donderdag, 25 maart 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Goud en economie


Dit is de inleiding van een nog te verschijnen bundel verzamelde beschouwingen over Goud van de Frédéric Bastiat Stichting. Op 30 Maart aanstaande houdt de Frédéric Bastiat Stichting over dit onderwerp een lezing in de Balie in Amsterdam. Voor details zie www.bastiatstichting.nl. Voor deze lezing zijn nog een zeer beperkt aantal plaatsen beschikbaar. Alleen na bevestiging van uw aanmelding kunt u verzekerd zijn van een plaats voor deze lezing.

goldbar-w3.jpgDe 20e eeuw was er een van aanhoudende, wereldwijde monetaire crises. De 21e eeuw biedt vooralsnog geen uitzicht op beterschap. Integendeel. De dollar, in feite nog altijd de enige wereldmunt, kent moeilijke tijden en de Amerikaanse economie staat er, wegens haar naar historische normen buitengewoon hoge schuldenlast, niet echt florissant voor. Het is niet waarschijnlijk dat de euro, een politiek gedrocht zonder veel economische zin, een geldig alternatief voor de dollar kan worden. De Europese economieën zijn geen toonbeeld van vitaliteit. De uitbreiding van de Europese Unie en in het spoor daarvan de Eurozone zal ongetwijfeld aanleiding geven tot nog meer touwtrekken rond het beleid van de Europese Centrale Bank dan nu al het geval is. De demografische ontwikkeling is niet gunstig. In Europa slaat de vergrijzing harder toe dan elders. Er staat een grote massa uitkeringsgerechtigden en kinderloze mensen klaar die er weinig belang bij hebben enig kapitaal aan de volgende generatie na te laten. Zij hebben er des te meer belang bij het door henzelf of de belastingbetalers gevormde kapitaal op te souperen. Ongeveer hetzelfde doet zich voor in Japan. De ‘powerhouses’ van de twintigste-eeuwse wereldeconomie staan moeilijke tijden te wachten.

Dollar, euro noch yen—wat dan wel? De Chinese renminbi? De Russische roebel? Mogelijk, maar niet waarschijnlijk.

Honderd jaar geleden zouden die vragen weinig zin gehad hebben. De wereld kende, op een enkele uitzondering na, maar één soort geld: goud. Die ene uitzondering was China, en daar was zilver het meest gebruikte geld. Nu is het goud uit het geldverkeer verdwenen. Waarom? Het antwoord op die vraag is de monetaire tragedie van de voorbije eeuw.

Die tragedie begon in de Eerste Wereldoorlog. De oorlogvoerende staten, bevreesd voor de publieke opinie, deinsden ervoor terug de kosten van hun oorlogsinspanningen met regelmatige belastingheffing en andere openlijke confiscaties en rantsoeneringen te financieren. Via geldschepping en kredietmanipulatie gaven zij zichzelf de financiële middelen om mensen en materiaal te betalen tegen prijzen die anderen zich niet konden veroorloven. Dat was niet ongebruikelijk in oorlogstijd, maar de Eerste Wereldoorlog duurde langer en kostte meer dan de regeringsleiders voorzien hadden. Door de oorlogsfinanciering ging de waarde van de nominale geldeenheden (francs, marken, ponden, enzovoort) spectaculair dalen—temeer doordat het geld niet geïnvesteerd werd in welvaartsvermeerderende productie maar in een op welvaartsvernietiging gerichte ‘oorlogseconomie’.

Een rechtstreeks gevolg daarvan was dat de gouden standaard, die aan het einde van de negentiende eeuw de norm van het mondiale monetaire systeem geworden was, losgelaten moest worden.

Onder de gouden standaard was, althans in beginsel, elke franc, elk pond, elke mark volledig gedekt door een welbepaalde hoeveelheid goud. Iedere geldgebruiker had in beginsel het recht tegen relatief lage kosten zijn bankbiljetten of tegoeden op rekening om te zetten in goud tegen de officiële vaste (bij wet bepaalde koers) koers. De hoeveelheid bankbiljetten en banksaldi was dus, eens te meer in principe, beperkt tot de hoeveelheid goud dat bij de banken in bewaring was gegeven.

