maandag, 27 december 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De Anatomie van de Staat

Klik hier voor een
printbare versie:

“Een echte vrije markt is volstrekt
onverenigbaar
met het bestaan van een Staat”

– Murray Rothbard (1926-1995) –

Meer over Murray Rothbard op Mises.org.

Wat de staat niet is

De staat wordt vrijwel universeel beschouwd als een instelling voor sociale dienstverlening. Sommige theoretici vereren de staat als de apotheose van de maatschappij; andere zien hem als een vriendelijke, hoewel vaak inefficiënte organisatie voor het bereiken van sociale doeleinden; maar vrijwel allemaal beschouwen ze de staat als een noodzakelijk middel om de doelen van de mensheid te bereiken—een middel dat wordt geplaatst tegenover de “private sector” en die vaak wint in deze strijd om middelen. Met de opkomst van de democratie is de vereenzelviging van de staat met de maatschappij verdubbeld, zodat het gebruikelijk is om uitspraken te horen die vrijwel elk principe van gezond verstand schenden, zoals “Wij zijn de overheid.” De nuttige collectieve term “we” heeft het mogelijk gemaakt dat een ideologische camouflage over de realiteit van het politieke leven wordt geworpen. Als de stelling “Wij zijn de overheid” juist is dan is alles wat een overheid een individu aandoet niet alleen juist en niet repressief maar ook “vrijwillig” van de zijde van het betreffende individu. Als de overheid een enorme publieke schuld heeft opgelopen die moet worden betaald door één groep te belasten ten behoeve van een andere groep dan wordt de realiteit van deze last versluierd door te zeggen: “We zijn het aan onszelf schuldig”; als de overheid iemand oproept voor militaire dienst of hem in de gevangenis stopt wegens een afwijkende mening dan “doet hij het zichzelf aan” en daarom is er niets onbetamelijks gebeurd. Volgens deze redeneerwijze zijn de joden de zijn vermoord door de nazi-overheid niet vermoord; in plaats daarvan moeten ze “zelfmoord hebben gepleegd”, aangezien zij de overheid (die democratisch was gekozen) waren en daarom was alles wat de overheid ze aandeed van hen uit vrijwillig. Het lijkt overdreven om dit punt zo uitgebreid te beargumenteren, en toch gelooft de overweldigende meerderheid van de mensen in kleinere of grotere mate in deze misvatting.

We moeten daarom benadrukken dat “wij” niet de overheid zijn;
de overheid is niet “ons.” De overheid “vertegenwoordigt”
de meerderheid van de mensen in geen enkele accurate zin van het woord1.
Maar zelfs als ze dat wel deed—zelfs als 70% van de mensen besloot om
de overige 30% te vermoorden—dan zou dit nog steeds moord zijn en geen
vrijwillige zelfmoord van de zijde van de afgeslachte minderheid2.
Geen enkele organistische metafoor of irrelevante banaliteit als “We
zijn allemaal een deel van elkaar” mag dit basale feit verduisteren.

Als de staat dus niet “ons” is; als het niet de “menselijke
familie” is die samenkomt om over wederzijdse problemen te beslissen;
als het geen vereniging van eigenaren of country club is—wat is het dan
wel? Kort gezegd is de staat die organisatie in de maatschappij die in
een bepaald gebied probeert een monopolie op het gebruik van geweld te
handhaven; in het bijzonder is het de enige organisatie in de maatschappij
die zijn inkomsten niet verkrijgt door vrijwillige bijdragen of betaling
voor geleverde diensten maar door dwang. Terwijl andere individuen en
instituties hun inkomen verkrijgen met de productie van goederen en diensten
en de vredige en vrijwillige verkoop van deze goederen en diensten aan
anderen, verkrijgt de staat zijn inkomen met het gebruik van dwang—dat
wil zeggen door het gebruik van en de dreiging met de gevangenis en de
bajonet3. Na macht en geweld te hebben gebruikt
om zijn inkomsten te verwerven vervolgt de staat in het algemeen met het
reguleren en dicteren van de andere gedragingen van zijn individuele onderdanen.
Je zou denken dat de simpele observatie van alle staten in de loop van
de geschiedenis en over de gehele wereld voldoende bewijs zou zijn voor
deze stelling; maar het miasma van mythe heeft al zo lang over activiteiten
van de staat gelegen dat uitweiding noodzakelijk is.

Wat de staat is

De mens wordt naakt in de wereld geboren, met de noodzaak om zijn geest te gebruiken om te leren hoe de middelen die hem door de natuur worden gegeven te gebruiken en (bijvoorbeeld door investering in “kapitaal”) te transformeren en te transporteren zodat de middelen kunnen worden gebruikt voor de bevrediging van zijn behoeften en de verhoging van zijn levensstandaard. De enige manier waarop de mens dit kan doen is door met het gebruik van zijn verstand en zijn energie middelen te transformeren (“productie”) en deze te ruilen voor producten die door anderen zijn gemaakt. De mens heeft ontdekt dat het proces van vrijwillige, wederzijdse ruil de productiviteit en dientengevolge de levensstandaard van allen die eraan deelnemen enorm kan verbeteren. De enige “natuurlijke” weg voor de mens om te overleven en welvaart te bereiken is daarom met gebruikmaking van zijn verstand en energie aan het productie-en-ruilproces deel te nemen. Hij doet dit ten eerste door natuurlijke hulpbronnen te vinden en ze dan (door ze “te mengen met zijn arbeid,” zoals Locke het formuleert) door ze te transformeren zijn individuele eigendom te maken en door zijn eigendom vervolgens te ruilen voor het op dezelfde wijze verkregen eigendom van anderen. De sociale weg die wordt gedicteerd door de menselijk natuur is daarom die van “eigendomsrechten” en “vrije markt” (de schenking of ruil van eigendomsrechten). Zodoende hebben mensen geleerd hoe de “jungle”-methoden van het vechten om schaarse hulpbronnen waar A ze alleen ten koste van B kan verkrijgen te vermijden en, in plaats daarvan, om die hulpbronnen enorm te vermenigvuldigen in vredige en harmonieuze productie en ruil.

De grote Duitse socioloog Franz Oppenheimer wees erop dat er twee manieren zijn om welvaart te bereiken die elkaar wederzijds uitsluiten; de ene, de bovengenoemde manier van productie en ruil, noemde hij de “economische methode.” De andere methode is simpeler in die zin dat het geen productiviteit vereist; het is de manier van het in beslag nemen van de goederen of diensten van iemand anders door het gebruik van dwang en geweld. Dit is de methode van eenzijdige confiscatie, van de diefstal van het eigendom van anderen. Dit is de manier die Oppenheimer de “politieke methode” tot welvaart noemde. Het moge duidelijk zijn dat het vredige gebruik van rede en energie in productie het “natuurlijke” pad voor de mens is: het middel voor welvaart en voorspoed op aarde. Het moge even duidelijk zijn dat de dwingende, uitbuitende methode in strijd is met het natuurrecht; het is parasitair, want in plaats van dat het een bijdrage levert aan productie vermindert het die. De “politieke methode” hevelt productie over naar een parasitair en destructief individu, dan wel een parasitaire of destructieve groep; en dit overhevelen gaat niet alleen ten koste van de totale productie, maar vermindert ook de prikkel voor de producent om meer te produceren dan wat hij nodig heeft om in zijn eigen minimale levensonderhoud te voorzien. Op de lange termijn vernietigt de rover de bron van zijn eigen levensonderhoud door het doen slinken of uitschakelen van zijn eigen voorraad. Maar niet alleen dat: zelfs op de korte termijn handelt het roofdier in strijd met zijn eigen, ware natuur als mens.

