donderdag, 2 december 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

De ethiek van de vrije markt


Voorstanders van de vrije markt stellen dat iedereen vrij zou moeten zijn om hun eigen leven in te richten zoals het hen zelf goeddunkt, zolang ze anderen maar vrij laten om hetzelde te doen. Een scepticus kan hierop zeggen dat dit onmogelijk is, een utopie die slechts kan werken als iedereen zich goed gedraagt.


This animated introduction to the philosophy of the liberty was created by Lux Lucre. The text and inspiration come from “The Adventures of Jonathan Gullible: A Free Market Odyssey” by Ken Schoolland.

Maar de echte utopie is het land waar de overheid zich goed gedraagt.
Niemand is volmaakt; iedereen heeft zowel goede als slechte trekken. Dat is alleen een probleem als een kleine groep mensen de macht heeft om haar wil aan anderen op te leggen. Om goed te doen hoeft niemand zijn wil aan anderen op te leggen; kwaad doen kan niet zonder. Een vrije samenleving zal niet perfect zijn, maar de schade die kan worden aangericht door kwaadwillenden is een stuk beperkter.

De overheid kan alleen goed zijn als de politici die haar besturen ook goed zijn. Stel uzelf de volgende vragen:

  1. Gelooft u de beloften die politici maken tijdens een verkiezingscampagne?
  2. Welke politicus zal eerder worden verkozen? Een die de kiezers gouden bergen belooft, of een die de zaken voorstelt zoals ze zijn?
  3. Gelooft u dat politici zichzelf aan hogere standaarden houden dan u voor uzelf hanteert?

Deze vragen leveren meestal bijna unaniem de volgende antwoorden op:

  1. Politici zijn onbetrouwbaar.
  2. Eerlijke mensen schoppen het niet ver in de politiek.
  3. Politici zijn vaak corrupt, en graaien waar ze kunnen.

Als je vervolgens dezelfde mensen vraagt hoe de overheid de samenleving kan verbeteren, dan komen ze meestal met een waslijst van maatregelen.

Het recht van de Farao

Dit is een vorm van politieke schizofrenie—een aandoening aan het gezond verstand. Veel mensen denken tegenstrijdige dingen over de overheid en de politici en ambtenaren die de overheid besturen. Misschien wordt dit gedrag aangeleerd door scholen en de media, die allebei een innige relatie met de overheid onderhouden.

De kiezer verschilt niet zoveel van een mishandelde vrouw die, tegen beter weten in, blijft hopen dat manlief zichzelf gaat beteren. Zo kruipt de kiezer terug naar het stemhokje net zoals de vrouw terugkruipt naar haar gewelddadige echtgenoot, een eindeloze oefening in zelfkastijding.

De overheid wordt vaak gezien als een soort god; alomtegenwoordig, almachtig, en alwetend.

Als de kiezer een beroep doet op de overheid, dan heeft dat beroep vaak dezelfde inhoud als het beroep van een gelovige op zijn god; Geef ons heden ons dagelijks brood, verlos ons van het kwade.

Deze aanbidding van de overheid is niets nieuws. In het oude Egypte werd de Farao als god vereerd. Ook de Romeinen verheven hun overleden keizers tot goden. En met de opkomst van het Christelijke geloof werden alle wereldlijke leiders verheven tot regenten in de naam van god; Als zij hun werk niet goed deden, dan zou goddelijke interventie er wel voor zorgen dat zij van hun troon gestoten werden.

Op Hawaii kent men twee feestdagen die slechts enkele weken van elkaar afliggen. De Amerikaanse ‘Independence Day’, waarop gevierd wordt dat de Britse koloniën in het oosten van de huidige Verenigde Staten hun onafhankelijkheid van Engeland kregen, en ‘Kamehameha Day’, waarop gevierd wordt dat Kamehameha „de Grote” zichzelf op bloederige wijze de absolute monarch van de eilandengroep maakte.

Het enige wat deze twee feestdagen met elkaar verbindt is overwinning. Zolang er maar sprake is van overwinning zijn mensen bereid alles te vieren.

In naam der meerderheid

Nu Koningen uit de mode zijn hebben politici een nieuwe, wellicht veel gevaarlijke rechtvaardiging voor hun schurkenstreken gevonden: De steun van de Meerderheid.

