zondag, 5 november 2006
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Een realistisch klimaatbeleid?


Het is voor het eerst dat een officieel orgaan, en nog wel één van de belangrijkste adviesorganen van de regering, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), kritiek levert op het Nederlandse klimaatbeleid in een nieuw rapport, getiteld: ‘Klimaatstrategie – tussen ambitie en realisme.’ De Raad doet dat nochtans zonder de menselijke broeikashypothese – waarover in de wetenschappelijke wereld een heftige scholenstrijd woedt – ter discussie te stellen. Maar los daarvan, bevat het rapport, naast enkele missers, vele verstandige aanbevelingen en een schat aan waardevolle informatie. Nu maar hopen dat deze ook in het beleid tot uitdrukking komen.

Op 28 juni jl. presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in Nieuwspoort zijn nieuwste rapport: ‘Klimaatstrategie – tussen ambitie en realisme.’ Het eerste exemplaar werd aangeboden aan de staatssecretaris van VROM, Pieter van Geel.

Uitgangspunt van het rapport is de menselijke broeikashypothese. Deze houdt in dat de aarde opwarmt, voor een substantieel deel als gevolg van de uitstoot van door de mens veroorzaakte broeikasgassen, in het bijzonder CO2, die vrijkomen bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Dit zou tot een potentieel catastrofale temperatuurverhoging kunnen leiden.

In het WRR-rapport (blz. 31) wordt gesteld: ‘Volgens de huidige inzichten zal zonder kli¬maatbeleid het mondiale temperatuurgemiddelde tot 2100 met 1,4 0C tot 5,8 0C stijgen ten op-zichte van 1990.’ Strikt genomen is dit niet juist. In de bron van dit citaat, de ‘Summary for Policymakers’ van het IPCC 2001, staat het volgende: ‘The globally averaged surface temperature is projected to increase by 1.4 to 5.8 0C over the period 1990 to 2100.’ Uit deze zinsnede blijkt duidelijk dat hier om projecties gaat, en niet om voorspellingen of verwachtingen. Projecties zijn gebaseerd op een reeks min of meer plausibele veronderstellingen. Als die onjuist blijken te zijn, zullen daarmee ook de projecties afwijken van de werkelijkheid. Meer daarover later.

De WRR acht zich niet gekwalificeerd om een oordeel te vellen over de verschillende standpunten die in het wetenschappelijke debat op dit terrein naar voren worden gebracht tussen aanhangers van de antropogene broeikashypothese en de zogenoemde klimaatsceptici (waartoe ook ondergetekende behoort), die daar vraagtekens bij stellen. De Raad heeft zich aangesloten bij de ‘officiële’ opvattingen van organisaties zoals het KNMI en het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change: een internationaal netwerk van klimatologen en beoefenaren van aanverwante wetenschappen, dat onder auspiciën van de VN periodiek een inventarisatie maakt van de stand van de klimaatwetenschap). Dat de Raad dit standpunt heeft ingenomen is begrijpelijk. Niettemin is dat jammer, want hiermee negeert de WRR de honderden, zoniet duizenden rapporten en artikelen – vele in gezaghebbende wetenschappelijke tijdschriften – die kritisch staan tegenover de antropogene opwarmingshypothese. Daarmee heeft de Raad de indruk versterkt dat deze hypothese onomstreden is.

Wensdenken
Tijdens de presentatie van het rapport stelde de WRR-projectleider, de econoom Jacques Pelkmans, dat het wensdenken regeert op het terrein van het klimaatbeleid. Hij doelde daarbij on-der andere op het feit dat de landen met de meeste uitstoot van broeikasgassen, zoals de Verenigde Staten, China en India, niet van plan zijn zich bij Kyoto aan te sluiten. Daarmee is het effect van Kyoto beperkt, zo niet nihil.

Deze opmerking viel verkeerd bij staatssecretaris Van Geel. Deze wees erop dat de WRR als buitenstaander niet goed op de hoogte is van de stand van het interna¬tionale overleg. ‘De Raad miskent wat er internationaal is uitonderhandeld. Een niet onderbouwd advies’, aldus Van Geel. Volgens hem was Kyoto een eerste stap op een lange weg. Om de finish te halen moet de marathonloper toch eerst van start gaan. En juist als eerste stap kwalificeerde hij Kyoto als een succes. Kostenefficiënte instrumenten als emissiehandel, ‘Joint Implementation’ en het ‘Clean Development Mechanism’ die zonder Kyoto niet tot stand waren gebracht, hebben in veel gevallen tot milieusuccessen geleid, aldus Van Geel.

