dinsdag, 27 juli 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Kan een overheid ook anders? Het Nieuw Zeelandse alternatief


In dit artikel geeft de Nieuw Zeelandse ex-minister McTigue in een aantal bewezen, praktische mogelijkheden en alternatieven weer hoe tot een betere maatschappij te komen. Een blauwdruk voor positieve verandering!

Wanneer we terugkijken in de geschiedenis, is de groei van overheden iets van de laatste jaren.
Vanaf 1850 tot de 20-30’er jaren, was het overheidsaandeel in het Bruto Nationale Product van de meeste geïndustrialiseerde landen zo’n 6 procent. In de periode daarna en vooral na 1950, hebben we een enorme explosie gezien in het overheidsaandeel in het BNP, in sommige landen stijgend tot 35-45 procent. Zweden haalde zelfs 65% en ging als resultaat bijna failliet. Het is nu een aantal sociale programma’s aan het terugdraaien om economisch overeind te blijven.
Kan deze situatie gestopt worden of zelfs teruggedraaid? Op basis van mijn persoonlijke situatie zeg ik volmondig ja. Maar het vereist een hoge graad van transparantie en duidelijke consequenties voor slechte besluiten, en dat is niet makkelijk om te realiseren.

Wat we in de hele wereld constateren is dat wat ik een soort stille revolutie noem, waarin je ziet hoe mensen de verantwoordelijkheid van de overheid zien. Vroeger dacht men dat de overheid geld moest besteden in overeenstemming met wat er binnen kwam. De nieuwe verantwoording is gebaseerd op: ‘wat hebben we aan voordelen voor ons gekregen als resultaat van al dat uitgegeven geld?’
Die vraag wordt in het bedrijfsleven altijd gesteld, maar was niet de norm bij de overheid. Juist die overheden die de moed hebben die vraag wel te stellen, krijgen buitengewone resultaten. Dat was beslist het geval in mijn geboorteland Nieuw Zeeland.

In de 50-er jaren stond het inkomen per hoofd van de bevolking op de derde plaats in de wereld, net achter de VS en Canada. Maar in 1984 was dat gedaald tot de 27ste plaats, tussen Portugal en Turkije. Dat was niet het enige: er was een werkloosheidspercentage van 11,6%, we hadden 23 jaar achter elkaar overheidstekorten (soms zelfs 40% van het BNP) onze schuld was gegroeid naar 65% van BNP en onze kredietwaardigheid werd steeds verder verlaagd. Overheidsuitgaven bereikten 44% van BNP, de kapitaalvlucht was enorm en overheidsmaatregelen en micromanagement drongen door tot op elk niveau van de economie. We hadden valuta maatregelen die inhielden dat ik geen abonnement op the ‘Economist’ kon nemen, zonder toestemming van het Ministerie van Financiën. Ik kon geen buitenlandse aandelen kopen zonder mijn staatsburgerschap op te zeggen. Er waren vastgestelde prijzen voor alle goederen en diensten, in alle winkels en voor alle zaken. Er waren vastgestelde lonen en loonbevriezingen. Ik mocht mijn werknemers niet méér betalen en geen bonus geven ook al wilde ik dat. Er waren import verboden. Er waren subsidies op bedrijfstakken om ze in leven te houden. Jongeren verlieten het land in drommen.

Uitgaven en belastingen

Toen er in 1984 een andere regering werd gekozen, stelden we 3 grote problemen vast:

  • er werd teveel uitgegeven,

  • de belastingen waren te hoog en
  • er was teveel overheid.

De vraag was hoe gaan we uitgaven en belastingen verlagen en de rol van de overheid in de economie verkleinen. Het eerste wat je in zo’n situatie moet doen is bepalen wat je krijgt voor de uitgegeven belastingdollars. Om dat te bereiken voerden we een nieuwe werkwijze in waarbij het belastinggeld niet simpel naar elk overheidsorgaan werd verdeeld, maar in plaats daarvan kwam er een aankoopcontract waarbij de bazen van die instanties aangezegd kregen wat er voor dat geld verwacht werd. Die bazen werden nu uit de hele wereld gekozen op basis van kennis en ervaring en kregen een contract voor een vaste periode van maximaal 5 jaar met evt. een verlengingsmogelijkheid van 3 jaar. De enige ontslagreden was het niet voldoen aan de afgesproken aankoopcontracten (wat er gedaan moest worden met het belastinggeld). Dus een nieuwe regering kon deze ambtenaren er niet zo maar uitgooien, wat in het verleden regelmatig gebeurde. Vanzelfsprekend zorgden die nieuwe bazen ervoor dat hun ondergeschikten op dezelfde manier aan het aankoopcontract vastzaten.

