maandag, 27 september 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Ludwig von Mises (1881-1973)


Wanneer er in de media aandacht wordt geschonken aan de renaissance van het liberale gedachtegoed worden doorgaans de namen van Friedrich von Hayek en Milton Friedman genoemd; zelden die van Ludwig von Mises (1). Vooral in het geval van Von Hayek is dit vreemd, omdat diens gedachtegoed nauwelijks had kunnen bestaan zonder dat van Von Mises.

mises-larger.jpg
Ludwig von Mises

Zoals de auteur van de Legacy of Hayek, Peter Boettke, opmerkte: ‘Hayek’s work can best be appreciated as an attempt to make explicit what von Mises had left implicit, to refine what von Mises had outlined, and to answer questions von Mises had left unanswered. Over zijn relatie met Von Mises schreef Von Hayek zelf: ‘There is no single man to whom I owe more intellectually.’(2)

Maar hoevelen zullen er ooit van Ludwig von Mises hebben gehoord? Toch was hij een van de grootste liberale denkers uit de vorige eeuw. In Amerika is hij redelijk bekend, maar in het oude Europa, waar hij oorspronkelijk vandaan kwam, doet zijn naam geen bellen meer rinkelen. Ten onrechte, want hij heeft een grote invloed uitgeoefend op het denken van niet alleen Friedrich von Hayek maar op dat van talloze andere prominente economen – allen leerlingen van hem – die op hun beurt weer hebben bijgedragen aan het neo-liberale reveil dat sinds het eind van de jaren zeventig zo’n belangrijke impuls heeft gegeven aan het economisch beleid, gericht op meer markt en minder overheid.

Hoe zou de geschiedenis zijn verlopen als verstand het niet zo vaak tegen domheid zou hebben moeten moet afleggen? Deze vraag dringt zich op als men terugkijkt op de economenstrijd die in de jaren 20 woedde over de (on)mogelijkheid van een centrale planeconomie. Aan de ene kant stonden de voorvechters van de vrije ondernemingsgewijze produktie ofwel markteconomie, onder aanvoering van Ludwig von Mises en Friedrich von Hayek, aan de andere kant socialistische economen zoals Oskar Lange.(3) Von Mises c.s. richtten hun pijlen vooral op de afwezigheid van het prijsmechanisme in een centrale planeconomie. In de centrale planeconomie zijn er weliswaar prijzen, maar deze hebben het karakter van administratieve rekeneenheden. Zij geven niet de (relatieve) schaarste weer, zoals die door markten worden bepaald. Ludwig von Mises legde daarbij in het bijzonder de nadruk op de afwezigheid van markten voor kapitaalgoederen; die waren in de planeconomie gemeenschapsbezit. Maar zonder privé-eigendom van kapitaalgoederen is geen rationele prijs- en kostencalculatie mogelijk. Immers, als er geen privé-eigendom van produktiemiddelen is, worden deze ook niet op markten verhandeld. Daardoor kan men niet weten welke prijs zij hebben. En als men de prijs niet kent, is geen rationale kostencalculatie mogelijk die als basis moet dienen voor een zo efficiënt mogelijk gebruik van die produktiemiddelen. Het resultaat is massale verspilling. Daarenboven, zo stelde Von Mises, vergt centrale planning een centrale autoriteit. Deze zal steeds meer bevoegdheden naar zich toe trekken, hetgeen uitmondt in dictatuur en onderdrukking van het individu.

Deze gedachten heeft Von Mises uitgewerkt in verschillende artikelen en uiteindelijk in een boek, Socialism, dat misschien wel tot de meest toegankelijke van zijn werken behoort voor niet-economen.(4) In zijn voorwoord tot ‘Socialism’ schreef Friedrich von Hayek: ‘When Socialism first appeared in 1922, its impact was profound. It gradually but fundamentally altered the outlook of many of the young idealists returning to their university studies after World War I. I know, for I was one of them. We felt that the civilization in which we had grown up had collapsed. We were determined to build a better world, and it was this desire to reconstruct society that led many of us to the study of economics. Socialism promised to fulfill our hopes for a more rational, more just order. And then came this book. Our hopes were dashed. Socialism told us that we have been looking for improvement in the wrong direction.’