Toch is twijfel op zijn plaats. Hoe kan men toch in alle ernst beweren dat welk rapport dan ook van de WRR – met zijn decennialange traditie – niet onderbouwd zou zijn? Met kan het natuurlijk met de onderbouwing niet eens zijn. Maar te beweren dat onderbouwing ontbreekt, gaat toch te ver. Mijn persoonlijke indruk is dan ook dat het advies van de WRR in tal van opzichten beter onderbouwd is dan het huidige klimaatbeleid. Retorisch maakt dat laatste een solide indruk. Maar wat is er in werkelijkheid tot dusver van terecht gekomen? Hoe is het bijvoorbeeld gesteld met de naleving van de uitstootdoelstellingen van het (mini-)Kyoto waartoe de Europese landen zich hebben verplicht? Wat voor effect heeft dat op het klimaat? En wat is de kans dat Kyoto na 2012 een vervolg krijgt?

Mitigatie en adaptatie
Bij het klimaatbeleid wordt een onderscheid gemaakt tussen mitigatie en adaptatie. Onder mi-tigatie vallen maatregelen zoals Kyoto, die de uitstoot van broeikasgassen beogen te beperken. Adaptatie omvat maatregelen die aanpassing aan hogere temperaturen en de mogelijke gevolgen daarvan beogen, zoals het verhogen van dijken.

Voor Nederland zijn een natter klimaat en een hogere zeespiegel beleidsmatig het meest rele-vant. Daarom betekent aanpassing in de eerste plaats waterbeleid in relatie tot de overstromingsveiligheid. De WRR is van mening dat hieraan hoge prioriteit dient te worden toege-kend.

Hernieuwbare energie
Voor de vereiste emissiereductie ziet de raad uit het oogpunt van de kosten en energiezekerheid een belangrijke rol weggelegd voor steenkool. ‘Ook kernenergie moet wereldwijd kunnen’, aldus projectleider Pelkmans. De WRR ziet weinig in toepassing van duurzame energie. ‘Zonne energie is nu waanzinnig duur’, vindt Pelkmans. Ook windenergie is qua prijs nog een stap te ver, vanwege de noodzakelijke vervangende reservecapaciteit die nodig is voor windstille perioden. Dat is een pikante uitspraak, zeker op het moment dat er voorbereidingen worden getroffen voor de bouw van een tweede windmolenpark in zee. Deze opvatting ondersteunt overigens de positie van de VVD ten aanzien van windenergie, zoals deze reeds geruime tijd bij monde van Tweede Kamerlid Paul de Krom wordt uitgedragen. Ook ‘roependen in de woestijn’, zoals Pieter Lukkes en Hans Halkema, die sinds jaar en dag hebben gewezen op de nadelen van windenergie, zullen met genoegen kennis hebben genomen van het oordeel van de WRR.

Volgens de WRR biedt moderne hernieuwbare energie (zon, wind, waterkracht en moderne biomassa) tot 2030 veel te weinig potentie om een wereldwijd toereikende emissiereductie te verwezenlijken, nog afgezien van de relatieve kosten. Fossiele energie zal daarom zeker tot 2050 de wereldenergievoorziening domineren. Met name kolen zullen een heel belangrijke rol blijven spelen. Een dozijn koleneconomieën met samen ongeveer twee derde van de wereldbevolking zal de bestaande goedkope en goed gespreide kolenvoorraden zeker exploiteren. In een wereldwijde klimaatstrategie is het dus onvermijdelijk om de emissiereductie-inspanningen toe te spitsen op kolen en meer in het algemeen op schone fossiele energie.

Veelkleurige flexibiliteit
De WRR stelt vast dat de marginale kosten van emissiereductie zullen in de zich ontwikkelende landen nog decennialang laag zijn – lager dan in de ontwikkelde landen die al veel aan de verbetering van hun energieefficiëntie hebben gedaan – maar de reductie van CO2-emissies zal alleen tot stand komen indien de rijke OESO landen daarvoor geheel of gedeeltelijk de kosten dragen. De raad meent daarom dat Nederland zijn inspanningen voor emissiere-ductie met voorrang moet richten op het Clean Development Mechanism (CDM), zo nodig te verbinden met ontwikkelingswerk.