Het eerste wat we kochten voor alle overheidsinstellingen was een adviesrapport. Dat advies was bedoeld om een scherpe discussie tussen regering en de directie van de instanties uit te lokken over het bereiken van doelen als bijvoorbeeld het verminderen van honger en armoede. Dit hield overigens niet in om te bepalen hoe de overheid meer mensen kon voeden of rijker kon maken, dat is niet belangrijk. Belangrijk is te bepalen hoeveel honger en armoede daadwerkelijk kon worden verlaagd. Met andere woorden, we stelden vast dat het er niet om ging hoeveel mensen er in de bijstand zitten, maar dat het belangrijk is om te zien hoe mensen UIT de bijstand kunnen komen en een onafhankelijk leven kunnen leiden.

Toen we dit proces begonnen, werden er ook fundamentele vragen aan de overheidsinstellingen gesteld. De eerste vraag was: “wat doe je?” Gevolgd door “wat zou je moeten doen?” Gebaseerd op die antwoorden zeiden we: “stop met wat je niet zou moeten doen” dat betekende: als je iets aan het doen bent wat niet de verantwoordelijkheid van de overheid is, stop er dan mee.

Daarna stelden we de basis vraag: “wie zou dit moeten betalen: de belastingbetaler, de gebruiker, de consument of de industrie?” Dit vroegen we omdat in veel gevallen de belastingbetalers dingen aan het subsidiëren waren waar ze geen voordeel aan hadden; en wanneer je de betaling van diensten niet laat doen door de gebruikers ervan, moedig je misbruik en inefficiëntie aan en verlaag je het nut van wat je aan het doen bent.

Toen we dit proces begonnen bij het ministerie van Transport, hadden ze daar 5600 ambtenaren. Toen we er klaar mee waren nog 53. Toen we begonnen bij de Bosbouw Dienst, waren er 17.000 werknemers, aan het eind nog maar 17. Toen we het toepasten op mijn ministerie, dat van Verkeer en Waterstaat, waren er 28.000 ambtenaren en ik was uiteindelijk de enige die overbleef. In dit laatste geval bestond het meeste werk dat er gedaan werd uit ontwerpen en bouwen. En er zijn veel mensen die dat kunnen zonder overheidsbemoeienis.
De tegenwerping, ‘maar je vernietigde al die werkgelegenheid!’, is niet waar gebleken.
De overheid stopte ermee om mensen op de loonlijst te hebben, maar de behoefte aan dat werk verdween niet. Ik bezocht bosbouw werkers enkele maanden nadat zij hun overheidsbaan hadden verloren en die waren best tevreden. Zij vertelden nu drie keer zoveel te verdienen als voorheen en waren verrast toen ze merkten dat ze 60% meer konden doen dan ze gewend waren. Diezelfde ervaring gold ook voor de andere gevallen.

Een aantal zaken die de overheid aan het doen was, behoorde zij niet te doen. Dus we verkochten de telecommunicatie, luchtvaartmaatschappijen, irrigatiebedrijven, computerdiensten, drukkerijen, verzekeraars, banken, aandelen, hypotheken, spoorwegen, busbedrijven, hotels, scheepvaartmaatschappijen, landbouwadviesdiensten etc.

Samengevat; zodra we die zaken verkochten, ging hun productiviteit omhoog en de kosten van hun diensten omlaag, wat een enorme winst voor de economie betekende. Verder besloten we dat de andere instellingen als winstgevende en belastingbetalende ondernemingen geleid moesten worden. Zo werd air traffic control als een apart bedrijf neergezet, met de instructie om een acceptabel rendement te maken en belasting te betalen. Tevens werd verteld dat het geen investeringsgeld zou krijgen van haar eigenaar, de overheid.

We deden dit met zo’n 35 overheidsinstellingen. Gezamenlijk moest de overheid daar 1 miljard per jaar op toeleggen; nu betaalden ze zo’n bedrag per jaar aan belastingen.

We verkleinden de totale overheidsgrootte met zo’n 66%, gemeten in aantal werknemers. Het overheidsaandeel in het BNP daalde van 44 naar 27 %. We hadden nu overheidsoverschotten. We maakten als regel nooit overheidsgeld te laten liggen: want als je dat deed zou er toch weer een of andere clown komen om het uit te geven. Dus gebruikten we de overschotten om de staatsschuld af te lossen, zodat die van 63% BNP naar 17% terugviel. De rest van de overschotten werd elk jaar voor belastingverlaging gebruikt. We verlaagden de inkomstenbelasting naar de helft en schaften alle incidentele belastingen af. Het resultaat was dat de belasting inkomsten met 20% toenamen. Reagan en Laffer hadden gelijk, lagere belastingtarieven leveren meer op!