We zijn nu in een positie om de vraag “Wat is de staat?”
uitgebreider te beantwoorden. In de woorden van Oppenheimer is de staat
de “organisatie van de politieke methode”; het is de systematisering
van de gewelddadige roof in een bepaald gebied4.
Misdaad is sporadisch en onzeker; het parasitisme is tijdelijk en de gedwongen
parasitaire levenslijn kan op elk moment worden afgesneden door verzet
van de slachtoffers. De staat biedt een wettig, geordend, systematisch
kanaal voor de roof van privé-eigendom; het maakt de levenslijn
van de parasitaire laag in de maatschappij zeker, veilig en relatief “vredig.”5
Omdat productie altijd moet voorafgaan aan roof gaat de vrije markt vooraf
aan de staat. De staat is nooit gecreëerd door een “sociaal
contract”; hij is altijd geboren in verovering en uitbuiting. Het
klassieke paradigma was de veroverende stam die pauzeerde in zijn gehuldigde
methode van het beroven en vermoorden van een veroverde stam om
zich te realiseren dat de tijdspanne van het plunderen langer en zekerder
zou zijn, en de situatie prettiger, als het de veroverde stam werd toegestaan
te leven en produceren, waarbij de overwinnaars als heersers een vast
jaarlijks bedrag van hen eisten6. Eén
methode van het ontstaan van een staat kan als volgt worden geïllustreerd:
op de heuvels van zuid-“Ruritanië” slaagt een roversbende
erin om fysieke controle te verkrijgen over het gebied; vervolgens benoemt
het roverhoofd zichzelf tot “Koning van de soevereine en onafhankelijke
overheid van Zuid-Ruritanië”; en als hij en zijn mannen de macht
hebben om deze heerschappij een tijdje te handhaven7,
ziedaar, een nieuwe staat heeft zich gevoegd bij de “familie der
naties” en de voormalige roverhoofden zijn getransformeerd tot de
wettige adel van het statendom.

Hoe de staat zichzelf in stand houdt

Zodra een staat is gevestigd is het probleem van de heersende groep of
“kaste” hoe hun heerschappij te handhaven. Hoewel macht hun
modus operandi is, is hun basis- en lange termijn probleem ideologisch
van aard. Want om aan de macht te blijven moet elke overheid (niet alleen
een “democratische” overheid) de steun van de meerderheid van
haar onderdanen hebben. Opgemerkt zij dat deze steun geen actief enthousiasme
hoeft te zijn; het mag best passieve berusting zijn alsof het een onvermijdelijke
natuurwet betrof. Maar het moet wel steun in de zin van enige vorm van
acceptatie zijn; anders zou de minderheid van staatsheersers uiteindelijk
minder zwaar wegen dan het actieve verzet van de meerderheid van het volk.
Omdat roof moet worden gehaald uit het overschot van productie is het
noodzakelijkerwijs waar dat de klasse die de staat vormt —de fulltime
bureaucratie (en de adel)—een relatief kleine minderheid in het land moet
zijn, hoewel deze natuurlijk handlangers kan verwerven in de belangrijkste
groepen van de bevolking. Daarom is de voornaamste taak van de heersers
altijd om de actieve of stilzwijgende acceptatie van de meerheid van de
burgers veilig te stellen8 9.

Uiteraard is één methode om steun veilig te stellen het creëren
van gevestigde economische belangen. Daarom kan de koning niet alleen
heersen; hij moet een aanzienlijke groep volgelingen hebben die graag
meedoen met de heerschappij, bijvoorbeeld de leden van het staatsapparaat,
zoals de fulltime bureaucratie of de gevestigde adel10.
Maar dit stelt alleen nog maar een minderheid van gretige volgelingen
veilig en zelfs het essentiële verwerven van steun door subsidies
en andere toekenningen van voorrechten volstaat nog niet om de instemming
van de meerderheid te verkrijgen. Voor deze essentiële acceptatie
moet de meerderheid er met ideologie van worden overtuigd dat hun
overheid goed, wijs en ten minste onvermijdelijk en zeker beter is dan
andere denkbare alternatieven. Het promoten van deze ideologie onder de
mensen is de vitale sociale taak van de “intellectuelen.” Want
de massa creëert niet zijn eigen ideeën en denkt deze ideeën
evenmin zelfstandig door; ze volgen passief de ideeën die door de
intellectuelen worden aangenomen en verspreid. De intellectuelen zijn
daarom de “opinievormers” in de maatschappij. En omdat het precies
de vorming van opinies is die de staat het meest wanhopig nodig heeft
wordt de eeuwenoude alliantie tussen de staat en de intellectuelen duidelijk.

Het is evident dat de staat de intellectuelen nodig heeft. Het is niet zo evident
waarom intellectuelen de staat nodig hebben. Simpel gezegd kunnen we stellen
dat het levensonderhoud van de intellectueel in de vrije markt nooit al
te zeker is; want de intellectueel moet vertrouwen op de voorkeuren en
keuzes van de massa van zijn medemensen, en het is nu juist kenmerkend
voor de massa dat zij in het algemeen geen interesse heeft in intellectuele
kwesties. De staat daarentegen is bereid om de intellectuelen een veilige
en permanente plaats in het staatsapparaat te bieden; en dus inkomenszekerheid,
praal en prestige. Want de intellectuelen worden rijkelijk beloond voor
de belangrijke functie die ze voor de staatsheersers, waarvan ze nu deel
uitmaken, vervullen11.

De alliantie tussen de staat en de intellectuelen werd in de 19e
eeuw in het gretige verlangen van hoogleraren van de Universiteit van
Berlijn gesymboliseerd om de “intellectuele bodyguard van het Huis
van Hohenzollern” te vormen. Voor onze eigen tijd is bijvoorbeeld
het commentaar van een eminente marxistische geleerde over professor Wittfogels
kritische studie van klassiek oosters despotisme illustratief: “De
beschaving die professor Wittfogel zo bitter aanvalt was er een die van
dichters en geleerden officials maakte.”12
Een van de talloze voorbeelden is verder de recente ontwikkeling van de
strategische “wetenschap,” ten dienste van het voornaamste gewelduitoefenende
wapen van de overheid: het leger13. Een eerbiedwaardige
institutie is verder de officiële of “hof”historicus, die
toegewijd is aan het ondersteunen van de visies van de heersers op hun
eigen gedragingen en die van hun voorgangers14.

Er zijn veel en gevarieerde argumenten waarmee de staat en zijn intellectuelen
hun onderdanen hebben bewogen tot het accepteren van hun heerschappij.
In essentie kunnen de lijnen van de argumentatie als volgt worden opgesomd:
(a) de heersers van de staat zijn grote en wijze mannen (ze “heersen
volgens goddelijk recht”; ze zijn de “aristocratie” van
de bevolking; ze zijn de “wetenschappelijke experts”), veel
groter en wijzer dan de goede maar nogal eenvoudige onderdanen en (b)
een zekere mate van overheidsheerschappij is onvermijdelijk, absoluut
noodzakelijk en veel beter dan de onbeschrijflijke kwaden die zouden volgen
op zijn ineenstorting. De eenheid van kerk en staat was een van de oudste
en meest succesvolle van deze ideologische middelen. De heerser was hetzij
gezalfd door God of was, in het geval van de absolute heerschappij van
veel oosterse despotieën, zelf God; daarom was elk verzet tegen zijn
heerschappij blasfemie. Het priesterschap van de staat vervulde de functie
van het verkrijgen van steun van het volk en zelfs verafgoding van de
heerser15.

