vrijdag, 10 december 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Klimaatsceptici


In de IPCC‑rapporten wordt ervan uitgegaan dat de huidige klimaatveranderingen voor een substantieel deel (hoeveel precies is onduidelijk) dienen te worden toegeschreven aan de door de mens veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen (het antropogene broeikaseffect). Deze opvatting wordt bestreden door de zogenoemde ‘klimaatsceptici’. Vaak wordt de indruk gewekt ‑ ook in officiële publikaties ‑ dat het slechts om een kleine onbeduidende groep wetenschappers zou gaan. Dat is feitelijk onjuist. Wereldwijd hebben tienduizenden bona fide wetenschappers zich openlijk tegen Kyoto gekeerd en de wetenschap die daaraan ten grondslag ligt, waaronder 72 Nobelprijswinnaars.[1] Recentelijk, in mei 2004, heeft de Russische Academie van Wetenschappen zich in een rapport, dat op verzoek van de regering werd opgesteld, grosso modo bij dit standpunt aangesloten. Mocht de Russische regering het standpunt van de Russische Academie van Wetenschappen overnemen (dat is tot op heden onzeker), dan zal Rusland Kyoto niet ratificeren. Op dat moment ontstaat er internationaal gezien een geheel nieuwe situatie omdat de Russische deelname noodzakelijk is om het niveau van 55% van de totale werelduitstoot van antropogene broeikasgassen te halen, dat de kritische drempel vormt voor de inwerkingtreding van Kyoto.

Bijdrage van Hans Labohm aan de nota ‘Klimaatverandering klimaatbeleid. Inzicht in keuzes voor de Tweede Kamer’ (te downloaden op www.ce.nl ). Het stuk is niet opgenomen in de nota omdat de ‘strekking sterk afwijkt’ van de rest van de nota. Echt verbazingwekkend is dit niet, het bureau CE is een eind jaren 70 ontstaan uit de milieubeweging.
De Tweede Kamer had dus vooraf kunnen weten dat ze een rapport bestelde bij een bedrijf dat het juist moet hebben van een eenzijdige voorstelling van zaken. De laatste klimaatnota is daar een illustratie van. Een bewerking van onderstaande tekst zal in december 2004 verschijnen in Liberaal Reveil.

De klimaatsceptici hebben met elkaar gemeen dat zij kritisch staan ten opzichte van de analyse van het IPCC (hier verder het IPCC‑hypothese genoemd) en/of de beleidsmaatregelen dan wel voorstellen die daarop zijn gebaseerd. Maar voor het overige komt men onder hen ook verschillen van opvatting dan wel accent tegen. Sommigen van hen, zoals Svensmark, Baliunas, De Jager en Van Geel, wijzen opde dominante invloed van de zon op de klimaat‑ en temperatuurontwikkeling op aarde. De invloed van antropogene broeikasgassen achten zij van aanzienlijk mindere betekenis, zo niet insignificant. Anderen, zoals Lindzen, Singer en Michaels, richten hun kritiek onder meer op de ondeugdelijkheid van de klimaatmodellen om de toekomstige ontwikkeling van het klimaat te voorspellen (eigenlijk ‘projecteren’, want het IPCC pretendeert niet deze te kunnen voorspellen, alhoewel dat subtiele onderscheid in de discussie vaak verloren gaat.) Weer anderen, zoals McIntyre, McKitrick en Soon, richten hun kritiek vooral op de historische temperatuurreconstructie (gebaseerd op het werk van Mann et al) die een centrale plaats inneemt in de IPCC‑hypothese. Deze vormen de wetenschappelijke onderbouwing van de stelling dat de temperatuurstijging (zoals gemeten aan de oppervlakte) sinds het midden van de 20ste eeuw zonder precedent is in de laatste 1000 jaar. De sceptici betwisten deze stelling. Auteurs als Singer en Douglas, bekritiseren het IPCC vanwege het feit dat deze geen verklaring kan bieden voor de afwijkingen van de ontwikkeling van oppervlaktetemperaturen enerzijds en temperaturen in de hogere luchtlagen anderzijds. Zij zijn van oordeel dat het IPCC het stadseffect (‘urban heat island effect’ dan wel ‘local surface heating processes’ als gevolg van industrialisatie) onderschat. Dit is belangrijk omdat volgens de IPCC‑hypothese en alle modellen die daarop zijn gebaseerd, de opwarming juist in de hogere luchtlagen (lagere troposfeer) sterker zou moeten zijn dan aan het aardoppervlak. In feite is het echter andersom. Auteurs als Lindzen, Rörsch en Thoenes vermoeden dat er een ‘waterthermostaat’ werkzaam is, die de opwarmende effecten van een grotere concentratie broeikasgassen in de atmosfeer (grotendeels) neutraliseert. Vooral geologen, bijvoorbeeld Priem, beklemtonen dat temperatuurstijgingen voorafgaan aan de stijging van de CO2-concentratie in de atmosfeer, en niet andersom zoals dat volgens de antropogene broeikashypothese het geval is.