Het emissiehandelssysteem van het Kyoto protocol is een waardevol instrument voor de voorlopende landen, maar lijdt onder, wat de Raad noemt, de effectiviteitstegenstelling: het haalbare is niet effectief, het effectieve is niet haalbaar. De kleine kring van deelnemende landen kan geen effectief mondiaal beleid ontwikkelen zonder de landen die op afzienbare termijn niet aan Kyoto (willen) deelnemen. Veelvuldig liggen aan de weigerachtigheid van de niet deelnemende landen de vrees van geringere economische groei en het veiligstellen van de energiezekerheid ten grondslag. Daarom is naast de Kyoto benadering een ‘veelkleurige flexi-biliteit’ nodig van initiatieven die aansluiten bij de belangen van deze landen. Daardoor zal gemakkelijker een draagvlak worden gevonden voor het ontwikkelen van technologieën die een klimaatvriendelijke exploitatie van kolen mogelijk maken dan voor emissieplafonds die een rem zouden kunnen zetten op de economische groei van opkomende economieën. Aldus de WRR.

De vraag is echter of de rijke landen bereid zijn de hiervoor benodigde middelen in voldoende mate beschikbaar te stellen. Een andere vraag is of de ontwikkelingslanden hier nu ècht op zitten te wachten, gegeven het feit dat hun prioriteiten nu eenmaal verschillen van die van de rijke landen. De bestrijding van armoede komt voor hen op de eerste plaats.

Krokodillentranen
Volgens de WRR mag het klimaatbeleid niet heilig worden verklaard. Het dient tegenover andere prioriteiten te worden afgewogen. In dit verband is het relevant te wijzen op het feit dat in vele beleidsuitspraken krokodillentranen worden geplengd over de schadelijke effecten van een opwarming van de aarde voor de ontwikkelingslanden. Hierbij wordt gewoonlijk over het hoofd gezien dat deze met vele meer urgente problemen hebben te kampen. Voor hen is het ‘klimaatprobleem’ toch een ver-hun-bed-show. Het geld dat aan Kyoto wordt uitgegeven, kan veel nuttiger worden besteed om aldaar noden van hogere prioriteit te lenigen. Bjørn Lomborg, voormalig milieuactivist en auteur van het boek ‘The Skeptical Environmentalist’ (en dus nu hoog op de zwarte lijst van de milieubeweging), heeft in 2004 acht wereldvermaarde topeconomen, waaronder vier Nobelprijswinnaars, uitgenodigd om in Kopenhagen deel te nemen aan een bijeenkomst. Daar mochten zij zich uitspreken over de prioriteit die aan de oplossing van verschillende mondiale problemen zou dienen te worden toegekend, gegeven het feit dat men een dollar of euro nu eenmaal maar één keer kan uitgeven. Kosten/baten-analyse speelde hierbij een centrale rol. Daar kwam uit dat hoge prioriteit diende te worden gegeven aan zaken als betere gezondheidszorg, schoner drinkwater, meer scholen, betere voeding, de bestrijding van aids en malaria, alsmede de bevordering van vrijhandel. Volgens de gevolgde methodiek bleek het tegengaan van het broeikaseffect hekkensluiter te zijn. Tegenover elke dollar die daaraan zou worden besteed, stond een bate van 25 dollarcent. Per saldo dus een behoorlijk verlies. De aldus opgestelde lijst van prioriteiten is bekend geworden als de ‘Copenhagen Consensus’.

Voorzorgsbeginsel
Vaak wordt beweerd dat er maatregelen dienen te worden genomen tegen het (vermeende) antropogene broeikaseffect op grond van het voorzorgsbeginsel. De WRR is echter – m.i. terecht – van oordeel dat het voorzorgsbeginsel geen houvast biedt, omdat hoge kosten moeten worden afgewogen tegen deels nog onbekende risico’s. Het paradoxale feit doet zich dus voor dat een inschatting moet worden gemaakt van het onbekende. Het voorzorgsbeginsel kan daardoor geen antwoord geven op de vraag wat een verstandige mix is van emissiereductie en aanpassing.