Een ander succesvol instrument was om angst voor alternatieve manieren van heerschappij of niet-heerschappij in te prenten. De huidige heersers, zo werd volgehouden, verlenen aan de burgers een essentiële dienst waarvoor laatstgenoemden zeer dankbaar zouden moeten zijn: bescherming tegen sporadische criminelen en plunderaars. Want de staat zorgde er, om zijn eigen monopolie op roof te behouden, inderdaad voor dat private en onsystematische misdaad tot een minimum beperkt bleef; de staat is altijd jaloers geweest op zijn eigen domein. In recente eeuwen is de staat vooral succesvol geweest in het inboezemen van angst voor andere staatsheersers. Omdat het landgebied van de aarde verdeeld is tussen verschillende staten, is een van de basale doctrines van de staat geweest om zichzelf te identificeren met het gebied waarover hij regeerde. Omdat de meeste mensen van hun vaderland houden was de identificatie van dat land en zijn inwoners met de staat een middel om natuurlijk patriottisme in het voordeel van de staat te laten werken. Als “Ruritanië” werd aangevallen door “Waldavië” was de eerste taak van de staat en zijn intellectuelen om de burgers van Ruritanië ervan te overtuigen dat de aanval in werkelijkheid op hen was gericht en niet simpelweg op de heersende klasse. Op deze manier werd een oorlog tussen heersers omgezet in een oorlog tussen volken, waarbij elk volk opkomt voor zijn heersers in de onjuiste overtuiging dat de heersers hen verdedigden. Het middel van “nationalisme” is in de westerse beschaving alleen in recente eeuwen succesvol geweest; het is niet al te lang geleden dat de massa van de onderdanen oorlogen als irrelevante schermutselingen tussen verschillende adellijke groepen beschouwde.

De ideologische wapens die de staat door de eeuwen heen heeft gehanteerd
zijn groot in aantal en subtiel. Een uitstekend wapen is de traditie geweest.
Hoe langer de heerschappij van een staat in stand heeft kunnen blijven,
hoe machtiger dit wapen is; want dan heeft de X- of de Y-dynastie ogenschijnlijk
het gewicht van eeuwen traditie achter zich16.
Verafgoding van voorvaders wordt dan een niet al te subtiele manier om
oude heersers te verafgoden. Het grootste gevaar voor de staat is onafhankelijke
intellectuele kritiek; er is geen betere manier om die kritiek te verstikken
dan om elke geïsoleerde stem, elke persoon die nieuwe twijfels doet
rijzen, aan te vallen als een profane schender van de wijsheid van zijn
voorvaders. Een andere krachtige ideologische macht is om het individu
te veroordelen en de collectiviteit van de maatschappij de verheffen.
Want omdat om het even welke regel acceptatie door de meerderheid impliceert
kan een ideologisch gevaar alleen beginnen bij één of een
paar onafhankelijk denkenden individuen. Het nieuwe idee, laat staan het
nieuwe kritische idee, moet beginnen als een kleine minderheidsopvatting;
daarom moet de staat elke visie die de opinie van de massa’s tart in de
kiem smoren door het te ridiculiseren. “Luister alleen naar je broeders”
of “Pas je aan aan de maatschappij” worden ideologische wapens
om individuele andersdenkendheid te verpletteren17.
Door zulke maatregelen zullen de massa’s niet iets over het niet-bestaan
van de kleren van de keizer te weten komen18.
Het is ook belangrijk voor de staat om zijn heerschappij onvermijdelijk
te doen lijken; zelfs als zijn heerschappij niet geliefd is zal erop worden
gereageerd met passieve berusting, waarvan de bekende koppeling tussen
“doodgaan en belasting betalen” getuige zij. Eén manier
is om historiografisch determinisme op te wekken, in tegenstelling tot
individuele wilsvrijheid. Als de X-dynasty over ons heerst is dit wegens
de Onverbiddelijke Wetten van de Geschiedenis (of de Goddelijke Wil, of
het Absolute, of de Materiële Productieve Krachten) die dit hebben
verordonneerd en er is niets wat een nietig individu kan doen om dit onvermijdelijke
bevel te veranderen. Het is ook belangrijk voor de staat om bij zijn onderdanen
een aversie in te prenten tegen elke “samenzweringstheorie van de
geschiedenis”, want een zoektocht naar “samenzweringen”
betekent een zoektocht naar motieven en het toeschrijven van verantwoordelijkheid
voor historische misdaden. Als echter elke tirannie, corruptie of agressieve
oorlog door de staat niet door de staatsheersers maar door mysterieuze
en vreemde “sociale krachten,” of door de onvolmaakte staat
van de wereld, of door dat op een bepaalde manier iedereen verantwoordelijke
was (“We zijn allemaal moordenaars,” luidt een slogan), dan
is er geen reden voor mensen om verontwaardigd te worden of om zich te
verzetten tegen zulke misdaden. Bovendien betekent een aanval op “samenzweringstheorieën”
dat mensen goedgeloviger zijn met betrekking tot de “algemeen belang”-redenen
die altijd door de staat naar voren worden geschoven om zich bezig te
houden met een van zijn despotische gedragingen. Een ‘samenzweringstheorie’
kan het systeem ontregelen door te zorgen dat het publiek aan de ideologische
propaganda van de staat gaat twijfelen.

Een andere beproefde methode om onderdanen naar de wil van de staat te doen buigen is om een schuldgevoel op te wekken. Elke toename in privaat welzijn kan worden aangevallen als “gewetenloze hebzucht,” “materialisme” of “overvloedige welvaart”; winst maken kan worden aangevallen als “uitbuiting,” en “woeker”; wederzijds voordelige ruil kan worden gehekeld als “egoïsme” en op de een of andere manier wordt altijd de conclusie getrokken dat meer gelden van de private naar de “publieke sector” moeten worden gesluisd. Het opgewekte schuldgevoel maakt het publiek meer bereid om precies dat te doen. Want terwijl individuele personen zich te buiten gaan aan “egoïstische hebzucht” moet het feit dat de staatsheersers zich hier niet mee bezig houden hun toewijding aan hogere en nobelere doelen aangeven—waarbij parasitische roof blijkbaar moreel en esthetisch verheven is in vergelijking met vredig en productief werk.

In de huidige, meer seculiere tijd is het goddelijke recht van de staat aangevuld door de inroeping van een nieuwe god, Wetenschap. Staatsheerschappij wordt nu gepresenteerd als ultrawetenschappelijk, als planning door experts. Maar hoewel “de rede” meer wordt ingeroepen dan in voorgaande eeuwen, is dit niet de ware rede van het individu en de uitoefening van diens vrije wil; het is nog steeds collectivistisch en deterministisch en impliceert nog steeds holistische aggregaten en dwingende manipulatie van passieve subjecten door hun heersers.

Het toenemende gebruik van wetenschappelijk jargon heeft de intellectuelen van de staat in staat gesteld om obscurantistische apologieën voor staatsheerschappij te schrijven die door de bevolking van een eenvoudiger tijdperk met hoon zouden zijn begroet. Een rover die zijn diefstal rechtvaardigde door te zeggen dat hij zijn slachtoffers in werkelijkheid hielp, doordat zijn uitgaven de markt stimuleerderden zou weinig mensen kunnen overtuigen; maar wanneer deze theorie wordt gehuld in Keynesiaanse vergelijkingen en indrukwekkende verwijzingen naar het “multiplier-effect” heeft het helaas meer overtuigingskracht. En zo gaat de aanval op gezond verstand voort, waarbij elk tijdperk zich op zijn eigen wijze van zijn taak kwijt.