Ludwig von Mises hád gelijk in de jaren twintig, maar hij kréég het pas aan het eind van de jaren tachtig toen het communisme met zijn centrale planeconomie ineenstortte. Hoeveel menselijke ellende en welvaartsverlies hadden niet kunnen worden voorkomen indien Von Mises’ inzichten van meet af aan hadden geprevaleerd?

Kirzner

Hoe is tegen deze achtergrond het gebrek aan aandacht voor het economische en politieke gedachtegoed van Von Mises te verklaren? De recente biografie van Israel Kirzner, oud-leerling van Von Mises en voornamelijk bekend als auteur van een Oostenrijkse theorie over de rol van de ondernemer in de economie, laat zich lezen als een drievoudig antwoord op deze vraag.

In de eerste plaats was het rechtlijnige karakter van de persoon Von Mises legendarisch. Hoewel sommige van zijn studenten en intellectuele navolgers zich hem herinneren als een warme en stimulerende leermeester, zien vele anderen hem echter als een compromisloze, koppige persoonlijkheid. Illustratief is wat Milton Friedman – die overigens een groot bewonderaar van hem was – over hem schreef: ‘In the middle of a debate on the subject of distribution of income, in which you had people who you would hardly call socialist or egalitarian – people like Lionel Robbins, like George Stigler, like Frank Knight, like myself – Mises got up and said, ‘You’re all a bunch of socialists,’ and walked right out of the room.’(5) Kirzner’s hoofdstukken over de biografische Von Mises laten ruimte voor beide visies – warm/stimulerend versus compromisloos/koppig – en plaatsen de discussie in een sociale- en politieke context.

In de tweede plaats zijn niet alleen Von Mises’ economische conclusies aan de radicale kant, ook met zijn opvattingen over hoe economie als wetenschap dient te worden bedreven, plaatst hij zich buiten de mainstream. Waar von Mises’ economische conclusies zich geleidelijk aan een plaats lijken te verwerven in huidige economische discussies, blijven zijn methodologische opvattingen hoogstens object van onbegrip en ridiculisering. Hedendaagse economen die in de traditie van Von Mises werken noemen zich doorgaans ‘Oostenrijke economen’ of ‘praxeologen’, om zich te onderscheiden van de dominante economische scholen.

Ten slotte was von Mises niet bepaald de ideale liberaal voor ambitieuze politici en ambtenaren die leuke dingen voor de mensen willen. Zijn politieke opvattingen zijn terug te voeren tot het klassiek-liberalisme van Frédéric Bastiat, Herbert Spencer en Auberon Herbert, waarin de taken van de staat strikt beperkt zijn tot politie, defensie en justitie. Waar in Hayek’s oeuvre voldoende fragmenten zijn te vinden om een vrij omvangrijke verzorgingsstaat te legitimeren en waar Milton Friedman’s pragmatische beleidsvoorstellen doorgaans zijn politiek-filosofische opvattingen over de wenselijke omvang van de staat domineren, was Von Mises anti-etatisme consistent en compromisloos.

Desondanks, of juist hierom, was Von Mises het grootste deel van zijn leven een relatief onbekende econoom en liberale denker. Tijdens de donkerste dagen voor politieke- en economische vrijheid was von Mises een van de weinigen die de vlam van het klassiek-liberalisme brandende hield. Zo was Von Mises onder andere betrokken bij de oprichting van een van Amerika’s oudste libertarische instituten, de Foundation for Economic Education (1946) en het internationale genootschap van liberale academici, de Mont Pelerin Society (1947). Het duurde tot laat in de jaren 60 voordat von Mises’ opvattingen een grotere rol zouden gaan spelen als inspiratiebron voor de moderne (Amerikaanse) libertarische beweging.

Het als inleiding geschreven boek van Kirzner is – in tegenstelling tot soortgelijke boeken over Oostenrijkse economen – verrassend objectief en laat in het algemeen de beoordeling van Von Mises opvattingen aan de lezer over. Het zal de aandachtige lezer echter niet ontgaan dat Kirzner serieuze bedenkingen heeft bij de meer extreme (economische) interpretaties van Von Mises’ erfgoed (zoals in het werk van Murray Rothbard en Hans-Hermann Hoppe) en het liefst een meer constructieve dialoog tussen de Oostenrijkse economen en de (neo-klassieke) mainstream zou zien.