Mensen die er normaliter niet aan zouden denken om te stelen, te dwingen en te moorden knipperen niet eens met hun ogen als dit gebeurt in hun naam, in opdracht van politici.

Net zomin als elke koning een goed en rechtvaardig heerser is, is ook de meerderheid in een verkiezingsuitslag geen garantie voor goed en rechtvaardig beleid.

Goed en rechtvaardig beleid komt voort uit logica en ethiek, niet uit de vaardigheid van een politicus om in te spelen op de gedachten van de kiezer.

Een minimale, neutrale overheid

Thomas Jefferson, een van de founding fathers van de Verenigde Staten, deed ooit de uitspraak: „That government is best which governs least.”

Hij geloofde in een zo klein mogelijke, neutrale overheid, met als enige taak het beschermen van de individuele vrijheid van burgers; rechtshandhaving en landsverdediging.

Zo’n overheid zou niemand benadelen, en niemand speciale gunsten toekennen.

Mensen die geloven in de almachtige overheid hebben vaak een beeld van hoe een ideale samenleving eruit zou moeten zien, en zullen aanpassing eisen van mensen die niet in dat ideaalbeeld passen.

Voorstanders van de vrije markt zien het niet als hun taak om een ideaal aan de samenleving op te leggen, maar laten iedereen vrij om hun eigen geluk op hun eigen manier na te streven—zolang ze hun wil niet aan anderen opleggen.

Dit idee is niet radicaal, en zeker niet nieuw. Het is een logisch idee dat machtswellustelingen al duizenden jaren achtervolgt. Het heeft niet alleen wortels in de klassiek-liberalen in Europa, maar ook in 2500-jaar oude Chinese filosofie.

Lǎo Zi (老子), de grondlegger van het Taoïsme, was een tegenstander van een sterke overheid, en stelde dat het beste dat een overheid kon doen niets doen was. Uit de Dào Dé Jīng:

17 De beste heersers zijn de heersers die de mensen slechts van naam kennen.
37 Nooit onderneemt de Tao actie, en toch is er niets dat ongedaan blijft. Als koningen en baronnen zich eraan kunnen houden, zal alles uit zichzelf veranderen.
57 Regeer door niets te doen. Waarom? Hierom:
Hoe meer wetten en regels er in de wereld zijn, zo veel armer zullen de mensen zijn.
Hoe meer wetten en regels er in de wereld zijn, zo veel meer dieven en rovers zullen er zijn.
Een wijs man zal daarom zeggen: „Ik doe niets, en de maatschappij verbetert zichzelf”

Hoe meer wetten en regels, zo veel meer dieven en rovers? Dit klinkt raar, maar elke nieuwe wet is een nieuwe manier om een wet te overtreden. Elke nieuwe regel is een mogelijke nieuwe inkomstenbron voor een corrupte ambtenaar.

Robin Hood tegenover de Sherrif van Nottingham

Vreemd genoeg leren weinig mensen dit soort dingen op school.

In scholen zal de overheid eerder worden voorgesteld als een soort Robin Hood, een onbaatzuchtige held die steelt van de rijken en geeft aan de armen.

Er zijn echter weinig mensen die geloven dat arme mensen meer invloed hebben op de overheid dan rijke mensen.

Het is onwaarschijnlijk dat rijke mensen de macht van de overheid zouden gebruiken om hun geld aan de armen te geven. Als ze dat zouden willen doen, dan zouden ze gewoon hun geld kunnen overmaken.

Ófwel de rijken hebben niet zoveel invloed op de overheid, ófwel ze gebruiken hun invloed niet om geld aan de armen te geven.

Reken eens na hoeveel geld van u gestolen is, in uw hele leven. U zult uitkomen op een antwoord tussen honderd, en, in extreme gevallen, enkele duizenden Euros in totaal.

Reken vervolgens eens na hoeveel van dat geld, dank zij de overheid, weer is teruggevonden.

U zult concluderen dat u niet meer dan een fractie van dat bedrag van de overheid hebt teruggekregen. U doet waarschijnlijk aangifte bij het politiebureau om de verzekering tevreden te stellen, niet omdat u hoopt dat het gestolen geld of goed door hen wordt teruggevonden.

Vraag uzelf dan af wat voor percentage van de overheidsuitgaven wordt verspild, door bureaucratie, corruptie, of wanbeleid. 30%? 50%?