Gezien het feit dat ideologische steun cruciaal is voor de staat moet hij onophoudelijk proberen indruk op het publiek te maken met zijn legitimiteit, om zijn activiteiten te onderscheiden van simpele rovers. De onophoudelijke vastberadenheid van zijn aanvallen op gezond verstand is geen toeval want, zoals Mencken levendig stelde:



De gemiddelde mens, wat zijn fouten verder ook mogen zijn, ziet ten
minste duidelijk dat de overheid iets is wat buiten hem ligt en buiten
de algemeenheid van zijn medemens—dat het een afzonderlijke, onafhankelijk
en vijandige macht is, slechts ten dele onder zijn controle en in staat
om hem grote schade toe te brengen. Is het van zulk gering belang dat
het bestelen van de overheid overal wordt beschouwd als een misdaad van
kleinere orde dan het bestelen van een individu, of zelfs een bedrijf?
…Wat achter dit alles ligt is volgens mij een diep gevoeld antagonisme
tussen de overheid en die mensen waarover zij heerst. Ze wordt niet gezien
als een comité van burgers die zijn gekozen om de gemeenschappelijke
zaken van de gehele bevolking te regelen, maar als een afzonderlijke en
autonome onderneming, die zich in de eerste plaats bezighoudt met het
uitbuiten van haar eigen leden…. Wanneer een private burger wordt beroofd
wordt een waardig man beroofd van de vruchten van zijn vlijt en zuinigheid;
wanneer een overheid wordt beroofd is het ergste wat is gebeurd dat bepaalde
bandieten en nietsnutten minder geld hebben om mee te spelen dan ervóór.
De notie dat ze het geld hebben verdiend wordt nooit serieus overwogen;
voor de meest verstandige mensen zou dat belachelijk lijken.19


Zoals Bertrand de Jouvenel heeft opgemerkt hebben mensen door de eeuwen heen concepten ontworpen om de uitoefening van staatsheerschappij te beteugelen en te beperken; en de staat heeft deze concepten, met behulp van zijn intellectuele bondgenoten, een voor een getransformeerd tot intellectuele stempels van legitimiteit en deugdzaamheid voor diens bevelen en handelingen. Oorspronkelijk hield het idee van goddelijke soevereiniteit in West-Europa in dat koningen alleen mochten heersen overeenkomstig goddelijk recht; de koningen veranderden het in een stempel van goddelijke goedkeuring voor elke van de handelingen van de koning. Het concept van parlementaire democratie begon als een beteugeling van de bevolking op de heerschappij van de koning; het eindigde ermee dat het parlement het essentiële bestanddeel van de staat werd en dat elke gedraging van het parlement volkomen soeverein was. De Jouvenel concludeert:



Veel mensen die theorieën over soevereiniteit schrijven hebben
een van deze … beperkende middelen uitgewekt. Maar uiteindelijk heeft
elk van die theorieën vroeger of later zijn oorspronkelijke doel
verloren en is het slechts gaan dienen als een springplank voor Macht,
door het te voorzien van de machtige hulp van een onzichtbare soeverein
waarmee het zichzelf in de loop van de tijd succesvol zou kunnen identificeren.20


Hetzelfde geldt voor meer specifieke doctrines: de “natuurrechten” zoals vastgelegd in John Locke en de Bill of Rights werd een etatistisch “recht op een baan”; utilitarisme veranderde van argumenten voor vrijheid tot argumenten tegen het verzet van invasies door de staat, et cetera.

De meest ambitieuze poging om limieten aan de staat op te leggen zijn de Bill of Rights en andere beperkende delen van de Amerikaanse Constitutie geweest, waarin geschreven limieten voor de overheid de fundamentele wet werd die moest worden geïnterpreteerd door een rechter die zogenaamd onafhankelijk was van de andere takken van de overheid. Alle Amerikanen zijn bekend met het proces waarbij de constructie van limieten in de Constitutie in de laatste eeuw onverbiddelijk is verbreed. Maar weinigen zijn zo scherpzinnig geweest als professor Charles Black om te zien dat de staat rechterlijke toetsing gaandeweg heeft getransformeerd tot een zoveelste instrument om ideologische legitimiteit te verschaffen aan de gedragingen van de overheid. Want als een rechterlijke uitspraak van “ongrondwettelijk” een machtige beperking is voor overheidsmacht, is een impliciete of expliciete uitspraak van “constitutioneel” een machtig wapen om publieke acceptatie van steeds grotere overheidsmacht te cultiveren.



Zo heeft de staat onveranderlijk een opvallend talent aan de dag gelegd voor de uitbreiding van haar machten voorbij elke beperkingen die eraan zouden kunnen worden opgelegd. Omdat de staat noodzakelijkerwijs leeft van de gedwongen inbeslagneming van privé-kapitaal en omdat zijn uitbreiding noodzakelijkerwijs steeds grotere inbreuken op privé-burgers en privé-ondernemingen maakt moeten we concluderen dat de staat diep en inherent anti-kapitalistisch is. In zekere zin is onze positie de omgekeerde van het marxistische dictum dat de staat tegenwoordig het “uitvoerend comité” van de heersende klasse is, zogenaamd de kapitalisten. Ja, de staat—de organisatie van de politieke middelen—vormt, en is de bron van de “heersende klasse” (beter gezegd de heersende kaste) en is in permanente tegenstelling met echt privé-kapitaal. We kunnen daarom met De Jouvenel spreken:



Alleen degenen die niets weten van enig tijdperk behalve van dat
van henzelf, die volkomen in het duister tasten voor wat betreft de manier
waarop de staat zich in de loop van duizenden jaren heeft gedragen, zouden
deze gang van zaken [nationalisatie, inkomensbelasting, et cetera] beschouwen
als de vrucht van een bepaalde verzameling doctrines. Ze zijn in feite
de normale manifestaties van machten en verschillen naar hun aard helemaal
niet van de confiscatie van de kloosters door Henry VIII. Hetzelfde principe
is aan het werk; de honger naar autoriteit, de dorst naar hulpbronnen;
en in al deze zaken zijn dezelfde kenmerken aanwezig, inclusief de snelle
verheffing van de verdelers van de buit. Of ze nu socialistisch is of
niet, macht moet altijd in staat van oorlog verkeren met de kapitalistische
autoriteiten en ze beroven van hun verzamelde rijkdom; aldus gehoorzaamt
ze de wet van haar natuur.21


Wat de staat vreest

Wat de staat natuurlijk bovenal vreest is elke fundamentele bedreiging van zijn eigen macht en zijn eigen bestaan. De dood van een staat kan door twee voorname manieren plaatsvinden: (a) door verovering door een andere staat of (b) door revolutionaire omverwerping door zijn eigen onderdanen—kortom door oorlog of revolutie. Oorlog en revolutie, als hun twee voornaamste bedreigingen, wekken in de staatsheersers hun maximale inspanningen en maximale propaganda onder de mensen op. Zoals hiervóór werd aangegeven, moet elke weg worden gekozen om de mensen te mobiliseren om de staat te hulp te schieten in de veronderstelling dat ze zichzelf verdedigen. De drogredenering van het idee wordt evident wanneer de dienstplicht wordt gehanteerd tegen degenen die weigeren om zichzelf te “verdedigen” en daarom worden gedwongen om zich bij het leger van de staat te voegen: ten overvloede, geen “verdediging” is toegestaan tegen deze gedraging van “hun eigen” staat.