De gouden standaard was verre van perfect. In feite was hij de consolidatie van een systeem waarin de nationale staten reeds een grote controle hadden verworven over de banken. De belangrijkste factor in dat proces was de oprichting in elke staat van een nationale of centrale bank met een monopolie voor het in omloop brengen van papieren geld en een geprivilegieerde rol als bankier van de overheid en, niet minder belangrijk, van de commerciële banken. De centrale bank fungeerde als een ‘lender of last resort’—een soort opperleenheer van de nationale economie. In haar functie van bank van de banken, kon zij de banken helpen in hun streven naar winst. Die winst haalden zij vooral uit hun rol als kredietverstrekkers. Zij hadden er belang bij zoveel mogelijk van het bij hen gedeponeerde geld in de vorm van krediet uit te lenen, vooral voor industriële en handelsdoeleinden. De centrale bank was aldus een belangrijke factor in de uitvoering van het nationale economische beleid—en dus in de versteviging van de greep van de politiek op de economie.

Die situatie leidde regelmatig tot ontsporingen wanneer de banken al te gretig ingingen op de vraag naar meer en goedkoper krediet vanwege overheden, handelaars of industriëlen. De gouden standaard hield die ontsporingen echter binnen relatief enge perken.

Wanneer kredietverlening in een bepaald land tot geldschepping leidt, dan vermindert aldaar de verhouding goudreserves / geldhoeveelheid (in de vorm van bankbiljetten en banksaldi). Mensen zijn dan geneigd hun chartaal geld om te zetten in goud. Vooral de buitenlandse banken zullen niet nalaten dat te doen. Het land verliest dan goudreserves aan het buitenland. Onder de gouden standaard is dat een onhoudbare situatie. De centrale bank zal maatregelen moeten nemen om de geldhoeveelheid te verminderen opdat de volledige gouddekking ervan gehandhaafd zou worden.

Na de Eerste Wereldoorlog bleek er zoveel geld in omloop te zijn dat het niet mogelijk was terug te keren naar de vooroorlogse goudwaarden van de nationale munten. De daartoe nodige vermindering van de geldhoeveelheid of devaluatie van de nationale munt in termen van haar goudwaarde was politiek niet haalbaar. Of, beter, niet nodig. De politici van de oorlogvoerende staten hadden immers geleerd hoe handig kredietmanipulatie en geldschepping waren om op grote schaal mensen en middelen te mobiliseren zonder al te zwaar op het belastingpedaal te trappen.

Liever dan de goudwaarde van hun munten te herstellen en te vrijwaren gingen de centrale banken van politieke en militaire bondgenoten samenwerken om te beletten dat er al te grote bewegingen van goud van het ene land naar het andere zouden optreden. Dat kwam erop neer dat zij hun inflatie op elkaar gingen afstemmen. In de plaats van het ene wereldgeld, goud, kwam er een mozaïek van nationale munten die zou moeten worden samengehouden door afspraken en solidariteit onder de centrale banken (en dus onder de nationale overheden wier agenten die banken in feite zijn).

Het mondiale monetaire systeem ontaardde alzo in een kakofonisch concert van leerling-tovenaars. De gevolgen waren voorspelbaar. Monetaire en financiële crises, soms uitmondend in hyperinflaties, volgden elkaar in snel tempo op. Van tijd tot tijd werden pogingen ondernomen om de zaak recht te trekken. De meest ambitieuze poging kreeg haar beslag in 1944 in Bretton Woods, aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van de wereld aanvaardde toen de Amerikaanse dollar als monetaire standaard. Dollars bleven tegen een vaste koers inwisselbaar in goud, terwijl alle andere munten—zo was althans het voornemen—tegen een vaste dollarkoers zouden verhandeld worden. De Amerikaanse centrale bank, het Federal Reserve System, werd aldus de centrale bank van de niet-communistische wereld.

Bevrijd van nagenoeg elke automatisch werkende externe controle konden de Amerikanen naar willekeur dollars produceren. De dollar werd immers gretig aanvaard door de andere centrale banken, die op basis van hun dollarreserves hun nationale munten konden inflateren.