Reken vervolgens eens na hoeveel van de door u betaalde belasting wordt verspild. U zult schrikken; waarschijnlijk verspilt de overheid meer van uw geld in één jaar dan U aan diefstal bent kwijtgeraakt in uw hele leven.

Waarom wordt een overheid die weinig meer is dan een struikrover geaccepteerd door de bevolking?

De econoom Walter Williams stelt zelfs dat een struikrover minder erg is dan de overheid. Een dief die je geld afpakt laat je daarna met rust. Een overheid die je geld afpakt gebruikt een deel van dat geld om je voor te lichten over wat er met dat geld voor je gedaan wordt, en hoe blij je daarme wel niet moet zijn.

De overtreffende trap

Iemand die niet bekend is met de bovenstaande argumenten zal wellicht geschokt zijn door de vergelijking van de overheid met een struikrover. Een struikrover bedreigt je immers met de dood. De overheid doet dat niet…of toch wel?

Als u weigert belasting te betalen, dan wordt u gearresteerd. Als u zich met geweld verzet tegen arrestatie, dan mag de politie het vuur op u openen.

Onder de fluwelen handschoen van de overheid zit wel degelijk een ijzeren vuist. Verzet tegen de overheid wordt niet getolereerd. En op consequent verzet tegen de overheid staat de doodstraf.

Dat is iets waar we liever niet aan denken. Liever houden we de illusie in stand dat iedereen zich uit vrije wil aan de wet houdt, hoe onrechtvaardig en streng ze ook zijn.

De ijzeren vuist wordt niet alleen gebruikt om gehoorzaamheid af te dwingen als een burger in overtreding is van belangrijke, vrijwel universeel geaccepteerde wetten, maar voor elke wet, hoe onbelangrijk ook.

De ziekte die zich voordoet als medicijn

En wat doen die altruïstische politici dan wel niet met al dat belastinggeld. Lossen ze problemen op? Geven ze voedsel, kleding en onderdak aan mensen die het zonder de overheid niet zelf zouden kunnen redden? Nee. Ze gebruiken dat belastinggeld om problemen te scheppen.

Als er ergens in de samenleving een probleem is, zullen mensen zich tot politici wenden voor een oplossing. En zo’n oplossing zal veelal de macht van politici vergroten, in plaats van verminderen.

In plaats van te vragen hoe de overheid problemen op kan lossen, moet gevraagd worden of die problemen niet in de eerste plaats aan de overheid zelf te wijten zijn. Vanuit het perspectief van een econoom gedraagt de overheid zich als een ziekte, die zich voordoet als het medicijn tegen de problemen die ze veroorzaakt.

Stelt u zich de overheid als een gebouw voor. Aan de ene kant van het gebouw staan mensen die geld in het gebouw moeten gooien. Aan de andere kant staan mensen die geld ontvangen.

Aan welke kant zou U willen staan? Aan welke kant zullen uiteindelijk de meeste mensen staan?

Als de overheid productieve mensen straft, en onproductieve mensen geld geeft, dan zullen er steeds minder productieve, en steeds meer onproductieve mensen komen. Tot op het punt waar het geld afgestaan door productieve mensen niet meer voldoet om alle onproductieve mensen te betalen.

Meestal verhoogt de overheid dan de belastingen. Tijdelijk is het budget dan weer in balans, maar het hierboven beschreven proces wordt versneld.

Slechts als de overheid productieve mensen minder zwaar straft zullen er meer productieve mensen opstaan.

Slechts als de overheid onproductieve mensen minder subsidieert zullen er minder onproductieve mensen zijn.

Maar er zijn meer manieren waarop de overheid een negatieve invloed op de economie kan uitoefenen.

Overheidsgeld

Een belangrijke manier is het geldmonopolie van de overheid. Als een gewone burger geld zou drukken, dan zou hij zich schuldig maken aan valsmunterij; een misdaad, omdat het de waarde van de munt omlaag drukt, en daardoor dus ook de waarde van lonen, spaargeld en pensioenen.

Als de overheid geld drukt, dan gebeurt hetzelfde, alleen heet het dan geen valsmunterij. Dan heet het ‘monetair beleid’ en ‘inflatie’

Door geld te drukken—wettige betaalmiddelen die mensen verplicht zijnom aan te nemen—kan de overheid aanspraak maken op nòg een deel van het kapitaal van haar burgers. Dit is de grootste oorzaak van inflatie.