In oorlogstijd wordt staatsmacht gemaximaliseerd en onder de slogans van “verdediging”
en “noodgeval” kan het een tirannie opleggen aan het publiek
die in vredestijd openlijk zou worden bestreden. Oorlog verschaft dus
veel voordelen aan de staat en elke moderne oorlog heeft de oorlogsvoerende
volken een permanente erfenis van staatslasten op de maatschappij gebracht.
Oorlog verschaft de staat bovendien verleidelijke mogelijkheden voor het
veroveren van gebieden waarover hij zijn monopolie van macht kan uitoefenen.
Randolph Bourne zag het zeker goed toen hij schreef: “Oorlog is de
gezondheid van de staat”, maar voor een specifieke staat kan een
oorlog hetzij gezondheid hetzij zware verwondingen betekenen22.

We kunnen de hypothese dat de staat goeddeels geïnteresseerd is in het
beschermen van zichzelf in plaats van zijn onderdanen door te vragen:
welk soort misdaden vervolgt en bestraft de staat het meest intensief—die
tegen privé-burgers of die tegen zichzelf? De ergste misdaden
in het lexicon van de staat zijn bijna onveranderlijk geen inbreuken van
privé-personen of –eigendom maar gevaren voor zijn eigen voldoening,
bijvoorbeeld verraad, het overlopen door een soldaat naar de vijand, het
niet voldoen aan een oproep voor de dienstplicht, omverwerping of subversieve
samenzweringen, aanslagen op heersers en economische misdrijven tegen
de staat zoals valsemunterij of ontduiken van inkomstenbelasting. Of vergelijk
de ijver waarmee de man die een politieagent vermoordt met de aandacht
die de politie besteedt aan de moord op een gewone burger. Maar gek genoeg
vinden weinig mensen het feit dat de staat openlijk aangeeft prioriteit
te geven aan de bescherming van zichzelf onverenigbaar met zijn vermeende
bestaansreden.23

Hoe staten met elkaar omgaan

Omdat het territoriale gebied van de aarde over verschillende staten is verdeeld nemen interstatelijke relaties veel tijd en energie van een staat in beslag. Het is de natuurlijke neiging van een staat om zijn macht te vergroten en extern heeft die uitbreiding plaats door verovering van een territoriaal gebied. Tenzij een gebied staatloos of onbewoond is brengen al dat soort uitbreidingen inherente belangenverstrengelingen tussen een groep staatsheersers en een andere met zich mee. Slechts één verzameling heersers kan een monopolie van dwang over een bepaald gebied verkrijgen op één moment: complete macht over een gebied door staat X kan alleen worden bereikt door de verdrijving van staat Y. Oorlog, hoewel riskant, zal een altijd aanwezige neiging van staten zijn, onderbroken door perioden van vrede en door verschuivende bondgenootschappen en coalities tussen staten.

We hebben gezien dat de “interne” of “binnenlandse” pogingen
om de staat te beperken in de 17e tot en met de 19e
eeuw zijn meest bekende vorm kreeg in constitutionalisme. De “externe”
of “buitenlandpolitieke” tegenhanger daarvan was de ontwikkeling
van “internationaal recht,” vooral vormen als “oorlogswetten”
en de “rechten van neutralen.”24
Delen van internationaal recht waren aanvankelijk puur privaat, voortgekomen
uit de noodzaak van koopmannen en handelaren overal vandaan om hun eigendom
te beschermen en voor oordelen bij conflicten. Voorbeelden zijn het recht
voor maritieme kwesties en het koopliedenrecht. Maar zelfs de overheidsregels
verschenen vrijwillig en werden niet door enige internationale superstaat
opgelegd. Het doel van de “oorlogswetten” was om interstatelijke
vernietiging te beperken van het staatsapparaat, waarbij de onschuldige
“burger”-bevolking tegen de slachtingen en vernietiging van
oorlog werd beschermd. Het doel van de ontwikkeling van rechten voor neutralen
was om private burgerlijke internationale handel, zelfs met “vijandelijke”
landen, tegen inbeslagneming door een van de oorlogvoerende landen te
beschermen. Het overkoepelende doel was om de mate van oorlog te beperken
en in het bijzonder om de vernietigende impact ervan op de private burgers
van de neutrale en zelfs die van de vijandelijke landen te beschermen.

De jurist F.J.P. Veale beschrijft dit soort “beschaafde oorlogsvoering” op charmante wijze toen het kort opbloeide in het Italië van de 15e eeuw:



De rijke burgers en kooplieden van middeleeuws Italië hadden
het te druk met het verdienen van geld en het genieten van het leven om
de ontberingen en gevaren op zich te nemen van het worden van soldaat.
Daarop ontwikkelden ze het gebruik om huurmoordenaars in te huren om hun
gevechten voor hen te vechten en, ijverig, zakelijk volk zijnde, ontsloeg
het de huurmoordenaars onmiddellijk nadat hun diensten konden worden gemist.
Oorlogen werden daarom gevoerd door legers die voor elke afzonderlijke
campagne werden ingehuurd… Het was de eerste keer dat het worden van
soldaat een redelijke en betrekkelijk onschadelijk beroep werd. De generaals
uit die periode manoeuvreerden tegen elkaar, vaak met veel kunde, maar
als er een het voordeel had trok zijn tegenstander zich in het algemeen
terug of gaf op. Het was een erkende regel dat een stad alleen kon worden
geplunderd als er verzet werd geboden: immuniteit kon altijd worden gekocht
door losgeld te betalen. Een consequentie hiervan was dat geen enkele
stad zich verzette, omdat het duidelijk was dat een overheid die te zwak
was om haar burgers te beschermen hun trouw kon vergeten. Burgers hadden
weinig te vrezen van de gevaren van een oorlog, die alleen betrekking
had op professionele soldaten.25


De zo goed als absolute scheiding van de private burger van de staatsoorlogen wordt geaccentueerd door Nef:



Zelfs postcommunicatie werd in oorlogstijd niet succesvol beperkt.
Brieven circuleerden ongecensureerd, met een vrijheid die de 20e-eeuwse
geest verbijstert… De onderdanen van de twee oorlogvoerende naties spraken
elkaar wanneer ze elkaar tegenkwamen en wanneer ze elkaar niet konden
ontmoeten correspondeerden ze, niet als vijanden maar als vrienden. De
moderne notie bestond nauwelijks dat… onderdanen van een vijandelijk
land deels verantwoordelijk zijn voor de oorlogshandelingen van hun heersers.
Noch hadden de oorlogvoerende heersers een sterke neiging om communicaties
met de onderdanen van de vijand te stoppen. De oude inquisitiepraktijken
van spionage in combinatie met religieuze verafgoding en geloof verdwenen
en geen vergelijkbare inquisitie in combinatie met politieke op economische
communicaties werd zelfs maar overwogen. Paspoorten werden oorspronkelijk
gebruikt om veilig gedrag in oorlogstijd te kunnen verzekeren. Tijdens
het grootste deel van de 18e eeuw kwam het zelden bij Europeanen
op om hun reizen in een ander land waarmee hun eigen land oorlog had af
te breken.26


En gezien het feit dat handel in toenemende mate werd gezien als
gunstig voor beide partijen biedt 18e-eeuwse oorlogsvoering
een aanzienlijke mate van “handel met de vijand.”27


Over de vraag in hoeverre staten de regels van geciviliseerde oorlogsvoering in deze eeuw hebben overschreden behoeft hier niet te worden uitgeweid. In het moderne tijdperk van totale oorlog, gecombineerd met de technologie van totale vernietiging, lijkt het idee om oorlog te beperken tot de staatsapparaten nog vreemder en obsoleter dan de oorspronkelijke Constitutie van de Verenigde Staten.