Wat betreft de economische dimensie van de klimaatproblematiek bekritiseert bijvoorbeeld Courtney het IPCC vanwege het feit dat het de alarmistische opwaardering van de geprojecteerde temperatuurstijging, van een bandbreedte van 1,0‑3,5 0C in het voorlaatste rapport tot een bandbreedte van 1,4‑5,8 0C in het laatste rapport, uitsluitend dient te worden toegeschreven aan het gebruik van economische scenario’s (‘storylines’ in het IPCC‑vocabulaire) die een onwaarschijnlijk hoge groei en uitstoot veronderstellen, terwijl Castles en Henderson de gebruikte methodiek van deze scenario’s ten principale afkeuren, omdat deze tot onrealistisch hoge groeicijfers en dus uitstoot van antropogene broeikasgassen leidt.

Boehmer‑Christiansen bekritiseert het IPCC vanwege ‘spindoctoring’, in het bijzonder het verdoezelen van onzekerheden en het aandikken van de gevaren, terwijl zij ook de dominante rol van klimatologen in het proces, ten koste van andere wetenschappelijke disciplines, afkeurt. Auteurs zoals Lomborg en Labohm wijzen op de wanverhouding tussen de kosten en baten van Kyoto en a fortiori die van voorstellen tot verdergaande uitstoot van antropogene broeikasgassen (post‑Kyoto). Labohm wijst ten slotte ook op de schadelijke gevolgen van de invoering van Kyoto voor de nationale economische soevereiniteit alsmede het systeem van vrije ondernemingsgewijze produktie. Immers de uitvoering van Kyoto impliceert overdracht van nationale economische soevereiniteit naar Brussel en invoering van elementen van centrale planning in de economie.

Enigszins gestileerd kan het amalgaam van standpunten van de klimaatsceptici als volgt worden weergegeven.

De klimaatsceptici ontkennen niet dat er sprake is van klimaatverandering. In de geschiedenis van de aarde is klimaatverandering de norm. Maar dat heeft niets te maken met een significante menselijke invloed. In het licht van deze geschiedenis weten we ook niet wat een gemiddeld, stabiel of optimaal klimaat is. Wat is normaal? Is dat het huidige klimaat? Of dat van 100, 1000, 10.000 dan wel 100.000 jaar geleden? Dient de wens tot stabilisering van het klimaat, zoals wij dat thans kennen, niet aan menselijke hoogmoed te worden toegeschreven: het geloof in de maakbaarheid’ van het klimaat?

De klimaatsceptici achten het zowel intuïtief als wetenschappelijk moeilijk voorstelbaar dat een complex systeem als het klimaat, dat van tal van natuurlijke oerkrachten afhankelijk is, door middel van de modulatie van een of enkele relatief onbeduidende factoren, zoals de uitstoot van menselijke broeikasgassen – er wordt aangenomen dat de antropogene bijdrage aan het totale broeikaseffect (natuurlijk plus antropogeen) zo’n 0,3% bedraagt – zou zijn te beheersen en te stabiliseren. In geologisch tijdsperspectief zijn de huidige concentraties van CO2 in de atmosfeer niet uitzonderlijk hoog. De natuurlijke uitwisseling van broeikasgassen tussen oceaan, land en biosfeer is zeer groot. De menselijke uitstoot valt daarbij in het niet.

De klimaatsceptici beklemtonen dat het antropogene broeikaseffect nog steeds niet meer is dan een wetenschappelijke hypothese. Hypothesen dienen aan waarnemingen te worden getoetst. Volgens de hypothese dienen de hogere luchtlagen (troposfeer) en de polen meer op te warmen dan de rest van het aardoppervlak. Dit wordt echter niet door temperatuurmetingen bevestigd. In alle natuurwetenschappen is het gebruikelijk dat hypothesen die niet met de waar­nemingen overeenkomen, worden verworpen. Het is verwonderlijk dat dit in de klimaatwetenschap niet gebeurt.