Een goed te verdedigen interpretatie van Von Mises’ gedachtegoed is dat het in zijn totaliteit niet een onverdeeld succes is, maar een combinatie van betwistbare methodologische opvattingen en doorgaans correcte economische en politieke conclusies.

De Oostenrijke School

Om te beginnen is het zinvol om kort de methodologische opvattingen van Von Mises samen te vatten. Volgens Von Mises vergissen mainstream economen zich door de economische wetenschappen als een natuurwetenschap te modelleren. De economie is volgens Von Mises geen empirische wetenschap maar de studie van de logische implicaties van menselijk handelen (‘praxeologie’). Tegenover de kwantitatieve modellen van de neo-klassieken stelt Von Mises het primaat van apriori kennis en logica: economie begint met een aantal (onbetwistbare) uitgangspunten over menselijk handelen en hieruit kan vervolgens een hele verzameling van economische leerstukken worden afgeleid.(6)

Aan deze opvatting kleeft een aantal problemen. In de eerste plaats hoeven de aannames in een wetenschappelijke theorie niet correct te zijn om tot vruchtbare resultaten te leiden. Waar het uiteindelijk om gaat is dat we betere theorieën kunnen formuleren, betere voorspellingen kunnen doen of zelfs de vraag kunnen beantwoorden waarom onze aannames in de ene context succesvoller zijn dan in de andere.

Verder hebben veel aanhangers van de Oostenrijkse school een welhaast instinctieve afkeer van getallen en grafieken. Zij zijn van oordeel dat het ontoelaatbaar is de economische werkelijkheid in het keurslijf van wiskundige relaties te persen. Maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn en ook hier is de vraag gerechtvaardigd waarom een aanname of abstractie ontoelaatbaar is als die ons in staat stelt preciezere uitspraken over de werkelijkheid te doen. De Oostenrijkse methodiek laat weinig ruimte voor de opvatting dat menselijk handelen een probabilistisch (of zelfs willekeurig) karakter heeft.

Het laatste, en wellicht meest fundamentele probleem in de praxeologie van Von Mises (en van zijn aanhangers), is dat rationaliteit hier niet wordt gedefinieerd als het hebben van coherente preferenties, of het kiezen van de correcte middelen om een doel te bereiken, maar als intentioneel handelen. Hiermee wordt echter praktisch elke vorm van menselijk handelen als rationeel gezien en kan de econoom, als econoom, geen zinvolle uitspraken doen over de efficientie van een bepaalde handeling of instituut. Een interessant voorbeeld is of het zinvol is om te stemmen. Een neo-klassieke econoom is geneigd is om te stellen dat stemmen irrationeel is omdat een invidividu een verwaarloosbare invloed heeft op het totale eindresultaat.(7) Een mogelijke empirische implicatie hiervan is dat de meeste mensen weinig gedetailleerde kennis van de politieke standpunten van de kandidaten zullen hebben omdat de kosten van het vergaren hiervan niet in verhouding staan tot de mogelijke baten. Waar de politicus “apathie” ziet, ziet de neo-klassieke econoom rationaliteit. Een aanhanger van de Oostenrijkse School van Von Mises kan echter niet veel meer stellen dan dat de stemmer intentioneel, dus rationeel handelt.

Ondanks de felle kritiek van Von Mises op de nieuwe generatie economen vraagt Kirzner zich af of de latere Von Mises nog wel op de hoogte was van recente ontwikkelingen in de economie. Een goed voorbeeld is dat hoewel Oostenrijkers bekend staan om hun afwijzing van statische evenwichtsmodellen ten gunste van het marktproces en de rol van de ondernemer, de introductie van de zogeheten speltheorie (de formele studie van de strategische interactie tussen individuen of organisaties) in de economie volstrekt aan Von Mises is voorbijgegaan. In het geval van latere Oostenrijkse economen wekt de geringe interesse voor de zogenoemde experimentele economie (een richting binnen de economie die de assumpties van de klassieke economie empirisch onderzoekt) eveneens verbazing. In beide gevallen kan de Oostenrijkse econoom immers moeilijk stellen dat beide disciplines (per definitie) werken met onrealistische aannames en niet tot waardevolle kennis leiden. Als er een plaats is voor de praxeologische methode, is het om dat deel van de economische wetenschappen dat niet-empirisch (apriori) is te onderzoeken. Maar als een compleet alternatief voor de gehele economische wetenschappen schiet het tekort.