Niet alleen de overheid heeft hier baat bij, maar ook kapitaalbezitters zien de waarde van hun eigendom stijgen, in verhouding tot de munteenheid.

Mensen in het bezit van weinig kapitaal, die hun weinige overgebleven geld in spaartegoeden of pensioenen steken zijn de dupe van het monetaire beleid van de overheid.

De grootste winnaar is natuurlijk de overheid. In een klap krijgt de overheid een zak nieuw geld dat kan worden uitgegeven. De waarde van de staatsschuld vermindert. En de waarde van overheidseigendommen stijgt. En als, onvermijdelijk, mensen meer loon proberen te verdienen om hun welvaartsniveau in stand te houden, dan krijgt de overheid ook nog eens meer belastinginkomsten.

Voorstanders van de vrije markt zullen over het algemeen de wettige betaalmiddelen—of liever de wetten die zeggen dat iedereen deze verplicht is te accepteren als betaalmiddel—willen afschaffen.

Concurrentie zorgt ervoor dat de prijs/kwaliteitsverhouding van een product verbeterd wordt, en geld is hierop geen uitzondering. Als mensen kunnen kiezen tussen geld dat elk jaar in waarde daalt, en geld dat ongeveer even veel waard blijft, dan zullen ze voor de tweede soort kiezen.

Een gratis lunch

Een iets bekendere, maar net zo goed getolereerde vorm van diefstal zijn de landbouwsubsidies die de prijzen van voedsel en kleding omhoogstuwen. Miljarden worden elk jaar uitgegeven om overschotten te vernietigen en goedkopere import tegen te houden.

De bijstand voor de armlastigen verbleekt in vergelijking met de bijstand ten gunste van de relatief rijke en machtige agrariërs die in elk geïndustrialiseerd land te vinden zijn. In élk vrijwel land wordt deze groep gesubsidieerd, met uitzondering van Nieuw–Zeeland.

Boeren in Nieuw–Zeeland werden ooit meer gesubsideerd dan in welk ander geïndustrialiseerd land dan ook. Toen de overheid in 1984 alle subsidies in één klap afschafte, werd verwacht dat de agrarische sektor wel kopje–onder zou gaan. Het omgekeerde gebeurde. Nieuw–Zeeland telt nu meer boeren dan ooit tevoren, haar agrarische sektor produceert meer voedsel dan ooit tevoren, en genereert meer inkomen dan ooit tevoren. In plaats van dat de boeren zich aan bepaalde regels en beperkingen hielden om in aanmerking te komen voor subsidie, moesten ze zich ineens puur op het genereren van inkomen richten.

Elders in de wereld is de boerenlobby afhankelijk van de subsidies die ze krijgt in ruil voor haar donaties en steun aan politici en politieke partijen. Het is zo belangrijk voor ze dat de boerenlobby vaak op meerdere paarden tegelijk wedt, om maar te zorgen dat een haar welgezinde partij de regering haalt. Er is geen betere investering te vinden dan een politicus op de juiste plaats.

De omvang van de staatssubsidie aan boerenbedrijven is niet zo bekend als de omvang van staatssubsidie aan de armen. Het is een bewuste keuze geen ruchtbaarheid te geven aan het eerste, maar wel aan het laatste. Het uitgeven van belastinggeld aan armen is een stuk makkelijker te verdedigen dan het uitgeven van belastinggeld aan het verhogen van de prijzen voor landbouwproducten.

De tegenstelling tussen arm en rijk

Mensen die skeptisch staan ten opzichte van de vrije markt stellen vaak dat de overheid een noodzakelijk obstakel is voor hebberige zakenlui die de concurrentie willen uitschakelen om hun winst te maximaliseren. Concentraties van geld en macht worden gezien als een natuurlijk verschijnsel in een vrije markt, en de overheid wordt verkocht als een middel om ze te voorkomen.

Het is zeker waar dat er hebberige mensen zijn die graag de markt voor zichzelf zouden willen hebben. Feit is alleen dat het vrijwel altijd de overheid is die hen de kans geeft alleenheerser te worden over een bepaald marktsegment.