Wanneer staten niet in oorlog zijn, zijn doorgaans overeenkomsten nodig om fricties tot een minimum te beperken. Een doctrine die merkwaardig breed wordt geaccepteerd is de vermeende “heiligheid van verdragen”. Dit concept wordt behandeld als de tegenhanger van de “heiligheid van contracten.” Maar een verdrag en een echt contract hebben niets gemeen. Een contract draagt, op een precieze manier, eigendomsrechten over. Omdat een overheid niet op enige wijze “eigenaar” is van haar territoriale gebied kunnen overeenkomsten die ze afsluiten geen eigendom overdragen. Als Jansen bijvoorbeeld zijn land aan Klaassen geeft of verkoopt, kan Jansens erfgenaam geen legitieme claim op het land doen jegens de erfgenaam van Klaassen. De eigendomsrechten zijn al overgedragen. Het contract van de oude Jansen is automatisch bindend jegens de jonge Jansen omdat eerstgenoemde de eigendom al had overgedragen; de jonge Jansen heeft daarom geen eigendomsclaim. De jonge Jansen kan alleen datgene claimen wat hij heeft geërfd van de oude Jansen en de oude Jansen kan alleen eigendom nalaten dat nog steeds van hem is. Maar als op een bepaald moment de overheid van bijvoorbeeld Ruritanië wordt gedwongen of zelfs omgekocht door de overheid van Waldavië om een deel van haar gebied op te geven is het absurd om te beweren dat het de overheden of bewoners van de twee landen voor altijd onmogelijk is gemaakt om Ruritanië te herenigen wegens de heiligheid van een verdrag. Noch de mensen noch het land van Noordwest-Ruritanië zijn eigendom van een van de twee overheden. Daaruit voortvloeiend kan één overheid zeker niet, met de dode hand van het verleden, een latere overheid aan een verdrag binden. Een revolutionaire overheid die de koning van Ruritanië omverwierp zou, op dezelfde manier, nauwelijks ter verantwoording kunnen worden geroepen voor de gedragingen of de schulden van de koning, want een overheid is niet, zoals een kind dat wel is, een echte “erfgenaam” van de eigendommen van zijn voorganger.

De geschiedenis als een race tussen staatsmacht en sociale macht

Net zoals de twee basale en elkaar wederzijds uitsluitende relaties tussen
mensen vredige samenwerking of gedwongen exploitatie zijn—productie of
roof—zo kan de geschiedenis van de mensheid, en in het bijzonder haar
economische geschiedenis, worden beschouwd als een strijd tussen de volgende
twee principes. Enerzijds is er creatieve productiviteit, vredige ruil
en samenwerking; anderzijds is er dictatuur, dwang en roof. Albert Jay
Nock noemde deze tweede strijdende machten met genoegen “sociale
macht” en “staatsmacht.”28
Sociale macht is de menselijke macht over de natuur, zijn coöperatieve
transformatie van de hulpbronnen van de natuur en inzicht in de natuurwetten,
ten gunste van alle deelnemende individuen. Sociale macht is de macht
over de natuur, de levensstandaarden die de mensen kunnen bereiken door
ruil. Staatsmacht is, zoals we hebben gezien, de gedwongen en parasitische
inbeslagneming van deze productie—het uitputten van de vruchten van de
maatschappij ten gunste van niet-productieve (eigenlijk anti-productieve)
heersers. Terwijl sociale macht, macht is over de natuur is staatsmacht
macht over de mens. In de loop van de geschiedenis hebben de productieve
en creatieve krachten van de mens nieuwe manieren gevonden om de natuur
in het voordeel van de mens te transformeren. Dit zijn de tijden geweest
waarin sociale macht staatsmacht voorbijsprintte en waarin de mate van
staatsinvloed over de maatschappij aanzienlijk is verminderd. Maar de
staat is altijd in deze nieuwe gebieden binnengedrongen om de sociale
macht wederom te verkreupelen en tot zich toe te eigenen29.
Als de 17e tot en met de 19e eeuw in veel westerse
landen tijden van accelererende sociale macht waren met de daaruit voortvloeiende
vrijheid, vrede en materiële welvaart, dan is de 20e eeuw
in de eerste plaats een tijdperk geweest waarin staatsmacht een inhaalslag
heeft gemaakt—met als resultaat een terugkeer naar slavernij, oorlog en
vernietiging30.


In deze eeuw moet de mensheid opnieuw het hoofd bieden aan de virulente
heerschappij van de staat—de staat die nu gewapend is met de vruchten
van de creatieve krachten van de mens, geplunderd en gecorrumpeerd ten
behoeve van zijn eigen doeleinden.. De laatste paar eeuwen probeerden
mensen constitutionele en andere grenzen aan de staat te stellen, om er
vervolgens achter te komen dat die grenzen, tezamen met alle andere pogingen,
hebben gefaald. Van de talrijke vormen die overheden door de eeuwen heen
hebben aangenomen is geen enkel concept succesvol geweest in het beteugelen
van de staat. Het probleem van de staat is verder van een oplossing verwijderd
als ooit. Misschien moeten nieuwe onderzoeksgebieden worden betreden wil
de succesvolle, uiteindelijke oplossing van de kwestie van de staat ooit
worden bereikt.31




Vertaald door R.G.Th. van Wissen. De vertaler bedankt Henry Sturman voor
zijn suggesties.
Origineel uit Egalitarianism
as a Revolt Against Nature and Other Essays



  1. We kunnen in dit artikel niet de vele problemen
    en misvattingen omtrent “democratie” uitwerken. Het is hier voldoende
    om te zeggen dat een echte agent of “vertegenwoordiger” altijd ondergeschikt
    is aan de bevelen van het individu, op elk moment kan worden ontslagen
    en niet tegen de belangen of wensen van zijn principaal kan handelen.
    Het is duidelijk dat de “vertegenwoordiger” in een democratie nooit
    deze agentfuncties kan vervullen—de enige die in overeenstemming zijn
    met een libertarische maatschappij.

  2. Sociaal-democraten antwoorden hierop vaak dat
    democratie—meerderheidskeus van heersers—logischerwijs impliceert dat
    de meerderheid zekere vrijheden aan de minderheid moet laten, omdat
    de minderheid ooit de meerderheid zou kunnen worden. Naast andere onjuistheden,
    is dit argument duidelijk ongeldig wanneer de minderheid niet de meerderheid
    kan worden, bijvoorbeeld wanneer de minderheid een van de meerderheid
    verschillende raciale of etnische groep is.

  3. Joseph A. Schumpeter, Capitalism, Socialism,
    and Democracy (New York: Harper Books and Bros. 1942), p. 198.

    De frictie of het antagonisme tussen de private en de publieke
    sfeer werd vanaf het allereerste begin geïntensiveerd door het
    feit dat…de staat leeft van inkomsten die in de private sfeer zijn
    geproduceerd voor private doelen en met politiek geweld van deze doelen
    moesten worden ontnomen. De theorie die belastingen naar analogie van
    contributie van een vereniging of de betaling van de diensten van, zeg,
    een dokter opvat bewijst alleen hoever dit deel van de sociale wetenschappen
    verwijderd is van een wetenschappelijke instelling.




