken en daarom trachtten zij Mellon zelf in diskrediet te brengen. Zo stelde een Senator, dat Mellon zelf een grotere persoonlijke vermindering kreeg dan praktisch de verzamelde belastingbetalers van de Staat Nebraska. De statistieken echter wezen uit, dat Mellon zelf meer inkomstenbelasting betaalde dan alle belastingbetalers in Nebraska.
Een andere aantijging van progressieve zijde was, dat het plan van Mellon niets minder betekende dan verlaging van de belasting van de rijken ten koste van de kleine belastingbetaler, of dat het Mellon Plan niets anders bedoelde dan, dat de rijken niet wensten bij te dragen noch gedwongen konden worden om hun volledige deel van de lasten te dragen.

De uitkomsten van Mellons plan wezen echter uit, dat de zware lasten juist wel naar de rijken over gingen. In 1921 betaalden mensen met een inkomen van minder dan $ 10.000 per jaar bijna net zoveel belasting als zij die een inkomen hadden van meer dan $ 100.000 per jaar.
In 1926 waren de verhoudingen juist andersom: zij die meer dan $ 100.000 p.j. verdienden betaalden tien keer zo veel belasting als zij, die een inkomen hadden van $ 10.000 p.j.
Intussen waren de belastinginkomsten tussen 1921 en 1926 enorm toegenomen. Deze trend zette door in 1928 en 1929. In 1929 waren de totale belastinginkomsten meer dan $ 1miljard dollar.
Zij met een inkomen boven de $ 100.000 betaalden echter 65% en zijn met een inkomen onder de
$ 10.000 slechts 1,3% van de totale belastinginkomsten.

Belastinginkomsten van inkomensgroepen voor en na de belastingverlagingen van 1926. Inkomensgroep Belastinginkomsten van de inkomensgroepen 1921 1926 < $ 10.000 $ 155,1 $ 3,5 10.000 - 25.000 121,8 70,3 25.000 - 50.000 108,3 109,4 50.000 - 100.000 111,1 136,6 > 100.000 194,0 361,5 Totaal 690,2 710,2

Als laatste strijdmiddel begonnen de progressieven de integriteit van Mellon aan de kaak te stellen.
Zo zou hij Republikeinse vriendjes en grote bedrijven waarin hij grote belangen had, zoals Alcoa begunstigen met terugbetalingen van te veel betaalde belastingen. Gedurende de Twintiger Jaren werd $ 3,5 miljard terug betaald. Alcoa kreeg % 15 miljoen terug vanwege een vermoede overbelasting gedurende de Wereldoorlog. Terugbetalingen gingen ook naar Gulf Oil en naar mensen, die de Republikeinen gedurende de verkiezingen van 1930 hadden gesteund met $ 10.000.
De aanvallen suggereerden dat Mellon zijn functie gebruikte om zichzelf en zijn vriendjes te verrijken.
Niets was minder waar.

De Raad van Beroep voor Belastingen besliste over deze zaken. Deze Raad gaf gedurende de 20’er jaren inderdaad $ 3,5 miljard terug, maar in diezelfde periode inde zij $ 5,3 miljard aan te weinig betaalde belastingen. De Staat ontving dus meer aan nabetalingen dan dat zij aan terugbetalingen uitgaf.
En zowel Democraten als Republikeinen behoorden tot de winnaars of verliezers.

Onder het Presidentschap van Herbert Hoover echter veranderde de gehele situatie. Na de crash van 1929 kwamen de Democraten, en daarmede de Progressieven, aan het bewind en het gehele belastingstelsel werd weer veranderd.
Toen Roosevelt aantrad als President in 1933 waren de belastingen over de topinkomens weer verhoogd (in 1935 zelfs 80%) en gingen de rijken er weer toe over hun geld zo te beleggen, dat zij geen belasting erover behoefden te betalen.
Om tegemoet te komen aan het verlies aan inkomsten vaardigde het Congres weer een hele serie van belastingen uit, zoals op bank cheques, bioscoopkaartjes, telefoongesprekken, benzine, auto’s, banden, elektriciteit smeeroliën en druivensappen. Ook de “drooglegging” werd opgeheven en drank werd ook belast. De fameuze New Deal werd voornamelijk gefinancierd met deze belastingen
Wat er gedurende de presidentschappen van Roosevelt nog meer aan uiterst discutabele financiële trucs werd uitgehaald kan een heel boek vullen.

Heel erg opvallend is echter, dat vermaarde economen in hun boeken Mellon eerder in een kwaad daglicht stellen als iemand, die de rijken een hand boven het hoofd hield en de minder gefortuneerden ervoor liet opdraaien. Ook wordt er geen gewag van gemaakt, dat Mellons belastinginzichten terecht waren en de schatkist uiteindelijk meer opleverden dan eerst. Daarbij kreeg de nationale economie meer vrijheid en werd het hele land er beter van.

Dit vond zijn weerslag in de befaamde “Roaring Twenties”. Overigens was dat niet de enige oorzaak. De Federal Reserve – de Nationale Staatsbank, zoals de Nederlandse bank – bleef gedurende de 20er Jaren extra geld bijdrukken. Deze vloed van inflatoir geld had tot gevolg, dat de rente daalde, de beurs tot grote hoogten opstuwde. De nationale economie had een geweldige tijd, want de regering financierde het. Daarnaast werden toch nog steeds invoerrechten geheven, die steeds grotere vormen gingen aannemen.
Mellon kon aan deze gang van zaken weinig doen, hoewel hij invoerrecht op aluminium niet afkeurde.

De inflatie in de 20er Jaren werd verdoezeld, doordat de prijzen redelijk stabiel bleven en de substantieële belastingverlagingen bevorderden investeringen en een werkelijke economische groei.
Deze op hun beurt brachten een explosie van technologische vooruitgang te weeg en het bedrijfsle-ven vond goedkopere productiemethoden uit.
Maar de slechte investeringen, die door geldontwaarding ontstonden, moesten vroeger of later gecor-rigeerd worden.
Elke kunstmatige geld en crediet expansie veroorzaakt onbalans in de economische verhoudingen, die valse signalen afgeven en de gehele economie rijp maken voor een terugslag. Een terugslag, die wordt versterkt als de regering haar politiek van ruime geldmiddelen wijzigt naar die van krapte.

En dat is precies wat er gebeurde. In 1929 stopte de Federale Reserve de inflatoire geldstromen en verhoogde de rentestand en dit hield zij 3 jaar achter elkaar vol. De geldstroom verminderde met 30%!
Deze deflatie volgend op de inflatie ontwrichtte de economie van een enorme groei tot een kolossale terugslag.

Deze gang van zaken was de aanleiding voor de befaamde krach van 1929 en een jarenlang voort-slepende depressie. Mellon kan dit echter niet verweten worden.

Burton W. Folsom

Vertaling door Henk Jelgerhuis

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Burton W. Folsom, topic: Belastingen en Inkomens- herverdeling, Economie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Appie schreef op : 1

    Prachtig verhaal, zoals je ziet zijn de verschillen met dat van tegenwoordig niet veel anders.

    Geen belastingen zoals de libertarianen beamen zou het beste zijn. Maar voor verlagingen zal ook veel ammo zijn.

  2. Tim Banga (Timbo 747) schreef op : 2

    Wij zijn bezig met een “Sector Werkstuk”. Wij hebben hier veel informatie weg kunnen halen. Dank U zeer.