Effectiviteit van Kyoto
Zoals de WRR opmerkt, hebben de deelnemende landen volgens het Kyoto-protocol op mondiaal niveau afgesproken in de periode tussen 2008 en 2012 hun emissies terug te brengen tot tenminste 5 % beneden het niveau van 1990. Maar het totnogtoe gevoerde beleid is niet effectief gebleken, noch in de EU, noch mondiaal, aldus de WRR.

Volgens staatssecretaris Van Geel wil de EU harde afrekenbare doelen en andere landen daar-bij betrekken. Als we dat niet doen brokkelt het draagvlak af, aldus Van Geel. Maar, zoals Elsschot reeds zei: ‘Tussen woord en daad staan wetten in de weg en vele praktische bezwaren.’ Wat is de werkelijkheid?

Zoals bekend, heeft Europa geen gelegenheid onbenut gelaten om de Verenigde Staten te verwijten een onverantwoordelijk klimaatbeleid te voeren door zich niet bij Kyoto aan te sluiten. Het is dan ook ironisch te moeten constateren dat broeikasgasemissies van de EU van 2003 – 2004 een grotere stijging vertoonden dan die van de VS. In plaats van te dalen, namen zij toe met 0,4%, aldus het European Environment Agency (EEA). Meer in het algemeen laten de cijfers een groeiende kloof zien tussen de uitstootdoelstellingen van Europa en de werkelijke emissies (zie grafiek).

Figuur 1: Uitstoot van broeikasgassen van de EU vergeleken met de Kyoto-doelstellingen.
Bron: EEA.

Hoewel de Amerikaanse economie in 2005 met 3,5% groeide – meer dan het dubbele van het groeicijfer van de EU – steeg de uitstoot daar met slechts 0,1%.

Maar zal Europa het in de toekomst dan misschien beter doen? Het ziet er niet naar uit. Voor de komende periode 2008 – 2012 heeft Duitsland aangekondigd dat het een verhoging van de uitstootdoelstelling zal voorstellen, waarbij nieuwe op kolen gestookte elektriciteitscentrales vrijstelling zullen krijgen van deelname aan het emissiehandelssysteem. Frankrijk heeft gezegd dat het huidige plafond met 4,2% wil verlagen. Maar dat is nog steeds 20 miljoen ton CO2 meer dan de werkelijke emissies in 2005.

Van de 30 geïndustrialiseerde landen die zich bij Kyoto hebben aangesloten, hebben er 17 hun plafond in 2004 overschreden. Japan heeft een verlaging van 6% ten opzichte van het basis-jaar 1990 toegezegd, maar in feite 7% meer uitgestoten.

World Climate Organisation
Volgens de WRR biedt de huidige UNFCC (United Nations Framework Convention on Climate Change) een geschikt kader om multilaterale coördinatie in te passen, maar om de coördinatie effectiever te maken zou een World Climate Organisation (WCO) moeten worden opgericht: een vaste organisatie met daaromheen vaste diplomatieke missies. Dit is volgens de WRR nodig om een zekere mate van probleemeigenaarschap te creëren, zodat beslissingen worden genomen en uitgevoerd, aldus de WRR. Ook dit standpunt kon geen genade vinden in de ogen van de staatssecretaris – m.i. overigens terecht. Immers dezelfde factoren die thans het bereiken van overeenstemming in de weg staan, zullen nog in versterkte mate gelden bij de oprichting van een dergelijke organisatie. Bovendien: wéér een nieuwe internationale organisatie erbij met alle daaraan verbonden kosten en twijfelachtige opbrengsten! Wie zit daar nu ècht op te wachten?

De gebroken hockey stick
Het WRR-rapport kwam te laat om nog aandacht te kunnen schenken aan de definitieve teraardebestelling van de zogenoemde hockey stick-grafiek. Deze grafiek nam een belangrijke plaats in in de laatste rapporten van het IPCC, en werd gepresenteerd als de icoon van het an-tropogene broeikaseffect.

De hockey stick-grafiek laat een geleidelijke temperatuurdaling zien van het jaar 1000 tot ongeveer 1900 (de stok van hockeystick) om daarna snel te stijgen (het blad van de hockeystick). De curve is zeer suggestief en alarmerend. Zij lijkt een waarschuwing in te houden dat de mens verantwoordelijk is voor de recente opwarming van de aarde, die zonder precedent is.