De krachten achter overheidscontracten, patenten, subsidies en ‘fiscale stimulansen’ streven altijd om macht en geld in de handen van een kleine, invloedrijke elite te drijven. Daar waar de overheid meer gunsten uitdeelt is een grotere tegenstelling tussen arm en rijk.

De overheid is altijd de marionet van een machtige elite geweest. Vrijwel elk geval van uitzonderlijke rijkdom bestaat dankzij een politieke gunst. En diezelfde politieke gunsten zijn de oorzaak van vrijwel elk geval van schrijnende armoede. Het is een wirwar van politieke gunsten die de prikkels voor concurrentie, innovativiteit en productiviteit vernietigen. Het doel van de politici is macht uitoefenen over het leven en eigendom van iedereen. In een werkelijk vrije markt zijn de verschillen tussen arm en rijk een stuk minder schrijnend. De rijkdom van een individu is een gevolg van vrijwillige keuzes. Keuzevrijheid is een vorm van rijkdom.

Socialisten geloven dat de macht van de overheid gebruikt kan worden om goed te doen, zolang de overheid maar bestuurd wordt door onbaatzuchtige, capabele individuen.

De vergelijking kan worden getrokken met het boek Lord of the Rings, van J.R.R. Tolkien. In dat boek voelt iedereen die met de Ring van Macht in aaanraking komt de verleiding om de macht van de ring te gebruiken om goed te doen. Maar macht corrumpeert altijd, en de ring corrumpeert uiteindelijk eenieder die hem draagt. Uiteindelijk zien de inwoners van Midden–Aarde geen andere oplossing dan de ring te vernietigen.

Er gaat geen jaar voorbij, of er komt weer een nieuw schandaal aan het licht waarbij een politicus of ambtenaar misbruik maakt van zijn macht. En vrijwel altijd dragen politici nieuwe en strengere regels aan als oplossing. Maar welke regels ze ook aan zichzelf opleggen, er zullen altijd mensen zijn die ze weten te omzeilen, omdat de beloning voor het verkopen van waardevolle gunsten zo hoog is.

De enige manier om de corrumperende werking van macht tegen te gaan, is door de macht zélf te beperken.

Beperkingen? Maar hoe…

„Maar,” hoor ik u denken, „Als de politiek geen macht heeft, wie regelt dan de dingen waarvoor de markt niet kan zorgen—post, scholen, nutsvoorzieningen, het milieu, de rechtbanken, de brandweer, noem maar op?”

Hoewel de overheid op deze gebieden absoluut geen briljante prestaties levert, blijft de kiezer toch naar de overheid terugkomen.

Vaak wordt gesteld dat, als overheidsingrijpen op één gebied te rechtvaardigen is, het op álle gebieden te rechtvaardigen is. In welke mate en op welke gebieden de overheid moet ingrijpen wordt dan gezien als een kwestie van voorkeur, niet van principe.

Veel voorstanders van de vrije markt geloven wel dat de overheid soms nut kan hebben, zolang de taken die zij voor de burger uitvoert niet gebaseerd zijn op geweld.

Iedereen heeft het recht zichzelf en zijn eigendom te verdedigen, en dus mogen we anderen, inclusief de overheid, vragen om dit voor ons te doen.

Niemand heeft het recht om andermans geld met geweld af te pakken. En dus mogen we ook niet aan de overheid vragen dit voor ons te doen.

Als we ‘typische’ overheidstaken aan het bedrijfsleven uitbesteden, zullen we wellicht de kwaliteit/prijsverhouding van die diensten zien verbeteren.

Hoe dan ook, het zou ons vrij moeten staan om de gevolgen van een vrijwillige samenleving te ontdekken.

Als de markt zorgt voor een verbetering van de prijs en kwaliteit van diensten, dan zou de markt moeten worden ingezet voor alle diensten die belangrijk zijn voor de burger. Hoe belangrijker de dienst in kwestie, hoe sterker het argument om het aan de markt over te laten.

Vaak wordt hierop geantwoord dat sommige zaken een ‘publiek goed’ zijn, waarvan iedereen gebruik kan maken. Omdat er geen mogelijkheid is om mensen te verhinderen er gebruik van te maken, zou er geen prikkel zijn voor de markt om er geld in te steken. Dit argument wordt door veel economen aangevoerd als rechtvaardiging voor duizenden belastinkjes en een dozijn overheidsmonopolies.