Gelukkig kunnen veel van Von Mises’ politiek-economische conclusies ook op basis van andere economische benaderingen, zoals de neo-klassieke economie en de economische studie van het politieke proces (‘public choice’), worden onderschreven.

Behalve om zijn kritiek op het socialisme is Von Mises ook bekend om zijn monetaire opvattingen. Von Mises was een groot voorstander van de gouden standaard en een van de felste critici van de manipulatie van de geldhoeveelheid. In tegenstelling tot de dominante theorie dat een gematigde en behoedzame verandering van de geldhoeveelheid geen belangrijke rol speelt stelt hij dat een verandering van de geldhoeveelheid schadelijke effecten op de economie heeft en inkomens herverdeelt van de burgers naar de overhed en de grote banken. Hedendaagse Oostenrijkers zijn dan ook felle critici van de bevoegdheden die de huidige centrale banken hebben. In hun ogen dient de (korte- en lange termijn) rente het resultaat te zijn van vraag een aanbod en is macro-economisch (de)stimuleringsbeleid onwenselijk. Hierin verschillen ze niet enorm van liberale neo-klassieke economen, maar de laatsten delen doorgaans niet de voorkeur voor de gouden standaard. Een interessant debat tussen Oostenrijkers en de neo-klassieken is of deflatie een wenselijk, of in ieder geval niet schadelijk fenomeen is dan wel een bedreiging voor de economische groei vormt.

Klassiek Liberalisme

Von Mises’ politieke opvattingen verschillen grosso modo niet van die van de vroegere klassiek-liberalen. De overheid dient beperkt te zijn tot het verschaffen van politie, defensie en justitie en heeft niet als taak te regeren maar te beschermen. Von Mises was dus zeker geen vriend van de moderne liberale gemengde economie waarin de staat als taak heeft ‘gelijke kansen’ of ‘een evenwichtige inkomensverdeling’ te realiseren. Niet alleen leidt dit veelal tot contra-productieve resultaten en een inefficiënte allocatie van schaarse middelen ,maar het is ook een bedreiging voor de individuele vrijheid (in de klassieke betekenis als afwezigheid van dwang) en onverenigbaar met het dienen van het algemeen belang en ‘The Rule of Law’. Wat het ‘reguleren van de economie’ wordt genoemd is in de praktijk in de regel een pleidooi voor het reguleren van mensen, aldus de liberale traditie van Von Mises.

Von Mises was ook een van de eerste auteurs die een politiek-economische theorie over interventionisme formuleerde. Interventies van de staat leiden tot onwenselijke resultaten met als gevolg de roep om nieuwe interventies. Von Mises liep hiermee vooruit op de huidige politieke discussies, waar overheidsfalen op gebieden waar de staat al enorm veel regelt (sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs en veiligheid) een argument is voor nog meer staatsinterventie.

In een van zijn laatste werken, The Anti-Capitalist Mentality, probeert Von Mises een aantal misverstanden uit de weg te ruimen over laissez-faire kapitalisme. Von Mises erkent dat in een vrije markt een groot deel van de producten bestemd is voor de bevrediging van ‘dubieuze’ (althans in de ogen van de ‘elite’) behoeften van de massa. Maar naar zijn mening is dit de prijs die we moeten betalen voor de soevereiniteit van de consument. Het is echter hetzelfde kapitalisme dat de ruimte biedt voor avant-garde kunst en de acceptatie van nieuwe ideeën. Privé-eigendom en handel zijn daarom niet een bedreiging maar een belangrijke voorwaarde voor dynamiek en vooruitgang.