Subsidies, Onderwijs en concurrentie

Wat te schrijven over de indringende overheid via subsidies?
Allereerst moeten we ons realiseren dat het hoofdprobleem van subsidies is dat het mensen afhankelijk maakt; en wanneer je mensen afhankelijk maakt, verliezen ze hun zelfredzaamheid, innovativiteit en creativiteit en worden zelfs meer afhankelijk.

Laat me een voorbeeld geven: in 1984 ontvingen de schapenboeren ongeveer 44% van hun inkomen uit overheidssubsidies. Het voornaamste product was lamsvlees en dat deed op de wereldmarkt $12,50 per lam (waarbij de overheid 12,50 subsidie deed). Welnu we schaften binnen een jaar alle schapensubsidies af. En natuurlijk waren de schapenboeren daar niet blij mee. Maar toen ze zich eenmaal realiseerden dat die subsidies niet meer terugkwamen, organiseerden ze een team met de opdracht om uit te zoeken hoe ze $30 per schaap konden krijgen. Het team vond het moeilijk, maar dacht dat het wel kon. Het vereiste de ontwikkeling van een heel ander product, dat heel anders behandeld moest worden en op verscheidene markten verkocht moest worden. En binnen twee jaar slaagden ze erin om het product ter waarde van $12,50 te veranderen in iets van $30. In 1991 was het $42 waard; in 1994 $74 en in 1999 deed het $115. Met andere woorden, de Nieuw-Zeelandse schaapindustrie ging de markt op en vond klanten die een hogere prijs voor haar product wilden betalen – terwijl ze vroeger in slaap gesust door subsidies, minder verdienden.

Onnodig te schrijven dat toen de overheidssteun aan de schaapindustrie werd opgeheven, er overal voorspeld werd dat er een grote uittocht van mensen zou ontstaan. Maar dat gebeurde niet. Om een voorbeeld te geven, we verloren slechts ¾ van 1 procent van de schapenboeren en dat waren mensen die überhaupt niet in die business hadden moeten gaan. Daarbij werd voorspeld dat er een grote toename van industriële megafarms ten koste van familiebedrijven zou ontstaan. Maar we zagen precies het tegenovergestelde. De industriëlen verlieten deze sector en de familiebedrijven bloeiden, waarschijnlijk omdat de gezinnen voor minder wilden werken dan de bedrijven. En het demonstreerde dat wanneer je mensen geen keus geeft behalve om creatief en innovatief te zijn, ze oplossingen zullen vinden.

Nieuw Zeeland had een onderwijssysteem dat eveneens failliet aan het gaan was. 30% van de kinderen vielen af, vooral uit de lagere sociaal-economische groepen. We hadden de laatste 20 jaar meer en meer geld in het onderwijs gestoken en steeds slechtere resultaten behaald. Het kostte ons 2 keer zoveel om een slechter resultaat als 20 jaar geleden te behalen. Dus besloten we ook hier nog eens alle eerdere vragen te stellen.

Allereerst onderzochten we waar al die dollars naar toe gingen die we in het onderwijs stopten. We huurden internationale consultants, (want we vertrouwden onze eigen departementen daar niet voor) en die verklaarden dat van elke dollar die we aan het onderwijs spendeerden, er 70% naar de bureaucratie ging. Toen we dat hoorden, hebben we onmiddellijk alle onderwijsinstanties in het hele land afgeschaft. Elke afzonderlijke school kwam onder het beheer van een stichting, waarvan de leden werden gekozen door de ouders van de leerlingen van die school en door niemand anders. We gaven elke school een geldbedrag, gebaseerd op het aantal leerlingen dat er naar toe ging, zonder voorwaarden. Tegelijk vertelden we de ouders dat zij het volledige recht hadden hun kinderen naar elke school te sturen. Ik vind het belachelijk dat ouders verteld wordt hun kinderen naar een slechte school te sturen. We stopten alle 4500 scholen op dezelfde dag in dit nieuwe systeem.

Maar we gingen nog veel verder: we maakten het mogelijk dat private scholen op dezelfde manier betaald werden als de openbare scholen, daarmee de ouders zelf de keus te laten waar zij hun onderwijsgeld aan wensten te besteden. Opnieuw voorspelde iedereen dat er een grote leegloop van openbare naar de private scholen zou ontstaan, want de private scholen hadden een 14-15% hoger academisch gemiddelde.