Hoewel het Bretton Woods systeem al in 1971 roemloos ten onder ging toen ook de Amerikanen hun munt loskoppelden van het goud, blijft de dollar tot op heden de centrale wereldmunt—en blijven de Amerikanen zich gedragen alsof de vraag naar dollars oneindig is.

Monetaire crisissen blijven voorlopig nog geconcentreerd in de periferie van het mondiale monetaire systeem, in de Derde Wereld en de ‘nieuwe markten’ in Zuid- en Midden-Amerika (Brazilië, Mexico, Argentinië), Rusland en Zuid-Oost Azië (Thailand, Indonesië).

De grote vraag is echter wat er met de dollar gaat gebeuren. Wat die vraag bovendien ergerlijk maakt is het feit dat de dollar, nu hij helemaal los van het goud staat, een door de Amerikaanse monetaire autoriteiten willekeurig manipuleerbare grootheid is. Dat betekent dat het lot van de wereld, van miljarden mensen, grotendeels in handen ligt van een heel klein aantal lieden. Die dragen geen enkele reële verantwoordelijkheid en kunnen op geen enkele wijze aansprakelijk gesteld worden voor wat zij aanrichten. Hetzelfde geldt uiteraard voor de monetaire autoriteiten elders in de wereld die hun nationale munten op basis van vooral hun dollarreserves manipuleren om hun export naar de Verenigde Staten veilig te stellen of om hun eigen nationale economieën te ‘stimuleren’ en werkgelegenheid te scheppen (door investeringen aan te moedigen zonder veel aandacht voor de vraag of die ooit zullen renderen).

Als—of, zoals velen nu zeggen, wanneer—de dollar het vertrouwen van de andere mogendheden en hun centrale banken verliest, dan ligt een dollarhyperinflatie in het verschiet die niet alleen het grotendeels op de dollar gebaseerde financiële en handelsverkeer in de wereld zal ontredderen maar ook een belangrijk deel van de ‘papieren rijkdom’ die mensen in hun portefeuille hebben, zal wegvagen. De dollarinflatie van de laatste decennia heeft immers niet geleid tot een fenomenale stijging van de consumptiegoederen maar wel tot een fenomenale stijging van allerlei aandelen, obligaties en andere financiële producten die mensen beschouwen als een deel van hun vermogen. Het illusoire karakter en de kwetsbaarheid van die papieren rijkdom bleken recent in de crisis van 2001, toen vele Westerlingen in een korte tijdspanne hun vermogen aanzienlijk zagen slinken.

Daar ligt het grote risico van de huidige papieren—of exacter, in het licht van de automatisering van het geldverkeer, digitale—geldstandaard. Het huidige systeem van ‘fiat money’ is een reusachtige hefboom die een relatief kleine beweging aan het ene einde kan omzetten in een massale beweging aan het andere einde. De handelingen van een handvol centrale bankiers en hun politieke meesters worden via banken, financiële managers en consulenten, ‘gecommuniceerd’ aan miljoenen, c.q. miljarden mensen die dan allemaal min of meer gelijktijdig proberen het beste te maken van de situatie zoals zij die zien en ervaren. Dat is een recept voor economische en financiële discoördinatie en uiteindelijk voor chaos.

Dat alles is een hoge prijs voor de demonetarisering van het goud en het zilver. Het is bovendien een prijs die mensen niet uit eigen beweging betalen of betaald hebben. Zij zijn er door de overheden toe gedwongen via confiscaties en schijnbaar louter technische wetgeving, die het falen van de politieke en monetaire overheden aan het oog moesten onttrekken. Zoals op andere terreinen, zo geldt ook op het monetaire vlak dat politieke interventies vooral meer en grootschaliger interventies uitlokken.

Het is waar dat de meeste mensen in die toestand berusten en zelfs niet vermoeden dat er alternatieven zijn. Die situatie is wellicht een van de grootste successen van de twintigste-eeuwse staat en de indrukwekkende zichzelf reproducerende propagandamachines (onderwijs en media) waarvan hij zich bedient om de geesten te vormen.

