woensdag, 8 december 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Het verbod op godslastering mag verdwijnen – Paul Cliteur


Paul Cliteur is een van de meest controversiële filosofen van het moment. Hij schreef boeken over de multiculturele samenleving in Moderne Papoea’s (2002) en Tegen de decadentie (2004) en dit jaar bundelde hij ook tien jaar columns en krantenartikelen in God houdt niet van vrijzinnigheid. Cliteur is hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap in Leiden en politiek commentator. Hij is lid van de VVD en houdt zich bezig met een keur aan onderwerpen, zowel dierenrechten en mensenrechten. In zijn boeken verdedigt Cliteur een soort verlichtingsstandpunt waarvan hij meent dat het de laatste tijd zo zeer op de achtergrond is geraakt dat het als het ware ‘conservatief’ zou moeten worden gerevitaliseerd. Dirk Verhofstadt sprak met hem na de moord op de Nederlandse cineast en columnist Theo van Gogh door een moslimextremist.

In je boek ‘Tegen de decadentie’ heb je het uitdrukkelijk over het verval van onze democratische rechtstaat. Zijn de moorden op Pim Fortuyn en Theo Van Gogh daar het bewijs van?

Paul Cliteur: Waar we nu mee geconfronteerd worden is niet zozeer een falen van de rechtstaat maar van de staat zelf. De staat zou het geweldsmonopolie moeten handhaven en als enige kunnen aanwijzen wat strafbare feiten zijn en die dan op een adequate manier bestraffen. Maar blijkbaar heeft de staat daar erg veel moeite mee en nemen sommige private personen en organisaties het recht in eigen handen. Het is op dit ogenblik één grote chaos in het Nederlandse bestuursapparaat. Politici en bestuurders verwijten elkaar verantwoordelijk te zijn voor de slechte beveiliging van opiniemakers, gevoelige informatie van de AIVD (de Nederlandse staatsveiligheid, nvdv) over terroristische groeperingen wordt gelekt, de Amsterdamse burgemeester, de korpschef en de officier van justitie maken ruzie over welk beveiligingsregime had moeten worden toegepast op Theo Van Gogh. Het is een puinhoop. Dat heeft natuurlijk te maken met de gebrekkige hiërarchische structuur in het Nederlandse staatsapparaat. Er bestaat veel collectieve verantwoordelijkheid maar er is geen duidelijk aanspreekpunt. De minister van binnenlandse zaken schuift het op het bord van de minister van justitie, die verwijst dan weer naar binnenlandse zaken die dan weer verwijst naar de lokale burgemeester als verantwoordelijke voor de veiligheid van de cineast en schrijver.

Had men meer kunnen doen om dergelijke drama’s te vermijden?

Paul Cliteur: Ja natuurlijk. Je vraagt je wel eens af hoeveel meer signalen nodig zijn om wakker te worden. Ik denk dat de Nederlandse bestuurlijke en politieke elite met de moord op Pim Fortuyn en de vele bedreigingen aan het adres van Ayaan Hirsi Ali tot het besef hadden moeten komen dat we te maken hebben met een nieuwe soort van terrorisme. Men had sneller maatregelen moeten ter bescherming van opiniemakers als Pim Fortuyn en Theo Van Gogh. Zeker bij die laatste had men veel eerder het gevaar moeten onderkennen dat men vandaag in ons land loopt met religiekritiek. Nu zeggen de burgemeester van Amsterdam en de hoofdofficier van justitie dat de AIVD hun informatie niet aan hen hadden doorgespeeld. Maar je hebt helemaal geen AIVD-informatie nodig om te beseffen dat het uiten van kritiek op de islam en heilige figuren als Mohammed en Allah een enorm veiligheidsrisico betekent. Wie dat niet ziet is blind of leeft op een andere planeet.

Immanuel Kant vatte de kern van de Verlichting samen in de uitspraak ‘Sapere aude’ of ‘Durf je van je eigen verstand te bedienen’. Het betekent dat je kritisch mag staan tegenover elke overtuiging. De moord op Van Gogh sterkt de indruk dat dit moeilijk ligt binnen de islam.