Volgens de IPCC-hypothese dient de antropogene uitstoot van CO2 te leiden tot een toename van de CO2-concentratie is de atmosfeer. En deze toename dient te leiden tot een tempera­tuurstijging. Maar dat is in strijd met de waarnemingen. (Zie grafiek.) grafiek_Page_6.jpg

Y-as:     jaarlijkse concentratie van  CO2 in de atmosfeer in de periode 1979-2000.

X-as:     relatieve temperatuurverandering in de troposfeer voor de corresponderende jaren. Nul komt overeen met de gemiddelde mondiale temperatuur in 1979.

Bron: Rörsch, Thoenes, Courtney.

In de grafiek is de CO2-concentratie in de atmosfeer (in ppmv) in een bepaald jaar afgezet tegen de verandering van de mondiale temperatuur in de troposfeer, gemeten in hetzelfde jaar door satellieten. De waarde nul komt overeen met de mondiale temperatuur in 1979. De correlatie is erg zwak met een coëfficiënt van 0,05. Indien het punt rechts boven buiten beschouwing wordt gelaten daalt de correlatie zelfs naar een waarde van < 0,01.

Temperatuurmetingen van grondstations laten een hogere temperatuur zien dan die in de troposfeer. Dan wordt de correlatiecoëfficiënt 0,3, hetgeen nog steeds te laag is om van een significante correlatie te spreken. Het verschil kan allereerst worden verklaard door het feit dat de grondstations op land staan en de satellieten ook boven de oceanen meten (70% van het aardoppervlak). Voorts wordt het verklaard door de veronderstelling dat het land inderdaad opwarmt als gevolg van klimaatverandering, omdat de overtollige warmte bij het aardoppervlak boven de oceanen sneller wordt afgevoerd door de verdamping van water (83,5 W/m2) dan dat deze boven land wordt afgevoerd (58,5 W/m2).

Uit de geringe samenhang tussen grondtemperaturen en de CO2 in de atmosfeer wordt afgeleid dat zij het gevolg zijn van los van elkaar staande processen. Waargenomen wordt dat de CO2 concentratie na een relatief warm jaar blijft stijgen, terwijl de temperatuur daalt.

Drie belangrijke mondiale temperatuurreeksen (satellieten, ballonnen en de onlangs gepubliceerde NOAA‑ballonmetingen van 7 voet boven de grond) laten geen significante wereld­wijde temperatuurstijging zien. Dit betekent overigens niet dat de klimaatsceptici locale of regionale klimaatveranderingen zouden ontkennen.

Ook wijzen de sceptici erop dat de variabele zonneactiviteit op het klimaat in de gehele 20ste eeuw van dezelfde grootteorde was als de waargenomen temperatuurfluctuaties. Daarmee geven zij aan dat zij aan de zon een dominante invloed toekennen. Zij erkennen echter dat het mechanisme achter deze relatie niet goed is verklaard.

De klimaatsceptici onderstrepen – hetgeen ook door het IPCC wordt erkend – dat het klimaat een non‑lineair stochastisch systeem vormt. Dat is een technische term die buitenstaanders (niet‑bèta’s) weinig zegt. Maar deze kwalificatie heeft wèl belangrijke implicaties. Enigszins overgesimplificeerd betekent zij dat over dergelijke systemen geen voorspellingen kunnen worden gedaan. Vandaar ook dat het IPCC ‑ terecht ‑ van projecties en niet van voorspellingen spreekt. Nogmaals, deze subtiliteit gaat vaak in het debat, en a fortiori in de media, verloren.

Gegeven de discrepantie van temperatuurmetingen aan het aardoppervlak en de satelliet­metingen wordt van IPCC-zijde erkend dat de modellen verbeterd dienen te worden, in het bijzonder met betrekking tot de beschrijving van de bovenlucht. De sceptici zijn van mening dat deze discrepantie dusdanig ernstig is, dat hierdoor de werkelijkheidswaarde van de modellen fundamenteel wordt gediscrediteerd.