Goud en zilver zijn de enige vormen van geld die zowel op grond van de historische ervaring als het theoretisch inzicht in de functies van het geld voor een vlotte economische coördinatie zorgen en tegelijkertijd goede, van niemands willekeur afhankelijke waarborgen voor het behoud van koopkracht geven. Dat is niet verwonderlijk. Zij zijn niet willekeurig vermenigvuldigbaar en zij functioneren alleen als geld als en omdat zij deel uitmaken van het reële vermogen van de particulieren. Afgezien van andere duurzame economische goederen, zoals huizen, gronden, juwelen en dergelijke, die moeilijk verhandelbaar en dus weinig liquide zijn, zijn zij de enige vormen waarin men een vermogen kan opbouwen en bewaren dat niet uit schuldvorderingen op andere mensen, bedrijven of overheden bestaat—dat dus niet afhankelijk is van wat anderen doen of overkomt. Dat is ook de reden waarom, ondanks de de-monetarisering van het goud en het zilver, de edele metalen toch interessante beleggingen blijven. In het bijzonder het waardenverloop van het goud blijft dan ook een heel eigen ‘monetair’ karakter vertonen: het weerspiegelt de mate van vertrouwen of wantrouwen van de geldgebruikers in het papieren en digitale geld dat hun overheden hun opdringen.

Papieren of digitaal geld is gedoemd zijn waarde te verliezen. Het is het geld van de centrale banken en hun politieke voogden. Het is niet het geld van de mensen. Zij mogen er slechts gebruik van maken zonder enige waarborg voor de integriteit ervan. Het papieren of digitale geld is een middel om mensen en middelen te mobiliseren, dus om belastingen op te leggen—zij het op een wijze die voor niemand tot in de details traceerbaar is.

Het goud daarentegen behoudt zijn waarde ondanks de vele fiscale aanslagen en manipulaties door de centrale banken (en de bankwereld in het algemeen) die het in de voorbije eeuw heeft ondergaan. Volgens de Amerikaanse monetaire statistieken was een dollar in 1913, bij de oprichting van het Federal Reserve System, ongeveer evenveel waard als twintig dollar nu, negentig jaar later. De dollarwaarde van het goud was toen 20 dollar per ounce. Nu wordt het goud verhandeld tegen ongeveer 400 dollar per ounce. De rekening is vlug gemaakt.

Speelt het goud geen rol meer in het betalingsverkeer dan wil dat dus niet zeggen dat zijn monetaire rol uitgespeeld is. Een goed begrip van de monetaire economie moet beginnen met een goed begrip van de monetaire rol van het goud zowel voor als na de politieke de-monetarisering ervan.

De in deze bundel verzamelde beschouwingen geven op een voor leken toegankelijke wijze een goed inzicht in de problematiek van het goud in de economie van vroeger, nu en vooral ook morgen. De bundeling ervan is een lovenswaardig initiatief van de Bastiat Stichting. Ik hoop dat de lectuur ervan zal aanzetten tot een grotere aandacht voor de monetaire ontwikkelingen.


Prof. Dr. Van Dun is Professor ‘Rechtsfilosofie’ aan de Universiteit van Gent en Limburg (Maastricht). Hij is auteur van “Het fundamenteel rechtsbeginsel, een essay over de grondslagen van het recht” en van talrijke artikels aangaande politieke en sociale filosofie en logica.

Voor meer gedetailleerde informatie kunt U terecht op zijn homepagina.

FvDun.jpg

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Frank van Dun, topic: Goudstandaard
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. jasper schreef op : 1

    Ik vraag me af wat dat n0u voor een waarde heeft zon goudstaaf??

  2. JanJ.P.Carlier schreef op : 2

    Moet de gouden standaard niet uitgelegt worden als ‘n standaard oogstpercentage van 1 vierkante meter bodemoppervlakte, gerekent naar ‘n hypothetische oogst van Tarwe (Triticum)?

  3. XXL66 schreef op : 3

    en ? wat is nu de waarde van zo’n staaf ?