Helaas zorgen deze monopolies voor veel ongemak voor de burger. Het ‘publiek goed’ is eerder een ‘publiek slecht’. In Amerika sterven meer dan 40.000 mensen per jaar op de slechtbeheerde snelwegen. Toch zijn er maar weinigen die het overheidsmonopolie op snelwegen in twijfel trekken, omdat iedereen er zo aan gewend is.

Maar stelt u zich eens voor dat een bedrijf door slecht management een vergelijkbaar aantal doden op zijn geweten zou hebben? De managers zouden blij mogen zijn als ze heelhuids zouden kunnen vluchten, laat staan dat hun bedrijf nog financieel te redden zou zijn.

Maar als er niks te kiezen valt, valt er ook niets te vergelijken. En dus worden mensen gedwongen het risico te nemen bij een snelwegongeluk om te komen.

De Nolan Chart

De zgn. Nolan Chart behandelt onder andere de volgende vragen.:

  1. Zouden (boeren)bedrijven het zonder overheidssubsidie moeten stellen?
    Ja. Iedereen heeft het recht om zelf te bepalen wie hij steunt met zijn geld. De overheid heeft niet het recht om die keuze vóór hen te maken.
  2. Zouden invoerrechten moeten worden afgeschaft?
    Ja. Iedereen heeft zelf het recht om te kiezen met wie hij handel voert.
  3. Zou het moeten worden toegestaan om onder het minimumloon te werken?.
    Ja. Of iemand voor zo’n loon wil werken is immers zijn eigen keuze. Net zoals vrijwilligerswerk iemands eigen keuze is.
  4. Zou de overheid gefinancierd moeten worden uit vrijwillige bijdragen?
    Ja. De overheid heeft niet het recht om bijdragen af te dwingen.
  5. Is de dienstplicht rechtvaardig?
    Nee. Niemand kan verplicht worden zijn leven op te offeren voor de veiligheid van een ander.
  6. Heeft de overheid het recht om regels op te leggen aan radio, tv en de pers?
    Nee. Radio, TV en Pers zijn alledrie een goede controleur van de overheid. Als de overheid ze regels mag opleggen, zelfs onschuldige, dan worden zij aan de overheid dienstbaar gemaakt.
  7. Zouden mensen vrij moeten zijn om zichzelf schade toe te brengen, bijvoorbeeld door drank of drugs?
    Ja. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen leven, en eigen lichaam.

De morele basis

Politieke doeleinden kunnen slechts worden verwezenlijkt door gedwongen betaling en gedwongen consumptie. Als dwang niet te rechtvaardigen valt voor het verwezenlijken van onze eigen, persoonlijke doelstellingen, dan valt het evenmin te rechtvaardigen voor het verwezenlijken van politieke doelen.

Andersom kan worden gesteld dat oplossingen die niet op dwang berusten efficiënter, praktischer en menselijker zijn.

Vrijheid, competitie, vindingrijkheid en verantwoordelijkheid zijn allemaal onderdeel van een heel ingewikkelde formule die resulteert in het bereiken van alles waar mensen in een samenleving waarde aan hechten. De op vrijwillige samenwerking gebaseerde oplossing voor een probleem ligt soms wat minder voor de hand dan een wet, maar het resultaat is zonder uitzondering veel bevredigender.

Voor degenen die bang zijn dat het nu onmiddelijk gaat gebeuren, maakt u zich geen zorgen; er zijn zoveel lieden en organisaties die baat hebben bij de huidige situatie, dat het nog wel een tijd zal duren voor de bovenstaande ideëen alom geaccepteerd zijn. Waarschijnlijk zullen ze zich eerst moeten bewijzen in bepaalde delen van de wereld.

Ik maak me ook geen zorgen. Ik ben er van overtuigd dat idealen gebaseerd op dwang uiteindelijk niet veel waard zullen blijken te zijn in de vrije markt van ideëen.

Terug naar de premissen

De vrije markt kan op vele manieren worden gerechtvaardigd, maar sommigen zien het als een logisch uitvloeisel van de gedachte dat iedereen de baas is over zijn eigen leven. Jij bent de baas over je eigen leven. Als dat niet zo is, betekent dat dat iemand anders meer recht heeft op jou leven dan jijzelf. Niemand heeft meer recht op jouw leven dan jijzelf, en net zo goed heb jij niet het grootste recht op het leven van anderen.