Maar zelfs de doorgaans solide morele en politieke opvattingen van Von Mises zijn niet altijd even duidelijk. Voor Von Mises pleit dat hij zich niet baseerde op ‘traditie’ of de ‘judeo-christelijke erfenis’. Hij stond met beide benen in de seculiere traditie en bediende zich van rationale argumenten. Onduidelijk zijn echter zijn opvattingen over de rechtvaardiging van morele opvattingen. In het algemeen wordt Von Mises gezien als een utilitarist die streefde naar het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Maar in zijn werk zijn ook fragmenten te vinden die naar een meer individualistische sociaal-contracttheorie neigen, waarin de moraal het faciliteren van wederzijds voordeel tot doel heeft. Wellicht was Von Mises van mening dat beide opvattingen tot materieel dezelfde conclusies leiden, maar als methodologisch- en moreel individualist ‘past’ de sociaal-contract traditie beter bij Von Mises dan het (doorgaans) collectivistische utilitarisme waarin het individu slechts een middel tot een groter goed is.

Hoewel het een aantal vroegere liberalen nog vergeven kan worden liberalisme en democratie als een eenheid te zien is het moeilijk in te zien waarom Von Mises dit aanvankelijke enthousiasme deelde. Vooral na de introductie van het algemeen kiesrecht heeft Von Mises Frederic Bastiat’s analyse van de toenemende transformatie van de wet als beschermer van de burger, tot instrument van legale plundering, van dichtbij kunnen ervaren. Zoals onder andere door de econoom Hans-Hermann Hoppe gedocumenteerd en verklaard, nam de regelzucht en belastingdruk enorm toe na de introductie van het algemeen kiesrecht.(8) In deze context is Von Mises’ enthousiasme voor democratie moeilijk te verklaren. Niet alleen historisch maar ook conceptueel is de verenigbaarheid van politieke macht en de soevereiniteit van het individu immers moeilijk met elkaar te rijmen.(9)

Ter verdediging van Von Mises dient echter wel te worden gezegd dat hij, net als zijn klassiek-liberale voorganger Herbert Spencer, van mening was dat geen enkele groep mensen tegen diens wil deel moet uitmaken van een politiek verband waarvan zij geen deel willen uitmaken. De huidige transformatie van de Europese lidstaten tot een supranationaal kartel van verzorgingsstaten met hoge belastingen zou voor Von Mises een gruwel zijn.

Als laatste is er een mogelijk conflict tussen Von Mises’ afwijzing van monopolies en zijn steun voor een monopolie op politie, defensie en justitie. Hoewel Von Mises in zijn economische werk de vrije markt prijst en (staats)monopolies afwijst, ziet hij geen conflict met zijn politieke voorkeur voor een monopolie op politie, defensie en justitie. Volgens Von Mises kunnen dergelijke diensten als gevolg van hun aard niet op de markt worden aangeboden. Of zoals economen plegen te zeggen, dergelijke zaken zijn collectieve goederen: een afzonderlijk individu kan niet worden uitgesloten van consumptie en de baten komen iedereen ten goede. Maar zelfs wanneer dit argument volledig correct zou zijn besteedt Von Mises praktisch geen aandacht aan de vraag of de mogelijke negatieve effecten van een monopolie op politie, justitie en defensie wellicht nog kwalijker zijn dan de collectieve goederen problemen die zich mogelijk zouden kunnen voordoen wanneer deze diensten op de vrije markt zouden worden aangeboden.(10)

Het kan Von Mises natuurlijk niet kwalijk genomen worden dat hij niet op de hoogte was van recent theoretisch en historisch onderzoek naar het aanbod en functioneren van zogeheten collectieve goederen op de vrije markt. Recente klassiek-liberale theoretici, zoals Anthony de Jasay, Bruce Benson, David Schmidtz, maar vooral ook de methodologisch nauw met Von Mises verwante denkers als, Murray Rothbard en Hans-Hermann Hoppe, hebben echter originele klassiek-liberale voorstellen gedaan voor het verschaffen van politie, justitie en defensie zonder monopolie en de rechtsongelijkheid, herverdeling van inkomens en repressie die doorgaans met het gebrek aan concurrentie vergezeld gaan.(11)