De klimaatmodellen zijn niet gevalideerd. Dat wil zeggen, er is niet bewezen dat zij met de werkelijkheid overeenkomen. Zij zijn niet in staat het verleden te simuleren. Hoe kunnen zij dan een betrouwbaar beeld van de toekomst geven? De bewering van IPCC-zijde dat zulks toch het geval is, is onjuist volgens de sceptici. Dit was allen maar mogelijk door het toe­passen van kunstgrepen, zoals ‘flux adjustment’, die door de sceptici gewoonlijk als ‘fudging’ worden aangeduid.

Van IPCC-zijde wordt gesteld dat het mogelijk is om de antropogene opwarming (‘human fingerprint’) te onderscheiden van natuurlijke klimaatinvloeden, zoals zonneactiviteit, grote vulkaanuitbarstingen en natuurlijke (‘interne’) variaties, zoals el Niño. Daaruit wordt de conclusie getrokken dat vanaf het midden van de 20ste eeuw de menselijke invloed via het broeikaseffect waarschijnlijk overheersend is geworden. De sceptici bestrijden deze opvatting. Zij betwijfelen of de natuurlijke effecten met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden gemeten en wijzen er voorts op dat tal van andere factoren, zoals de invloed van stofdeeltje in de atmosfeer en wolkenvorming, in dit soort berekeningen buiten beschouwing zijn gebleven. Hierdoor zijn de uitkomsten daarvan niet betrouwbaar.

Van IPCC-zijde wordt gesteld dat de opwarming wordt gedempt door extra wolkenvorming. Wat dit effect betreft wordt erkend dat de huidige klimaatmodellen op dit punt nog sterk kunnen worden verbeterd. Volgens de sceptici is dit een andere manier om te zeggen dat de klimaatmodellen met dit zeer belangrijke (en wellicht overheersende) effect geen rekening kunnen houden. De reden is duidelijk: de enorme wisselingen van deze verschijnselen in tijd en plaats. Deze zullen waarschijnlijk nooit kunnen worden gemodelleerd, waardoor klimaatmodellen in principe onbruikbaar zijn om de toekomst te voorspellen.

Meer in het algemeen zien de klimaatsceptici logische inconsistenties tussen de door het IPCC expliciet erkende onzekerheden enerzijds en de zeer besliste uitspraken over het klimaat van de toekomst anderzijds. Deze uitspraken zijn niet te verenigen met de erkende onzekerheden. En als men de werking van het klimaatsysteem niet goed begrijpt, hoe weet men dan welke maatregelen men moeten nemen om het klimaatsysteem te beïnvloeden?

Gegeven het feit dat ook van IPCC-zijde wordt erkend dat de modellen voor verbetering vatbaar zijn, ontkennen de sceptici dat er sprake zou zijn van een grotere zekerheid ten aanzien van het verband tussen klimaatverandering en menselijk handelen. Zij vergelijken de klimaatmodellen soms met economische modellen. Economen waren ook lange tijd van mening dat een verdere ontwikkeling en verfijning van hun modellen tot betere voorspellingen zouden leiden. In de jaren zeventig kwamen zij echter tot het inzicht dat dit niet het geval was.

Voor zover er zich al een opwarmingseffect zou mogen voordoen is dat tot op zekere hoogte per saldo positief voor de mens (het IPCC noemt in dit verband een niveau van + 2 0C), onder meer vanwege de ontsluiting van nieuwe landbouwgronden, terwijl ook het bemestingseffect van CO2 goed is voor de plantengroei.

Wat betreft de stijging van de zeespiegel achten de klimaatsceptici de door de IPCC gepubliceerde bandbreedte (9 tot 88 cm in deze eeuw) onverantwoord alarmistisch, gegeven ook het feit dat recente metingen niet meer dan een stijging van 1,1 mm. per jaar laten zien. Bovendien vindt een dergelijke stijging reeds eeuwenlang plaats. Verder is er de laatste tijd geen acceleratie vastgesteld van de stijging van de zeespiegel, hetgeen volgens de antropogene broeikashypothese wèl zou hebben moeten plaatsvinden.

In vele klimaatsceptische analyses wordt ook gewezen op de vermeende vooroordelen van wat de sceptici de ‘gevestigde orde’ noemen: de klimaatwetenschappers wier opvattingen op subtiele dan wel minder subtiele wijze mede worden beïnvloed door hun afhankelijkheid van subsidiestromen van de overheid. Aangezien vele overheden in de westelijke wereld gecommitteerd zijn aan Kyoto, zou dit ook leiden tot een zekere vertekening van hun opvattingen in de richting van het door de overheid gewenste standpunt. Dit zou een bedreiging vormen voor de ‘onbevangenheid’ van de klimaatwetenschap.