Jij, als individu, bestaat in de tijd. Je hebt een toekomst, een heden, en een verleden. Dit is duidelijk als we je leven, je vrijheid, en het produkt van je vrijheid en je leven behandelen. Als je leven je wordt ontnomen raak je je toekomst kwijt. Als je vrijheid je wordt ontnomen raak je je heden kwijt. En als het produkt van je leven en je vrijheid je wordt ontnomen, dan raak je dat deel van je verleden kwijt waarin je dat hebt geproduceerd.

De som van alle beslissingen die je in vrijheid neemt over je eigen leven is je welvaart.

Één produkt van je leven en je vrijheid is je eigendom. Eigendom is de vrucht van je arbeid, en je arbeid is een produkt van je tijd, je energie en je talenten.

Het eigendom van anderen kan aan je worden gegeven, door een vrijwillige ruil. Mensen die vrijwillig van eigendom ruilen zijn allebei beter af dan dat ze zouden zijn als ze de ruil niet zouden maken. Alleen zijzelf hebben het recht om die beslissing voor zichzelf te maken.

Soms gebeurt het dat mensen dwang gebruiken om iets van anderen af te nemen zonder hun toestemming. Als ze je leven van je afnemen, dan heet dat moord. Als ze je je vrijheid afnemen, dan heet dat slavernij. Als ze je je eigendom afnemen, dan heet dat diefstal. Het maakt niet uit of slechts één persoon die zaken van je afneemt, of dat dit wordt gedaan uit naam van de meerderheid.

Je hebt het recht om je eigen leven, vrijheid, en eigendom te beschermen tegen de aggressie van anderen. En dus mag je anderen vragen om jou te helpen. Maar je hebt niet het recht om zelf geweld tegen anderen, of hun eigendom te gebruiken, noch om aan anderen te vragen dat in jouw naam te doen.

Verantwoordelijkheid

Je bent vrij om mensen te volgen, maar je hebt niet het recht om leiders voor anderen te kiezen. Hoe die leiders ook worden verkozen, het blijven mensen, en geen enkel mens heeft het recht om de levens van andere mensen te regelen. Hoe ze het ook noemen, en hoeveel mensen hen ook steunen, politici hebben niet het recht om te moorden, om slavernij in te voeren, of om te stelen. Je kunt aan politici geen rechten geven die je zelf niet hebt.

Omdat je de eigenaar bent van je eigen leven, ben je er ook verantwoordelijk voor. Je huurt je leven niet van anderen die je gehoorzaamheid eisen. Noch ben je een slaaf voor anderen die van je verwachten dat je jezelf opoffert. Succes en falen zjn beiden prikkels om te leren en te groeien. Jouw handelen ten bate van anderen, of hun handelen ten bate van jouzelf heeft slechts waarde als het gebaseerd is op wederzijdse vrijwilligheid.

Dat is de basis van een werkelijk vrije samenleving. Het is niet alleen de meest ethische basis voor een samenleving, het is ook de meest praktische en menselijke. Dit is geen toeval.

Problemen die ontstaan door de uitoefening van geweld door de overheid hebben een oplossing; Die oplossing is dat mensen aan de overheid vragen om op te houden met het uitoefenen van geweld in hun naam. Kwaad wordt niet alleen veroorzaakt door slechte mensen, maar ook door goede mensen die toestaan dat in hun naam en in hun belang geweld wordt gebruikt.

Vertrouwen in een vrije samenleving betekent dat je vertrouwt dat de samenleving, zélf belangrijke waarden kan ontdekken, zonder dat de overheid een visie of doel aan de samenleving oplegt. Het opleggen van waarden aan een samenleving is een vorm van intellectuele gemakszucht, en heeft meestal slechte, onbedoelde bijwerkingen. Het verdedigen van waarden in een vrije markt vereist durf, inzet, en argumenten.

Ken Schoolland (schoollak001@hawaii.rr.com) is Universitair Docent Economie aan de Hawaii Pacific University, en lid van de Raad van Bestuur voor de International Society for Individual Liberty (http://www.isil.org). Hij is de auteur van The Adventures of Jonathan Gullible: A Free Market Odyssey, uitgegeven in 30 talen. http://www.jonathangullible.com.

Vertaling door Libertarian.nl

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Ken Schoolland, topic: Libertarische Theorie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.