Hoewel dit belangrijke en innovatieve bijdragen zijn aan het klassiek-liberale gedachtegoed is deze ontwikkeling ook een reden om te verwachten dat de politieke traditie van Von Mises op korte termijn geen belangrijke plaats in het politieke debat zal innemen. Waar Von Mises’ strikt liberale opvattingen al als ‘extreem’ worden gezien, bevinden zijn politieke- en economische erfgenamen zich op een gebied dat theoretisch het beste gezien kan worden als een combinatie van de politieke opvattingen van de 19de eeuwse Amerikaanse individualistische anarchisten (Lysander Spooner, Benjamin Tucker)(12) en de laissez-faire economische opvattingen van de 19de eeuwse Franse liberalen (Frédéric Bastiat, Gustave de Molinari). Maar het is niet ondenkbaar dat het gedachtegoed van Von Mises op langere termijn wel een grotere rol zou kunnen spelen. Het duurde immers ook meer dan 50 jaar voordat Von Mises’ baanbrekende artikel ‘Economic Calculation in the Socialist Commonwealth’ de erkenning kreeg die het verdiende.

Dit artikel is eerder verschenen in het aprilnummer (2004) van Liberaal Reveil, een publicatie van de Teldersstichting, het wetenschappelijk instituut van de VVD.

Israel Kirzner, Ludwig von Mises: The Man and His Economics
Library of Modern Thinkers, ISI Books, 2001, 220 p.

Aschwin de Wolf is afgestudeerd in de politieke wetenschappen en woont in de Verenigde Staten. Hij is auteur en redacteur van diverse artikelen en boeken over klassiek-liberalisme en libertarisme en webmaster van de website http://www.againstpolitics.com

Gerelateerde Links:

Eindnoten:

1. Met bijzondere dank aan Dr. Hans Labohm en Mark van de Velde voor de nuttige inhoudelijke en tekstuele suggesties.

2. Peter J. Boettke – Friedrich A. Hayek (1899-1992), The Freeman, Foundation for Economic Education, August 1992, Vol. 42, No.8. Boettke’s opmerking zou echter controversieel genoemd kunnen worden gezien de nadruk die een aantal Oostenrijkers leggen op het (grote) verschil tussen de economische en politieke opvattingen van Hayek en Von Mises. Zie oa. Hans-Hermann Hoppe – F.A. Hayek on Government and Social Evolution: A Critique, Review of Austrian Economics, Vol. 7, No. 1, 1994 en Walter Block – Hayek’s Road to Serfdom, Journal of Libertarian Studies, Vol. 12, No. 2, 1996.

3. Het is overigens vermeldenswaard dat Oskar Lange later het volgende opmerkte over Von Mises bijdrage aan het debat over de mogelijkheid van plansocialisme: “It was his powerful challenge that forced the socialists to recognize the importance of an adequate system of economic accounting to guide the allocation of resources in a socialist economy”. Zie o.a. Henry Hazlitt – Salute to Von Mises: For 92 Years He Has Fought the Good Fight. Barron’s National Business and Financial Weekly, October 1, 1973.

4. Ludwig von Mises – Socialism: An Economic and Sociological Analysis, 1922.

5. Interview met Milton Friedman, 1 Oktober, 2000.

6. Voor een uitvoeriger inleiding in de economische opvattingen van de Oostenrijkse School zie mijn recensie van David Gordon’s An Introduction to Economic Reasoning, in Liberaal Reveil, Jaargang 42, No. 1, 2001

7. Althans, voor zover de kiezer denkt dat zij door te stemmen “invloed uitoefent”. “…consider someone making two decisions–what car to buy and what politician to vote for. In either case, the person can improve his decision (make it more likely that he acts in his own interest) by investing time and effort in studying the alternatives. In the case of the car, his decision determines with certainty which car he gets. In the case of the politician, his decision (whom to vote for) changes by one ten-millionth the probability that the candidate he votes for will win. If the candidate would be elected without his vote, he is wasting his time; if the candidate would lose even with his vote, he is also wasting his time.” David Friedman – Price Theory: An Intermediate Text, South-Western Publishing, 1986.

8. Hans-Hermann Hoppe – Democracy, the God that Failed: The Economics and Politics of Monarchy, Democracy, and Natural Order, Transaction Publishers, 2001

9. Voor een gelijksoortige spanning tussen vrijheid en democratie in het werk van Karl Popper zie Bart Croughs – Karl Popper- “All life is problem solving”. Vrijheid=Democratie?