Wat betreft de politieke aspecten zijn de klimaatsceptici van oordeel dat de informatie inzake de klimaatproblematiek van officiële zijde systematisch onvolledig, onevenwichtig en/of tendentieus is geweest, in die zin dat klimatologische bedreigingen zijn aangedikt, terwijl ten onrechte werd gesuggereerd dat de voorgestelde maatregelen, in het bijzonder Kyoto, daartegen enig effect zouden sorteren. Bovendien is gedurende lange tijd geen, dan wel onjuiste informatie verstrekt over de baten en kosten van Kyoto (en post‑Kyoto). Zij achten het uit het oogpunt van hun democratische verantwoordingsplicht en transparantie laakbaar dat de regeringen van de Europese landen nooit een helder overzicht daarvan hebben gegeven. Het cijfer van de netto afkoeling van Kyoto, zoals geamendeerd in Marrakech (0,02 0C in 2050), is tot dusver nooit in officiële stukken gepubliceerd. De kosten­cijfers zijn in het algemeen veel te laag geraamd. Wat Nederland betreft zijn pas zeer onlangs ‑ en op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer ‑ meer realistische cijfers door het CPB gepubliceerd.

Ten aanzien van de internationale context achten zij het, gelet op de positie van Rusland, hoogst onzeker dat Kyoto in werking zal treden. Mocht dit toch het geval zijn, dan achten zij een post-Kyoto, internationaal politiek gezien, waarschijnlijk onhaalbaar. Indien deze situatie zich inderdaad zou voordoen, zijn zij van oordeel dat een Alleingang van Europa onwenselijk is, gezien het feit dat een dergelijk beleid, inclusief het daarbij behorende systeem van verhandelbare emissierechten, ineffectief is en omdat de schadelijke gevolgen die dit zal hebben voor de economische ontwikkeling van Europa en haar wereldwijde concurrentiepositie zeer groot zullen zijn. Een en ander zal eveneens een negatieve invloed hebben op het investeringsklimaat in Europa, inclusief Nederland. Dit betekent dat Europa minder aantrekkelijk wordt voor buitenlandse bedrijven, terwijl Europese bedrijven, opnieuw inclusief Nederlandse bedrijven, daarin aanleiding zullen zien om (een deel van) hun produktiecapaciteit naar elders te verplaatsen met alle schadelijke welvaarts‑ en werkgelegenheidseffecten van dien.

De sceptici zijn van oordeel dat een systeem van verhandelbare emissierechten op zeer veel praktische en principiële bezwaren stuit. Deze worden schromelijk onderschat. Wat de principiële bezwaren betreft wijzen zij erop dat een dergelijk systeem een inbreuk impliceert op het systeem van vrije ondernemingsgewijze produktie en tot een nieuwe laag regelgeving zal leiden, die, bovenop de reeds bestaande regelgeving, een ernstige belemmering zal vormen voor de economische ontwikkeling. Indien zulks noodzakelijk is om klimatologische rampen af te wenden, is dat natuurlijk onvermijdelijk. Maar de sceptici zien geen aanleiding tot verontrusting in de huidige klimatologische ontwikkelingen.

Klimaatsceptici zijn overigens in het algemeen niet tegen een zuinig gebruik van energie. Zij zijn evenmin tegenstander van maatregelen die om andere redenen dan een vermindering van de antropogene uitstoot van broeikasgassen een positief effect op het milieu kunnen hebben.

In het licht van de grote onzekerheden van de onderliggende wetenschappelijke inzichten, en gelet op vele andere meer urgente maatschappelijke prioriteiten, achten de klimaatsceptici Kyoto onverantwoord, gegeven ook de zeer ongunstige kosten/baten‑verhouding van de  daarin overeengekomen maatregelen.

Gegeven het feit dat CO2 geen dominante rol speelt bij de beïnvloeding van de temperatuur is, impliceert dit dat zowel Kyoto als post‑Kyoto nutteloos zijn en slechts neerkomen op geldverspilling. (Dit gaat aanmerkelijk verder dat de stelling van Lomborg. Die houdt in dat Kyoto niet kosteneffectief is. Immers, Lomborg neemt in zijn boek, ‘The Skeptical Environmentalist’, de IPCC-hypothese als uitgangspunt. Vele andere sceptici zijn van oordeel dat Lomborg daar­in ongelijk heeft.)