Maar de grafiek bleek gebreken te vertonen. In 2003, publiceerden twee Canadese klimaatsceptici, Steven McIntyre en Ross McKitrick (M&M), een forse kritiek op de grafiek in het wetenschappelijke blad, Energy & Environment. M&M gebruikten dezelfde data als Mann et al, maar kwamen op veel hogere temperaturen voor de Middeleeuwen uit, zelfs hoger dan de huidige temperaturen. Aanvankelijk werd hun artikel genegeerd door de gevestigde orde. Pas toen in februari 2005 een geactualiseerde en meer uitgewerkte versie werd gepubliceerd in Geophysical Research Letters, werden beide auteurs serieus genomen. Dit kwam ook omdat de bekende Duitse klimatoloog, Hans von Storch (geen klimaatscepticus), met een paar collega’s even daarvóór een kritisch artikel over de hockey stick had gepubliceerd in Science. Von Storch ging zelfs zo ver de hockey stick als Quatsch te bestempelen.

Bij hun onderzoek naar de juistheid van de hockey stick hebben M&M veel tegenwerking ondervonden van Mann et al. Door dit gedrag rees het vermoeden dat deze iets te verbergen hadden. Dit was aanleiding voor het Amerikaanse ‘House Committee on Energy and Commerce’ (met opsporingsbevoegdheid) om een onderzoek te beginnen, waarbij Mann et al werden uitgenodigd om alle noodzakelijke informatie ter beschikking te stellen. Deze reageerden geprikkeld. Zij vergeleken deze actie met een heksenjacht à la McCarthy. Ook de wetenschapscommissie van het “Huis” mengde zich in de zaak en na wat procedureel gehakketak werd het onderzoek uiteindelijk door twee gezaghebbende ad hoc commissies – onafhankelijk van elkaar – uitgevoerd.

De eerste was een speciaal panel van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen (NAS). Dit bracht in juni 2006 rapport uit, waarin de kritiek van M&M op de hockey stick in essentie werd onderschreven. Er dient eraan te worden herinnerd dat deze grafiek de basis vormt voor de veel gehoorde beweringen dat de temperatuurstijging in de 20ste eeuw waarschijnlijk de grootste was van die van welke eeuw dan ook gedurende de afgelopen duizend jaar. Voorts dat de jaren negentig het warmste decennium vormden van het millennium en dat 1998 het warmste jaar was van deze periode. Maar de wetenschappelijke basis van die beweringen ontbrak. Een van de panelleden van de NAS verklaarde zelfs dat het IPCC een “very misleading message” had verkondigd toen het de hockey stick als de icoon van het antropogene broeikaseffect had gekozen.

De statistische aspecten van de hockey stick-grafiek werden door een groep onder leiding van prominent expert, Edward Wegman van de George Mason Universiteit, onderzocht. Deze kwam tot overeenkomstige conclusies en oordeelde bovendien dat Mann et al gebruik hadden gemaakt van verkeerde statistische methoden. Wegman en zijn groep vonden ook dat Mann en zijn paleoklimatologische collega’s een nogal gesloten wereldje vormden die elkaar de bal toespeelden en niet gediend waren van pottekijkers van buiten hun discipline. Bovendien hadden zij weinig tot geen contact met statistici. Anders gezegd: hun kennis van de statistiek was beneden de maat. En Wegman et al concludeerden: ‘Especially when massive amounts of public monies and human lives are at stake, academic work should have a more intense level of scrutiny and review. It is especially the case that authors of policy related documents like the IPCC report, Climate Change 2001: The Scientific Basis, should not be the same people as those that constructed the academic papers.’ En dat laatste was wèl het geval geweest bij de opstelling van de gewraakte rapporten.

De hockey stick heeft een cruciale rol gespeeld bij het mobiliseren van politiek steun voor Kyoto. Het is een genante gedachte dat dit geldverslindende project, dat geen waarneembaar resultaat zal opleveren – daarover zijn voor- en tegenstanders het met elkaar eens – berust op misleiding. In het recht geldt misleiding als ontbindende voorwaarde voor overeenkomsten. Wellicht dat men ten aanzien van Kyoto deze optie serieus zou moeten overwegen, eens te meer daar de hockey stick – helaas – bij lange na niet het enige voorbeeld van misleiding is in het IPCC-proces.