10. Een belangrijk argument van zogenaamde public choice economen (James M. Buchanan, Gordon Tullock maar ook Ronald Coase) is dat marktfalen an sich geen argument voor overheidsinterventie is tenzij kan worden aangetoond dat marktfalen nog ernstiger is dan overheidsfalen. Public choice economen hebben aangetoond dat dit zelden het geval is. Zie o.a. William C. Mitchell and Randy T. Simmons – Beyond Politics: Markets, Welfare and the Failure of Bureaucracy, Westview Press, 1994

11. Voor een kritiek op diverse collectieve goederen-argumenten en de mogelijkheid van een vrije markt voor politie, justie en defensie zie o.a.. Anthony de Jasay, Social contract, Free Ride, Oxford University Press 1989, Bruce Benson – The Enterprise of Law: Justice without the State, Pacific Research Institute, 1990, T. Cowen (ed.), Public goods and Market Failures: A Critical Examination, Transaction Publishers 1992 en Fred Foldvary – Public Goods and Private Communities : The Market Provision of Social Services, Edward Elgar Publishing, 1994.

12. Het Amerikaanse individualistische anarchisme onderscheidt zich van het bekendere (en beruchtere) 19de eeuwse communistische anarchisme (Michael Bakoenin, Peter Kropotkin) door een meer beschouwende invalshoek en een afwijzing van politieke geweld. Door de nadruk op het primaat van het individu versus de staat en de eerste verkenningen op het gebied van concurrentie op het gebied van politie, justitie en defensie wordt het doorgaans als een belangrijke inspiratiebron gezien van het anarcho-kapitalisme, een anarchistische variant van het klassiek-liberalisme. De bekendste individualistische anarchisten waren Lysander Spooner en Benjamin Tucker. Zie o.a.. James J. Martin – Men Against the State: The Expositors of Individualist Anarchism in America, 1827-1908, Adrian Allen Associates, 1953 en Wendy McElroy – The Debates of Liberty: An Overview of Individualist Anarchism, 1881-1908, Lexington Books, 2003.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Aschwin de Wolf, topic: Oostenrijkse School
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. jetoel schreef op : 1

    “Het laatste, en wellicht meest fundamentele probleem in de praxeologie van Von Mises (en van zijn aanhangers), is dat rationaliteit hier niet wordt gedefinieerd als het hebben van coherente preferenties, of het kiezen van de correcte middelen om een doel te bereiken, maar als intentioneel handelen. Hiermee wordt echter praktisch elke vorm van menselijk handelen als rationeel gezien en kan de econoom, als econoom, geen zinvolle uitspraken doen over de efficientie van een bepaalde handeling of instituut. Een interessant voorbeeld is of het zinvol is om te stemmen. Een neo-klassieke econoom is geneigd is om te stellen dat stemmen irrationeel is omdat een invidividu een verwaarloosbare invloed heeft op het totale eindresultaat.(7) Een mogelijke empirische implicatie hiervan is dat de meeste mensen weinig gedetailleerde kennis van de politieke standpunten van de kandidaten zullen hebben omdat de kosten van het vergaren hiervan niet in verhouding staan tot de mogelijke baten. Waar de politicus “apathie” ziet, ziet de neo-klassieke econoom rationaliteit. Een aanhanger van de Oostenrijkse School van Von Mises kan echter niet veel meer stellen dan dat de stemmer intentioneel, dus rationeel handelt.

    – Vanwege onvergelijkbare value scales is dat ook de enige juiste conclusie. Efficientie is de verhouding tussen werkelijke output/input en genormeerde output/input. Een norm is altijd subjectief en afhankelijk van de preferenties van de normsteller. Als de normsteller als doel heeft de norm zo dicht mogelijk te benaderen door de juiste middelen te kiezen om het doel te bereiken, betekent dat praxeologisch gezien dat die persoon iets zegt over de efficientie van het te onderzoeken object. Praxeologisch gezien zien er dus wel mogelijkheden iets te zeggen over efficientie van een bepaalde handeling, maar dan wel a posteriori.