Dit artikel verscheen eerder op de website van De Groene Rekenkamer.

[1].  Enkele namen van bekende klimaatsceptici: Jarl Ahlbeck, Sallie Baliunas, Sonja Boehmer-­Christiansen, Frits Böttcher, Ian Castles, Richard Courtney, (wijlen) John Daly, Peter Dietze, David Douglass, John Emsley, Bas van Geel, Vincent Gray, Timo Hämeranta, David Henderson, Sherwood Idso, Kees de Jager, Zbigniew Jaworowski, Mikhel Mathieson, Julian Morris, Kiril Kondratyev, Hans Labohm, Richard Lindzen, Stephen McIntyre, Ross McKitrick, Patrick Michaels, Bjørn Lomborg, Tim Patterson, Harry Priem, Arthur Rörsch, Fred Singer, Phillip Stott, Henrik Svensmark, Willie Soon, Henk Tennekes, Dick Thoenes en David Wojick. Publicaties van al deze auteurs zijn te vinden via www.google.com. 

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Hans H.J. Labohm, topic: Broeikaseffect
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. G. van Suylekom schreef op : 1

    Als productontwikkelaar heb ik met statistische modellen gewerkt met 5,10 tot soms 20 onafhankelijke variabelen (voor de leek, als de ene variabele (temperatuur bijv) verhoogd wordt dan mag de andere variabele (druk bijv.) niet veranderen.
    Het model moet dan een bepaalde output voorspellen, bijvoorbeeld de hardheid van een coating.
    Deze modellen zijn alleen betrouwbaar binnen het gebied waar wordt gemeten of kan worden gemeten. Extrapolatie is onbetrouwbaar.
    Een dergelijk model kan alleen op betrouwbaarheid worden gecontroleerd door een gerichte proef te doen (experiment).
    In het geval van de Aarde bijvoorbeeld het gecontroleerd loslaten van een immense nauwkeurig gemeten hoeveelheid CO2 en dan de verandering van de temperatuur (output variabele) of andere afhankelijke variabelen meten.
    Iedereen begrijpt dat dit onmogelijk is.
    Blijft over te kijken of het model tenminste het verleden kan voorspellen. Als dit niet lukt is het model niet betrouwbaar.
    Mijn ervaring met modellen met 10 onafhankelijk te controleren variabelen was dat dit al uiterst moeilijk was.
    Met klimaatmodellen en Aarde modellen neem ik aan dat er een paar honderd of duizenden (onafhankelijke?) variabelen zijn. Ik denk dat deze materie gewoon te complex is om in een model te vangen.
    Hoe moet je bijvoorbeeld planten/algengroei verdisconteren? En de invloed van planten op het klimaat?
    Voorspellingen zijn m.i. gewoon onmogelijk.
    Als een productontwikkelaar bij een bedrijf zo zou werken als de pro Kyoto wetenschappers, dan was dat bedrijf allang failliet.

    Het enige wat lijkt vast te staan is, dat er een zeer lichte opwarming van de aarde plaats vindt. De “lichtheid van opwarming” hangt overigens af welke meetreeks je gebruikt.
    Over de oorzaak van de opwarming valt niets te zeggen men kan alleen aannames doen die niet te bewijzen zijn.
    (Een correlatie van 5% is niet erg zwak, het is onzinnig, in een industrieel model wil men een correlatie van minsten 95% of meer.)

  2. Harry Stulemeijer schreef op : 2

    Geachte G. van Suylekom,
    Uit Uw praktische voorbeeld blijkt de (on)waarde van de Kyoto-mythe, die alleen door een politieke gedreven collectivistische wereldbeweging op louter irrationele gronden de mensheid misleid en in zijn greep houdt.
    Reeds op puur theoretisch-wetenschappelijke gronden moet men concluderen, dat de basis van het Kyoto-protocol elke logica ontbeert, hetgeen U met een feitelijk voorbeeld prachtig illustreert.
    Het Kyoto-project is een waanzinnige en peperdure hobby van een politieke en pseudo-wetenschappelijke elite.
    Daar helpen pseudo-wetenschappelijke methodes en technieken geen moedertje lief aan.

    De bij deze politieke hobby verkwiste middelen zouden een veel betere bestemming verdienen.