maandag, 21 augustus 2006
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Andy Garcia’s misdaad

lostcity.jpgJohan BRANDERS vertaalde een artikel van Humberto FONTOVA over een nogal onconventionele film over de Cubaanse revolutie die bij ons op 6 september in de zalen komt. Dat films mensen wakker kunnen schudden – of minstens het debat aanwakkeren – bleek enkele maanden geleden al met “V for Vendetta”. Het gebeurt nu opnieuw, zij het in een totaal ander verband. Vrij actueel, nu Fidel Castro de laatste paar dagen opnieuw de voorpagina’s haalde. Beleven we straks het einde van een tijdperk ? Hier wordt een verhaal verteld over het begin.

Andy Garcia heeft het goed verkorven met zijn film The Lost City. Bij de mainstream media, welteverstaan. Zo goed als unaniem breken ze een film af waaraan 16 jaar is gewerkt. In dit innemend drama over een Cubaans middenklasse gezin dat uiteenvalt tijdens de laatste vrije dagen van Havana, volhardde Garcia in het weergeven van wat historische waarheid over Cuba – een groteske en onvergeeflijke blunder in deze industrie. Daarvoor betaalt hij nu de prijs.

Eerder hadden vele filmfestivals al geweigerd de film te tonen. Nu wordt hij geweigerd door vele Latijns-Amerikaanse landen. De ergernissen die de film wekt zijn veelvuldig en gevarieerd. De ergste van allemaal; Che Guevara wordt getoond terwijl hij mensen in koelen bloede vermoordt.

“Waar haalt Garcia het idiote idee dat Cuba voor de komst van Castro een relatief welvarende maar politiek onrustige plek was?” vragen de critici. Alle Cubanen die hij in beeld brengt lijken wel middenklassers. “Waar in zijn film is de vloedgolf van verkromde en verhongerde boeren die Fidel en Che Havana hebben binnengedragen?” vragen ze. “Waar zijn al die ziekelijke en ongeletterde arbeiders en boeren waar mijn leraars Dan Rather, CNN en Oliver Stone mij over verteld hebben?” vragen de critici.

De fantasieën en hallucinaties van de mainstream media over het pre-Castro tijdperk, over Che, Fidel en de Cubanen in het algemeen werden door Garcia grondig dooreengeschud. Bijgevolg laten de van hun stuk gebrachte critici recensie na recensie hun ergernis en verachting de vrije loop.

“In een film over de Cubaanse revolutie zien we haast niemand van de arme arbeiders voor wie de revolutie zogezegd gestreden is,” sneert Peter Reiner in The Christian Science Monitor. “In The Lost City ontbreekt historische complexiteit.”

Wat werkelijk ontbreekt is Dhr. Reiners historische kennis. Andy Garcia en scenario­schrijver Guillermo Cabrera Infante wisten heel goed dat “arme arbeiders” geen rol speelden in de fase van de Cubaanse Revolutie die getoond wordt in de film. De anti-Batista oproer was voor het overgrote deel het werk van de Cubaanse midden- en vooral, hogere klasse. In augustus 1957 riep Castro’s rebellenbeweging op tot een “Nationale Staking” tegen de dictatuur van Batista – en dreigde om werkwilligen dood te schieten. De “Nationale Staking” werd compleet genegeerd. Een nieuwe werd afgeroepen voor 5 april 1959. En opnieuw negeerden de Cubaanse arbeiders hun “bevrijders” en gingen massaal uit werken.

“Garcia’s verhaal beklaagt het verlies van gemakkelijke rijkdom voor een paar enkelingen,” kermt Michael Atkinson in The Village Voice. “Arme mensen zijn totaal afwezig; Garcia en Infante moeten gedacht hebben dat boerenrevoluties zonder aanwijsbare reden gebeuren – of tenminste zonder reden waarover de rijke 1 procent zich zorgen hoeft te maken.”

Wat “totaal afwezig” is is Dhr. Atkinson’s kennis over het Cuba van Garcia’s film. Zijn sneer over die “rijke 1 procent,” en vooral zijn “boerenrevolutie” belichamen de afgezaagde leugens over Cuba die nog steeds nagekakeld worden.

“De verpauperde massa van Cubanen die Castro als bevrijder omhelsden duiken alleen op in korrelige zwart-wit nieuwsfragmenten,” snuift Stephen Holden in The New York Times. “Politieke dialoog beperkt zich in de film tot het niveau van het lager middelbaar.”

“De film slaagt er niet in te focussen op de straatarme arbeiders wiens benarde toestand het vuur van de revolutie ontstak,” klaagt Rex Reed in the New York Observer.

Hier is een UNESCO rapport over Cuba omstreeks 1957 dat komaf maakt met de fantasieën over het pre-Castro tijdperk die nog steeds gekoesterd worden door Amerika’s meest gerenommeerde academici en meest erudiete filmcritici: “Een kenmerk van de Cubaanse sociale structuur is een omvangrijke middenklasse,” zo begint het. “Er zijn in Cuba meer gesyndiceerde werknemers (in verhouding met de totale bevolking) dan in de VS. Het gemiddelde loon voor een achturige werkdag in Cuba in 1957 is hoger dan in België, Denemarken, Frankrijk en Duitsland. De Cubaanse loonarbeid vertegenwoordigt 66,6 % van het bruto nationale inkomen. In de VS is dat cijfer 70 %, in Zwitserland 64 %. 44 % van de Cubanen zijn gedekt door sociale wetgeving, een hoger percentage dan in de VS.”