De leegloop kwam echter niet, het academisch voordeel van de private scholen verdween binnen 18-24 maanden. Waarom? Omdat leraren zich ineens realiseerden dat wanneer ze leerlingen verloren, er minder inkomsten kwamen, en met minder inkomsten zouden zij hun baan gaan verliezen. In het begin van dit proces ging 85% van de leerlingen naar openbare scholen. Dat werd slechts 84% in het eerste jaar van de hervorming, maar drie jaar later was het al 87%. Maar belangrijker, we gingen van 14-15% onder het internationale onderwijsniveau, naar 14-15% erboven!

Laten we nu eens kijken naar belasting en concurrentie. Veel overheidsdienaren vergeten, dat competitie en uitdaging wereldwijd geworden zijn. Kapitaal en arbeid kunnen nu zo vrij en snel bewegen van de ene naar de andere plaats, dat de enige manier om dat tegen te houden is om er voor te zorgen dat jouw ondernemingsklimaat beter is dan dat van een ander. In dit verband was er een aardige situatie in Ierland. De EU onder leiding van Frankrijk, was hoogst kritisch over de Ierse vennootschapsbelasting, want er kwam een winstbelasting verlaging van 48% naar 12 % en de bedrijven overspoelden Ierland. De EU wilde een straf heffing van 17% extra vennootschapsbelasting in gaan stellen om het in overeenstemming met het Europees gemiddelde te houden. Onnodig te verklaren dat de Ieren dat niet pikten. De EU verkondigde dat wat de Ieren deden oneerlijk en tegen vrije competitie inging. Het Ierse ministerie van financiën was het daar mee eens: zij gaven aan dat bedrijven 12% belasting moesten betalen, terwijl de burgers slechts 10% betaalden. Daarom verlaagde Ierland de vennootschapsbelasting ook naar 10%.

Toen we in Nieuw Zeeland gingen kijken naar onze overheidsinkomstenkant, zagen we dat het een uiterst gecompliceerd systeem was dat het gedrag van bedrijven en personen verkeerd beïnvloedde. Dus vroegen wij ons het volgende af: was ons belastingsysteem bezig inkomsten te genereren, of was het bezig inkomsten te genereren en sociale diensten te verlenen, of was het bezig inkomsten te genereren, sociale diensten te verlenen en gedrag te veranderen?

We besloten dat sociale diensten en gedragsverandering, niet in een rationeel belastingsysteem behoorden. Dus voerden we slechts twee vormen van belasting in: een belasting op inkomsten en een belasting op consumptie, en maakten we deze zo eenvoudig en laag mogelijk.
We verlaagden het hoge inkomstenbelastingtarief van 66 naar 33% en maakten een vast bedrag voor de hoogste verdieners. Daarbij verlaagden we de laagste schaal van 38 naar 19% daarna voerden we een standaard BTW van 10% in. We schrapten alle andere belastingen, dus geen vermogenswinst, WOZ, successie, heffingen, accijnzen etc. We hadden dat verlaagde systeem zodanig ontworpen dat het evenveel op zou leveren als we voorheen binnenkregen en presenteerden het aan het publiek als een nul som met het verleden. Maar wat in werkelijkheid gebeurde was dat we 20% meer dan voorheen binnen kregen. Waarom? We hadden er niet op gerekend dat er een toename zou zijn van vrijwillige betaling. Als belastingtarieven laag zijn, gaan belastingbetalers geen dure accountants en fiscalisten betalen om mazen in de wet te zoeken. Dit geldt voor elk land dat ik in de wereld heb onderzocht, waar ze de belasting flink vereenvoudigd en verlaagd hebben: die landen kregen meer binnen in plaats van minder!

Hoe gingen we om met alle regels en wetgeving?

De wetgevende macht wordt meestal neergelegd bij niet verkozen ambtenaren, die vervolgens, zonder dat ze verantwoordelijk zijn, de vrijheid van de mensen beperken. Dat soort wet- en regelgeving is verschrikkelijk moeilijk terug te draaien zodra het in gang is gezet. Maar we vonden een manier. We herschreven eenvoudig de wet waar ze op gebaseerd waren. Als voorbeeld, herschreven we de milieuwetten, door ze om te bouwen naar de Beheersing van Grondstoffen wet, daarbij verminderden we een wet die 1 meter wetboek inhield, naar 348 pagina’s. We herschreven de belastingwet, de ARBO en veiligheidswet en alle landbouwwetgeving. Om dat te doen brachten we de knapste koppen bij elkaar en vertelden hen dat ze ervan moesten uitgaan dat er nog geen wetgeving was en dat ze wetgeving moesten ontwikkelen die optimaal was voor het bedrijfsleven. Daarna brachten we die wetten aan de man op basis van wat het in belastingbesparing zou gaan opbrengen.