Paul Cliteur: Volgens de wet mag je natuurlijk kritiek hebben op elke religie. In Nederland staan de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst uitdrukkelijk vermeld in de grondwet. De vrijheid van godsdienst brengt echter met zich mee dat je bepaalde religieuze overtuigingen ook mag afwijzen. Statelijk is er dus geen probleem. Nu staat er in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht wel een artikel over ‘godslasterling’, maar dat artikel is in de loop van de jaren dode letter geworden. Dat is voor het laatst toegepast in het ‘Ezelsproces’ van Gérard Reve. Die had in een brief gefantaseerd over seks tussen hemzelf en een muisgrijze ezel die symbool stond voor God. Er is toen een vervolging ingezet maar dat heeft niet tot een veroordeling geleid. Dat is het laatste proces van godslastering dat we hadden. Kritiek op het christendom wordt dan ook algemeen aanvaard. De nieuwe situatie waar we nu mee te maken hebben is dat de staat het geweldsmonopolie niet kan handhaven en dat er private personen bestaan, waaronder Mohammed B. (de verdachte van de moord op Theo Van Gogh, nvdv) maar waarschijnlijk nog veel meer mensen, die bereid zijn om geweld te gebruiken in het geval van een godslasteringsdelict. Het verbaast me enorm dat niemand deze zaak onder deze invalshoek bekeken heeft want eigenlijk gaat het in essentie daarover. In allerlei heilige teksten is godslastering doorgaans verboden en wordt het met de dood bedreigd. Kijk naar Deutronomium 17:2-8 in de Bijbel bijvoorbeeld. Daarin staat duidelijk dat wanneer je de verkeerde goden aanbidt of als je de goede naam van God lastert, je tot de dood gestenigd moet worden. In het christendom zijn we zover geëvolueerd dat dit maatschappelijk niet meer wordt geaccepteerd maar in de islam is dat blijkbaar anders.

Was dat nu net niet het gevaar waar Theo Van Gogh voor waarschuwde?

Paul Cliteur: Theo Van Gogh was een ‘duivelse spotter’ op de islam en dat is hem noodlottig geworden. Het dramatische is dat net hij, die in de film Submission zo fel tekeer ging tegen de onderdrukking van de vrouw door de fundamentalistische islam, het zwijgen werd opgelegd. Theo Van Gogh zag een gevaar dat veel anderen niet zagen, iets wat door zijn liquidatie op een dramatische wijze werd bevestigd. Zijn dood is als het ware zijn laatste column, zijn laatste aanklacht en tegelijk de meest krachtige onderstreping van een gevaar waarvoor hij zelf waarschuwde. Hij is daarin duidelijk visionair geweest. Anderzijds was hij een wat naïeve man, een product van de jaren zestig, die wat eigenzinnige en grove uitlatingen deed, maar dacht dat we nog in de tijden van Willem Frederik Hermans en Gerard Reve leefden. Die dacht dat het maximale risico dat hij liep, was dat de officier van justitie een vervolging zou inzetten, met veel publiciteit van dien, wat dan weer goed zou zijn voor de verkoop van zijn boeken en dat hij onder groot gelach in de Amsterdamse grachtengordel als overwinnaar uit een mogelijk proces zou komen.

Theo Van Gogh leek het zelf wat te onderschatten. Blijkbaar beschouwde hij zichzelf wat als de ‘dorpsgek’ die geen gevaar liep in tegenstelling tot de ‘afvallige’ Ayaan Hirsi Ali.

Paul Cliteur: Precies, maar dat is nu dus ook de wereld uit. Het idee dat alleen afvalligen, mensen die de islam de rug hebben toegekeerd hebben, groot gevaar lopen, klopt niet meer. We zitten dus nu, na de moord op Van Gogh, met een volkomen nieuwe situatie die naar mijn oordeel nog veel meer impact heeft en zal hebben dan de moord op Pim Fortuyn. Met Fortuyn kon je nog de indruk hebben dat het misschien een incident was, gepleegd door iemand zonder een gestructureerde organisatie achter zich. Fortuyn was een politieke nieuwkomer die met zijn lijst pijlsnel uitgroeide tot waarschijnlijk de meest populaire in Nederland, misschien wel premier was geworden, een samenloop van unieke omstandigheden dus waardoor je zou kunnen denken dat dit in de komende decennia niet meer zou kunnen gebeuren. Het leek een nachtmerrie die zich niet meer zou herhalen. Maar we zien nu dat een gewone ‘dorpsgek’ zoals hij zichzelf noemde, die geen politieke bedreiging vormde, die geen beweging achter zich had, maar gewoon iemand die de grenzen opzocht van de vrije meningsuiting die binnen de Nederlandse rechtsorde zijn toegestaan, eenvoudigweg geliquideerd wordt.