In 1958 had Cuba een hoger inkomen per hoofd dan Oostenrijk en Japan. Cubaanse industrie-arbeiders hadden de 8ste hoogste lonen ter wereld. In de 50’er jaren hadden Cubaanse havenarbeiders een hoger uurloon dan hun tegenhangers in New Orleans en San Francisco. Cuba had een achturige werkdag ingesteld in 1933 – vijf jaar voordat Roosevelts New Dealers hierin slaagden. Voeg daaraan toe: één maand betaald verlof. De veelvuldig (door links) bejubelde sociaal-democratieën van West-Europa konden dit pas 30 jaar later realiseren.

Cuba, een land met 71 % blanken in 1957, had de rassenscheiding al volledig afgeschaft 30 jaar voordat Rosa Parks in Birmingham van die bus gesleept werd. In 1958 had Cuba meer vrouwelijke afgestudeerden per hoofd dan de VS.

De anti-Batista opstand (niet revolutie) was voor het overgrote deel het werk van universiteitsstudenten en hoger opgeleiden. Hier is de samenstelling van het eerste kabinet van de “boerenrevolutie”, bestaande uit de leiders van de anti-Batista strijd: 7 advocaten, 2 universiteitsprofessoren, 3 universiteitsstudenten, 1 dokter, 1 ingenieur, 1 architect en 1 voormalige burgemeester en kolonel die deserteerde uit het Bastista leger. Een notoir “bourgeois” gezelschap om het met de woorden van Che te zeggen.

Tegen 1961 daarentegen, waren het de arbeiders en campesinos die de overgrote meerderheid vormden van de anti-Castro rebellen, vooral de geurrillas in het Escambray gebergte. En jongens, hoe zou DIE opstand het niet doen in een bloedstollende actiefilm. Als zo’n film door een of ander mirakel ooit gemaakt zou worden mag je er zeker van zijn dat de geleerde critici die ook zullen afbreken. Wie heeft er nu ooit gehoord van een plattelandsbevolking die vecht tegen haar “weldoeners” Fidel en Che?

New York Times recensent Stephen Holden hekelt ook Garcia’s implicatie dat “het leven rooskleurig was voordat Fidel Castro naar de stad kwam en alles naar de knoppen hielp.”

In werkelijkheid, mijnheer Holden, nam Cuba voordat Castro “naar de stad kwam” meer immigranten (hoofdzakelijk van Europa) op als percentage van de bevolking dan de VS. En er leefden meer Amerikanen in Cuba dan Cubanen in de VS. Verder werden binnenbanden gebruikt in vrachtwagenbanden, olievaten voor olie en piepschuim als isolatie. Het waren geen begeerde artikelen op de zwarte markt voor gebruik als drijvend hulpmiddel bij het ontvluchten van de glorierijke bevrijding onder het afweren van hamer- en tijgerhaaien.

De geleerde heer Holden ergert zich ook aan de “belachelijke karikaturen van norse communistische apparatsjiks die orders brullen.” Blijkbaar moeten apparatsjiks voorgesteld worden als enigszins misleide sociale werkers, of als lichtjes overijverige Howard Dean campagnemedewerkers.

Het is geen “karikatuur”, mijnheer Holden, dat de “apparatsjiks” die Garcia in zijn film laat zien een hoger percentage van hun landgenoten opsloten en executeerden in de eerste drie maanden nadat ze aan de macht kwamen dan Hitler en zijn apparatsjiks deden in hun eerste drie jaren.

Andy Garcia toont het precies zoals het was. In 1958 onderging Cuba een opstand, geen revolutie. Cubanen verwachtten politieke verandering, geen socio-economische catastrofe. Maar ik besef ten volle dat dergelijk onderscheid te “complex” is voor filmcritici. Zij houden meer van clichés en fantasieën over revolutie. Garcia had de lovenswaardige voorbeelden van “historische complexiteit” en “nauwkeurigheid” kunnen volgen zoals die getoond worden in eerdere films over Cuba. Neem bijvoorbeeld de twee die de critici prefereren boven The Lost City; Havana en Godfather II.

In Havana wordt Fulgencio Batista door de briljante regisseur Sydney Pollack gecast met blond haar en blauwe ogen. In werkelijkheid was Batista een zwarte. In Godfather II laat Francis Ford Coppola de straten van Havana op oudejaarsavond 1958 volstromen met mensen en hij toont ze in een gevechtsscene die regelrecht uit Braveheart had kunnen komen. In werkelijkheid was het die nacht muisstil in de straten van Havana.

Ik waag me niet in de verheven rol van filmcriticus. Ik geef dus geen commentaar op de dramatische en cinematografische kritiek van deze doorluchtige recensenten. Ik zeg niet, en suggereer zelfs niet, dat The Lost City een betere film is dan Godfather II. Ik bekritiseer alleen maar de critici voor hun kritiek op de historische nauwkeurigheid van The Lost City. In hun recensies zien we – in al hun glorie – de kolossale en blijkbaar ongeneeslijke onwetendheid van de mainstream media in alles wat met Cuba te maken heeft.

Vertaling: Johan Branders
Origineel artikel: Humberto Fontova’s “Andy Garcia’s Thought Crime”

Relevante websites : www.thelostcitythemovie.com
Première België: 6 september 2006
Première Nederland: 17 augustus 2006

Dit artikel verscheen eerder op Novacivitas.org.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Humberto Fontova, topic: Socialisme, Communisme, Stalinisme, Maoisme, Nationaal Socialisme
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.