    Zie ook Murray N. Rothbard, “The Fallacy of the Public Sector,” New
    Individualist Review (Summer, 1961): 3ff.

  4. Franz Oppenheimer, The State (New York:
    Vanguard Press, 1926)., pp. 24-27.:



    Er zijn twee fundamenteel tegenovergestelde manieren waarop de mens,
    die voedsel nodig heeft, wordt gedwongen om de noodzakelijk middelen
    te verkrijgen om zijn behoeften te bevredigen. Dit zijn werk en diefstal,
    zijn eigen werk en de inbeslagneming van het werk van anderen….Ik
    stel in de volgende bespreking voor om de ruil van zijn eigen werk voor
    dat van anderen de “economische methode” te noemen, terwijl de niet-beloonde
    inbeslagneming van het werk van anderen de “politieke methode” zal worden
    genoemd….De staat is een organisatie van de politieke methode. Geen
    enkele staat kan daarom ontstaan totdat de economische methode een bepaald
    aantal objecten voor de bevrediging van behoeften heeft gecreëerd,
    die kunnen worden weggenomen of inbeslaggenomen door oorlogsachtige
    roof.


  5. Albert Jay Nock schreef levendig dat:



    de staat een monopolie van geweld claimt en uitoefent…hij verbiedt
    private moord, maar organiseert zelf moord op kolossale schaal. Hij
    bestraft private diefstal maar legt zelf zijn onscrupuleuze handen op
    alles wat hij wil, of het nu gaat om het eigendom van een inwoner of
    van een vreemde.




    Nock, On Doing the Right Thing, and Other Essays (New York: Harper
    and Bros., 1929), p. 143; geciteerd in Jack Schwartzman, “Albert Jay
    Nock—A Superfluous Man,” Faith and Freedom (December, 1953):
    11.

  6. Oppenheimer, The State, p. 15:



    Wat is de staat dan als sociologisch concept? Helemaal in het begin
    is de staat…een sociale institutie door een overwinnende groep mensen
    aan een verslagen groep opgelegd, met het enkele doel om de heerschappij
    van de overwinnende groep mensen over de verslagen groep te reguleren
    en zichzelf te beschermen tegen opstand van binnenuit en vanuit het
    buitenland. Teleologisch gezien had deze heerschappij geen ander doel
    dan de economische uitbuiting van de verslagenen door de overwinnaars.



    De Jouvenel heeft geschreven: “de staat is in essentie het resultaat
    van successen die zijn behaald door een bende bandieten die zich opdringen
    aan kleine, onderscheiden samenlevingen.”
    Bertrand de Jouvenel,
    On Power, (New York: Viking Press, 1949), pp. 100-01

  7. Over het cruciale onderscheid tussen “kaste”
    (een groep met privileges of lasten die met dwang worden verleend of
    opgelegd door de staat) en het marxistische concept van “klasse” in
    de maatschappij, zie Ludwig von Mises, Theory
    and History

    (New Haven, Conn.: Yale University Press, 1957), pp. 112ff.


  8. Dit soort acceptatie impliceert natuurlijk niet
    dat de heerschappij van de staat “vrijwillig” is geworden; want zelfs
    als de steun van de meerderheid actief en gretig is is deze steun niet
    unaniem van elk individu.

  9. Dat elke overheid, hoe “dictatoriaal” over individuen
    ook, zulke steun moet veiligstellen is aangetoond door scherpe politieke
    theoretici als Etienne de la Boétie, David Hume en Ludwig von
    Mises. Zie in dit verband David Hume, “Of the First Principles of Government,”
    in Essays, Literary, Moral and Political (Londen: Ward, Locke
    en Taylor, n.d.), p. 23; Etienne de la Boétie, Anti-Dictator
    (New York: Columbia University Press, 1942), pp. 8-9; Ludwig von Mises,
    Human
    Action

    (Auburn, Ala.: Mises Insitute, 1998)
    , p. 188ff. Voor meer over de
    bijdrage aan de analyse over de staat door La Boétie, zie Oscar
    Jaszi en John D. Lewis, Against the Tyrant (Glencoe, Ill..: The
    Free Press, 1957), pp. 55-57.

  10. La Boétie, Anti-Dictator, pp.
    43-44.

  11. Dit impliceert geenszins dat alle intellectuelen
    zich aan de zijde van de staat scharen. Over aspecten van de alliantie
    van intellectuelen en de staat, zie Bertrand de Jouvenel, “The Attitude
    of the Intellectuals to the Market Society,” The Owl, (January,
    1951): 19-27; idem, “The Treatment of Capitalism by Continental Intellectuals,”
    in F.A. Hayek, ed., Capitalism and the Historians, (Chicago:
    University of Chicago Press, 1954), pp. 93-123; herdrukt in George B.
    de Huszar, The Intellectuals, (Glencoe, Ill.: The Free Press,
    1960), pp. 385-399; en SchumpeterImperialism and Social Classes
    (New York: Meridian Books, 1975), pp. 143-155.

  12. Joseph Needham, “Review of Karl A. Witfogel,
    Oriental Despotism,” Science and Society (1958): 65. Needham
    schrijft ook dat de “opeenvolgende [Chinese] keizers in alle tijden
    werden gediend door een groot gezelschap van diep menselijke en belangeloze
    geleerden,”
    p. 61. Wittfogel merkt op dat de confuciaanse doctrine
    van de glorie van de heersende klasse rustte op haar fijnzinnig geleerde
    intellectuele bureaucraten, die voorbestemd waren om professionele heersers
    te zijn die de massa van de bevolking bevelen geven. Karl A. Wittfogel,
    Oriental Despotism (New Haven, Conn.: Yale University Press,
    1957), pp. 320-321 en op andere plaatsen in dit boek. Voor een houding
    die met die van Needham contrasteert, zie John Lukacs, “Intellectual
    Class or Intellectuel Profession?” in de Huszar, The Intellectuals,
    pp. 521-522.

  13. Jeanne Ribs, “The War Plotters,” Liberation
    (Augustus, 1961): 13. “[s]trategen staan erop dat hun beroep de
    ‘waardigheid van de academische tegenhanger van de militaire professie’
    is.”
    Zie ook Marcus Raskin, “The Megadeath Intellectuals,” New
    York Review of Books (November 14, 1963): 6-7.

  14. Zo bepleitte Conyers Read, in zijn presidentiële
    rede, het onderdrukken van historische feiten ten dienste van “democratische”
    en nationale waarden. Read stelde dat “totale oorlog, of die nu heet
    of koud is, iedereen aanwerft en iedereen oproept om zijn deel te doen.
    De historicus is niet vrijer van deze verplichting dan de natuurkundige.”
    Read, “The Social Responsibilities of the Historian,” American Historical
    Review (1951): 283ff. Voor een kritiek op Read en andere aspecten
    van hofhistorici, zie Howard K. Beale, “The Professional Historian:
    His Theory and Practice,” The Pacific Historical Review (Augustus,
    1953): 227-255. Vergelijk ook Herbert Butterfield, “Official History:
    Its Pittfalls and Criteria,” History and Human Relations (New
    York: Macmilan, 1952), pp. 182-224; and Harry Elmer Barnes, The Court
    Historians Versus Revisionism (n.d.), pp. 2ff.

  15. Vergelijk Wittfogel, Oriental Despotism,
    pp. 87-100. Over de contrasterende rollen van religie versus de staat
    in het oude China en het oude Japan, zie Norman Jacobs, The Origin
    of Modern Capitalism and Eastern Asia (Hong Kong: Hong Kong University
    Press, 1958), pp. 161-194.