Die nieuwe wetgeving kwam in de plaats van alle oude wetten en regels, hetgeen betekende dat alle oude wetten en regels hun geldigheid verloren, compleet en helemaal.

Anders denken over de overheid

Wat ik hier beschreven heb is eigenlijk een nieuwe manier om de rol van de overheid te zien.
Laat me u vertellen hoe wij het hertenprobleem oplosten.

Ons land had geen grote eigen dieren totdat de Engelsen herten voor de jacht importeerden. Die herten ontsnapten en werden een plaag. We hebben toen 120 jaar geprobeerd ze uit te roeien, totdat iemand suggereerde om ze gewoon door mensen te laten gaan houden als vee. Dus vertelden we de boeren dat ze herten mochten vangen en houden, zo lang ze ze maar binnenhielden tussen 2,5m hoge hekken. En we hebben daarna geen enkele dollar aan hertenbestrijding gegeven, niet een! Nu is Nieuw Zeeland de belangrijkste producent van hertenvlees en zorgt voor 40% van de wereldbehoefte. Door simpel boerenverstand te gebruiken, hebben we een probleem in een aanwinst veranderd.

Laat me nog een laatste verhaal vertellen. Het ministerie van Verkeer kwam bij ons met het verzoek om de prijs van het rijbewijs te mogen verhogen. Toen we ze vroegen waarom, zeiden ze dat de prijs van het verlengen niet kostendekkend was. Toen vroegen we ze waarom we überhaupt rijbewijzen moesten laten verlengen. De ambtenaren vonden dat maar een stomme vraag: ‘Iedereen heeft een rijbewijs nodig’. Ik antwoordde dat ik het mijne op mijn 18de had gehaald en vroeg wat er sindsdien bij het verlengen gebeurt dat mijn rijvaardigheden test? We gaven de ambtenaren 10 dagen om met een zinnig antwoord te komen. Ze suggereerden dat het nodig was voor identificatie. Wij antwoordden dat daarvoor een paspoort was. Uiteindelijk gaven ze toe dat er geen goede reden was voor het hele verlengingsproces dat ze aan het doen waren, dus we schaften dat hele proces af! Nu is een rijbewijs geldig tot iemand 74 is, daarna moet hij jaarlijks een medische test doe om te zien of hij nog steeds in staat is om te rijden. Daardoor hadden we dus geen nieuwe prijsverhoging nodig, maar sterker, we konden een heel departement afschaffen. Dat bedoel ik met anders denken!

Naschrift door de vertaler

Bewijsbaar en objectief valt er dus best veel overheid te verminderen: dat geeft inspiratie en moed in Nederland ook zoiets te gaan doen. Maar dan wel goed, want inmiddels is Nieuw Zeeland weer aan het afglijden naar een overgereguleerde en versocialiseerde staat. Blijkbaar is de gedachte om via de stembus van je buurman iets te pakken te krijgen, of van politici om met beloften en andermans geld verkozen te worden, nog steeds erg sterk, hoe goed het minimale overheidsrecept ook werkt.

Vertaling door Louk Jongen.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Maurice P. McTigue, topic: Minarchisme
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Maarten Groosman schreef op : 1

    beste Louk,

    dat verhaal lijkt meer een sprookje dan dat het echt zo plaatsgevonden heeft. Ik werk nu een aantal jaren in Duitsland, en zie dat hier de conservatieve, behoudende krachten en wetten onderdeel van het dure systeem zijn. Dat zichzelf beschermende gebouw zou ik graag afgebroken zien: behalve dat het duur is, vertraagt het mogelijke veranderingen merkbaar. Men loopt hier bijvoorbeeld noodgedwongwen met cash op zak, omdat betalen met bankkaarten niet overal mogelijk is. En regelgeving is zelfs een gewaardeerde sport hier. Nergens heb ik in het openbaar meer borden met aanwijzingen (vaak met uitroepteken) zien staan als hier.

    Als je toevallig een Duitse vertaling van de tekst hebt liggen, kan ik wel voor plaatsing in een Duitse krant zorgen. Misschien beinvloedt het het denken een beetje hier,

    met vriendelijke groet,
    Maarten Groosman
    München

  2. Peter Kruse schreef op : 2

    Beste Maarten Groosman,
    Ik heb het idee dat je conservatief opschrijft maar in feite collectivistisch en/of reactionair beschrijft.

    met vriendelijke groet,
    Peter Kruse