Maar dat stond allemaal niet in het WRR-rapport. Daarin stond wèl (op blz. 37): ‘Het zogenoemde hockey stick-debat […] laat zien hoe de onzekerheid instrumenteel gebruikt wordt in het politieke debat.’ Dat is een wat wonderlijke opmerking, gegeven het feit dat het hier om een ernstig geval van wetenschappelijk wangedrag gaat met grote maatschappelijke consequenties.

Een blik op de thermometer
In de hitte van de klimaatdiscussie kan het geen kwaad af en toe ook eens op de thermometer te kijken. Ontwikkelt de gemiddelde wereldtemperatuur zich wel volgens de steil oplopende temperatuurprojecties waarmee het IPCC ons vrees aanjaagt? Of gaat het klimaat zijn soevereine gang?

De nauwkeurigste temperatuurmetingen zijn die met satellieten, waarmee in 1979 werd begonnen. Deze meten de temperatuur in de lagere troposfeer: van de oppervlakte van de aarde tot een hoogte van ongeveer 5 mijl. Deze vormen de basis voor onderstaande grafiek. De curve laat een temperatuurpiek zien in 1998. Deze wordt algemeen toegeschreven aan het El Niño-effect. Dat heeft niets met menselijke invloed te maken.

Toegegeven, het gaat om een relatief korte periode. Daar mogen dus geen overhaaste conclu-sies aan worden verbonden. Maar op basis van deze waarnemingsreeks van 25 jaar kan men nauwelijks spreken van een trendmatige klimaatverandering (door wat voor oorzaak dan ook). Ook de spreiding van de temperatuurmetingen rond het gemiddelde is daarvoor veel te groot. Er is hooguit een kans dat het zo is. Maar de stijging is zo gering dat men er bepaald niet van wakker hoeft te liggen. In ieder geval vormen deze waarnemingen geen bevestiging van de paniekscenario’s van het IPCC.

Figuur 2: Gemiddelde wereldtemperatuur. Afwijking van het gemiddelde van de periode 1978 – 1999.
Bron: Roy Spencer.

Zoals dat wel eerder is voorgekomen, bijvoorbeeld bij de onheilsprojecties van de Club van Rome, weigert de werkelijkheid zich te conformeren aan de alarmistische toekomstbeelden die door de mens zijn bedacht. Ook dát is een stukje realisme dat in het WRR-rapport meer aandacht had mogen krijgen.

Liberale invalshoek
Meer dan aanhangers van de meeste andere politieke stromingen zijn liberalen beducht voor een verlies van persoonlijk vrijheid. Het effect van Kyoto en vervolgafspraken (die overigens, zoals eerder werd aangegeven, hoogst onwaarschijnlijk zijn) op de maatschappelijke orde is niet of nauwelijks onderwerp van debat geweest. Ook in het WRR-rapport wordt dit aspect niet behandeld. Maar als de aanhangers van Kyoto hun zin krijgen, heeft dit ingrijpende consequenties, die gepaard gaan met een ongekende inperking van de vrijheid van ondernemen en de keuzevrijheid van de consument.

Als men de ‘kleine lettertjes’ van de officiële literatuur die rond Kyoto is verschenen leest, dient de eerste stap die thans is gezet door 10 – 30 verdere stappen te worden gevolgd, waarbij uiteindelijk alle landen van de wereld zich zullen dienen aan te sluiten. Elke stap zal tot verdere reductie van de emissies dienen te leiden. Tegelijkertijd zal ook elke extra stap hogere kosten met zich brengen, want het ‘laaghangende fruit’ zal natuurlijk het eerst worden geplukt. Om dit voor elkaar te krijgen, is een concentratie van bevoegdheden op internationaal niveau vereist die zonder precedent is in de menselijke geschiedenis. De centrale internationale autoriteit belast met de uitvoering van Kyoto en het vervolg daarop, zal hoe langer hoe meer greep op de productie en consumptie in de deelnemende landen dienen te krijgen. Om het geheel doen slagen zullen straffe sancties noodzakelijk zijn.

Niet alleen de bedrijven zullen in toenemende mate onder curatele worden gesteld, ook de burgers. Elke burger zal recht hebben op een individueel uitstootquotum voor broeikasgassen. Gebruikt hij/zij minder, dan kan het overschot worden verkocht. Indien men meer wil gebruiken, dient men dat bij anderen bij te kopen.