  16. De Jouvenel, On Power, p. 22:



    De essentiële reden voor gehoorzaamheid is dat het een gewoonte
    van de soort is geworden…Macht is voor ons een natuurlijk feit. Vanaf
    de eerste dagen van bijgehouden geschiedenis heeft het altijd over het
    menselijk lot geregeerd…de autoriteiten die over [maatschappijen]
    vroeger regeerden verdwenen niet zonder hun opvolger hun voorrechten
    na te laten noch zonder in de geesten van de mens indrukken achter te
    laten die cumulatief zijn in hun effect. De opvolging van overheden
    die in de loop der eeuwen dezelfde maatschappij regeren kan worden beschouwd
    als één onderliggende overheid die continu groeit.


  17. Over een zodanig gebruik van de religie van
    China, zie Norman Jacobs op verschillende plaatsen.

  18. H.L. Mencken, A Mencken Chrestomathy
    (New York: Knopf, 1949), p. 145:



    Alles wat [een overheid] kan zien in een origineel idee is potentiële
    verandering en dus een invasie van zijn prerogatieven. De gevaarlijkste
    man voor elke overheid is de man die in staat is om dingen voor zichzelf
    te bedenken, zonder acht te slaan op de heersende bijgeloven en taboes.
    Hij komt bijna onvermijdelijk tot de conclusie dat de overheid waaronder
    hij leeft oneerlijk, waanzinnig en onacceptabel is en dus zal hij het
    proberen te veranderen als hij gepassioneerd is. En zelfs als hij persoonlijk
    niet gepassioneerd is hij heel wel in staat om onvrede te zaaien onder
    degenen die dat wel zijn.


  19. Ibid., pp. 146-147.

  20. De Jouvenel, On Power, pp. 27ff.

  21. De Jouvenel, On Power, p. 71.

  22. We hebben gezien dat steun door intellectuelen
    essentieel is voor de staat en dit betreft ook steun tegen hun twee
    acute bereidingen. Zie daarom over de rol van Amerikaanse intellectuelen
    bij het begin an de betrokkenheid van Amerika aan de Eerste Wereldoorlog


    Randolph Bourne, “The War and the Intellectuals,” in The History
    of a Literary Radical and Other Papers (New York: S.A. Russell,
    1956), pp. 205-222. Zoals Bourne aangeeft is het kanaliseren van elke
    discussie binnen de limieten van het overheidsbeleid en het ontmoedigen
    van elke fundamentele en totale kritiek van dit basale raamwerk een
    bekend instrument van intellectuelen in het verkrijgen van steun voor
    gedragingen van de staat.

  23. Zoals Mencken het op zijn onnavolgbare wijze
    formuleert:



    Deze bende (“de uitbuiters die de overheid vormen”) is vrijwel immuun
    voor straf. Zijn ergste afpersingen, zelfs wanneer ze duidelijk voor
    eigen gewin zijn, worden onder onze wetten niet bestraft. Sinds de eerste
    dagen van de Republiek zijn minder dan een paar dozijn van zijn leden
    in staat van beschuldiging gesteld en maar een paar loopjongrens zijn
    ooit in de gevangenis gestopt. Het aantal mensen dat in Atlanta en Leavenworth
    zit voor het ageren tegen de afpersingen van de overheid is altijd tien
    keer zo groot als het aantal overheidsfunctionarissen dat is veroordeeld
    voor voor eigen gewin onderdrukken van belastingbetalers.
    (Mencken,
    A Mencken Chrestomathy, pp. 147-148.



    Voor een levendige beschrijving van het gebrek aan bescherming voor
    het individu tegen inbreuken op zijn vrijheid door zijn “beschermers”
    zie H.L. Mencken, “The Nature of Liberty,” in Prejudices: A Selection
    (New York: Vintage Books, 1958), pp. 138-143.

  24. Dit moet worden onderscheiden van modern internationaal
    recht, met haar nadruk op het maximaliseren van de mate van oorlog door
    concepten zoals “collectieve zekerheid.”

  25. F.J.P. Veale, Advance to Barbarism (Appleton,
    Wis.: C.C. Nelson, 1953), p. 63. Op eenzelfde manier schrijft professor
    Nef over de oorlog van Don Calros die in de 18e in Italië
    werd gevoerd tussen Frankrijk, Spanje en Sardië enerzijds tegen
    Oostenrijk anderzijds:



    bij het beleg van Milaan door de gealliëerden en enkele weken
    later in Parma… ontmoeetten de rivaliserende legers elkaar in een
    felle strijd buiten de stad. In geen van beide plaatsen waren er sympathieën
    van de inwoners voor de ene kant of de andere. Hun enige angst was dat
    de troepen van een van de legers binnen de poorten zouden komen en zouden
    plunderen. De vrees bleek ongegrond. Bij Parma renden burgers naar de
    stadswallen om de strijd in het open land te aanschouwen.

    (John U. Nef, War and Human Progress [Cambridge, Mass.: Harvard
    University Press, 1950], p. 158. Zie ook Hoffman Nickerson, Can We
    Limit War? [New York: Frederick A. Stoke, 1934])

  26. Nef, War and Human Progress, p. 162.

  27. Ibid., p. 161. Voor een pleidooi voor handel
    met de vijand door leiders van de Amerikaanse Revolutie, zie Joseph
    Dorfman, The Economic Mind in American Civilization (New York:
    Viking Press, 1946), vol. 1, pp. 210-211.

  28. Over de concepten van staatsmacht
    en sociale macht zie Albert Jay Nock, Our Enemy the State (Caldwell,
    Idaho: Caxton Printers, 1946). Zie ook Nock, Memoirs of a Superfluous
    Man (New York: Harpers, 1946) en Frnk Codorov, The Rise and Fall
    of Society (New York: Devin-Adair, 1959).

  29. Temidden van de stroom van uitbreiding
    of intrekking zorgt de staat er altijd voor dat hij bepaalde cruciale
    “commandoposten” van de economie en de maatschappij in beslag neemt
    en behoudt. Deze commandoposten zijn onder andere een monopolie op geweld,
    monopolie op de uiteindelijke judiciële macht, de transport- en
    communicatiekanalen (postkantoren, wegen, rivieren, luchtroutes), geïrrigeerd
    water in oosterse despotieën en onderwijs—dit laatste om de meningen
    van zijn toekomstige burgers te kneden. In de moderne economie is geld
    de cruciale commandopost.


  30. Dit parasitaire proces van “inhalen” is bijna
    openlijk verkondigd door Karl Marx, die toegaf dat socialisme moet worden
    gerealiseerd door het inbeslagnemen van kapitaal dat eerder was geaccumuleerd
    onder kapitalisme.

  31. Een onmisbaar ingrediënt van zo’n oplossing
    zal zeker moeten zijn de scheiding van het bondgenootschap van intellectueel
    en staat, door het creëren van centra van intellectueel onderzoek
    en onderwijs die onafhankelijk zijn van de staat. Christopher Dawson
    merkt op dat de grote intellectuele bewegingen van de Renaissance en
    de Verlichting werden bereikt door het werken buiten, en soms tegen,
    de gevestigde universiteiten. Deze academia van de nieuwe ideeën
    werden gevestigd door onafhankelijke partronen. Zie Christopher Dawson,
    The Crisis of Western Education (New York: Sheed and Ward, 1961).

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Murray Rothbard, topic: Anarchisme, Murray Rothbard
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.