De lezer die op dit moment wordt overmand door het gevoel dat de fantasie van de auteur enigszins op hol is geslagen, moet ik er – helaas – op wijzen dat dit voorstel onlangs is gelanceerd in een voordracht van de Britse minister voor milieu, David Miliband. ‘Imagine a country,’ zei hij, ‘where carbon becomes a new currency. We carry bank cards that store both pounds and carbon points. When we buy electricity, gas and fuel, we use our carbon points, as well as pounds. To help reduce carbon emissions, the government would set limits on the amount of carbon that could be used.’

Dit ideetje werd geopperd door een vertegenwoordiger van de regering van het land dat George Orwell tot zijn grootste schrijvers rekent – tevens het land dat prat pleegt te gaan op zijn ‘common sense’.

Voetnoten:

1. Bij Joint Implementation gaat het om projecten tussen de zogenoemde Annex I- landen (de OESO-landen, Oost-Europa en de landen van de voormalige Sovjet-Unie) ter reductie van CO2-emissies en de opname van CO2 in ‘sinks’ (opname-putten van CO2, zoals bossen). De hieruit volgende emissiereductie-eenheden tellen (deels) mee voor de Kyotodoelstellingen van het investerende land.

2. Het Clean Development Mechanism is een variant op Joint Implementation en heeft betrekking op projecten in ontwikkelingslanden. Annex I-landen kunnen uit deze projecten voortvloeiende emissiekredieten meetellen voor de eigen doelstellingen.

—-
Hans Labohm is onafhankelijk econoom en publicist. Hij is ‘expert reviewer’ van het IPCC en lid van de kernredactie van Liberaal Reveil.

Gepubliceerd in Liberaal Reveil, oktober 2006.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Hans Labohm, topic: Broeikaseffect
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Mathijs Romans schreef op : 1

    Het is geen vervelende discussie, maar het lijkt erop dat we zo weer een stapje terug doen. Ik zal onvermoeibaar en geheel overbodig nog maar eens mijn stelling herhalen:

    Er is geen temperatuurreconstructie van het afgelopen decennium, geldend voor een halfrond of de gehele aarde, van wetenschappelijke oorsprong, die niet op een hockeystick lijkt.

    Ik dacht even dat je bij je voorgaande reactie eindelijk een duidelijke referentie gaf die mijn stelling zou falsifieren. Zoals ik echter aantoonde zijn de reconstructies in “The origin of the European “MedievalWarm Period” wel degelijk te zien als hockeystick.

    Je probeert me een beetje buitenspel te zetten met de opmerking “Mathijs is de kwaadste niet, maar moet enkel nog een open geest krijgen voor de argumentatie van anderen. Mijn punt wat hij express blijft missen is dat elke Hockeystick figuur in een handomdraai te veranderen is in eentje die dat niet is.” Ik schreef echter eerder al:
    “Ik heb ook even McIntyre’s publicatie van 2005 erbij gepakt. Hierin schrijft hij dat hij de hockeystick definieert als het temperatuurverschil van de serie 1400-1980 en 1902-1980. Dat scheelt nogal natuurlijk: het grootste gedeelte van de temperatuurstijging gebeurde na 1980, bijna een halve graad. Zoals ik al eerder zei: de hockeystick is een soundbite, en met wat gegoochel met schaling en definities kun je hem verwerpen en weer terugkrijgen.” Niet erg fraai om mij onterecht te beschuldigen van iets express missen, en dan mijn eerdere reactie zelf te negeren.

    Ik begrijp dat je niet de eerder aangedragen artikelen wilt verdedigen, maar nu met een pagina van junkscience (vreselijke website trouwens, maar dat terzijde), waar een hele verzameling grafieken staan die op het eerste gezicht niets met een hockeystick te maken lijken te hebben. Je refereert ook naar de inderdaad bekende reconstructie van Moberg (2005), toevallig de eerste grafiek van de junkscience-pagina.

    Je lijkt me goed genoeg thuis in de materie om in te zien dat er iets niet klopt hier, en ik weet niet zeker of je mij probeert te beledigen of je gewoon echt geen tegenvoorbeeld kan vinden.

    Inderdaad, de krul is er afgeknipt, de betreffende grafiek loopt tot ongeveer 1970!