Kan je de gevolgen van die moord nu al inschatten?

Paul Cliteur: Het was een religieuze moord, een moord in naam van God. Dat zal mijn inziens een enorme impact hebben op het vrije woord en het publieke debat. Want als je de ‘dorpsgek’ kunt liquideren omdat je iets kritisch schrijft over God en de islam dan kun je toch iedereen nemen? Inmiddels zijn ook moslimextremisten opgevat op verdenking van het plannen van een moordaanslag op de burgemeester Job Cohen en de wethouder Ahmed Aboutaleb (beiden uit Amsterdam). Hieruit blijkt dus dat niet alleen islamcritici in de vuurlinie liggen, maar ook mensen die zich zeer gematigd hebben uitgelaten. In feite is nu iedereen met een mening vogelvrij. Het grote voordeel van de rechtstaat is dat je van tevoren weet wat je te verwachten hebt. Een godsdienstcriticus kon vroeger het wetboek van Strafrecht openslaan, zien wat voor strafmaat er stond op bijvoorbeeld godslastering en het risico incalculeren van een uitspraak. Nu is er grote onzekerheid want je weet niet om welk delict het gaat en je weet niet meer wat je nog mag zeggen of niet. Mag je bijvoorbeeld nog een boek of een column schrijven over islam of over de profeet Mohammed? Uit de brief die achtergelaten werd op het lichaam van Theo Van Gogh blijkt alvast dat godsdienstkritiek volgens de dader een reden is voor moord. Dat zal een zodanig verlammend effect hebben op het publieke gebruik van de rede, dat we in feite in een situatie terecht zullen komen zoals die bestond voor de 18de eeuw.

In die periode mocht men ook niet vrij schrijven over godsdienst.

Paul Cliteur: Inderdaad. Ook Kant, Voltaire, Diderot, Montesquieu, Montaigne en anderen konden niet vrij schrijven over godsdienst. Op een of andere manier schreven ze allemaal onder een zekere religieuze censuur en moesten ze bijzonder goed opletten hoe ze hun gedachten formuleerden. Dat is allemaal geëvolueerd en in de voorbije decennia kenden we in Nederland een situatie dat er heel vrij kon worden gesproken over godsdienst en waarin het begrip ‘godslastering’ als een soort relikwie uit vervlogen tijden in zo een wetboek van Strafrecht staat met enkel nog een soort museale waarde. Maar die zorgeloosheid is nu helemaal voorbij.

Uit de brief op Theo Van Gogh blijkt dat men het vooral gemunt heeft op Ayaan Hirsi Ali. Is ze volgens u te ver gegaan in haar uitspraken over de islam?

Paul Cliteur: Ik zie niet goed in hoe men te ver zou kunnen gaan in het vrije woord waarbij niet wordt aangezet tot geweld. Er bestaan natuurlijk juridische en morele grenzen, maar die heeft Ayaan Hirsi Ali zeker niet overschreden. In de beleving van sommige mensen heeft ze dat blijkbaar wel gedaan. En dat is een vreselijke toestand. We denken nog steeds dat we leven in het gezellige Nederland van het ‘ezeltjespoces’, maar we zitten nu in een heel andere fase. We zitten in een fase waarin mensen dingen lezen, daarover in vuur en vlam geraken, via internet haatcampagnes starten en uiteindelijk het recht in eigen handen nemen. Beangstigend is ook dat we uiteindelijk niet weten wie echt de opdracht tot de moord heeft gegeven. De dader zelf? Of anderen? Sommige arabisten beweren dat dit soort moorden een voorafgaande veroordeling van geestelijken behoeft. De Nederlandse arabist Hans Jansen heeft dat bijvoorbeeld aangetoond bij de moord op de Egyptische president Sadat, waarbij men uiteindelijk de ‘moefti’ (een islamitische religieuze leider, nvdv) heeft kunnen aanduiden die de opdracht heeft gegeven. Dat gebeurt allemaal buiten ons gezichtsveld. Je weet niet waarvan je wordt aangeklaagd, je weet niet waarom je aangeklaagd en zelfs niet door wie. Dat zou moeten uitgespit moeten worden, maar ik vrees dat de Nederlandse politie daar nog helemaal niet aan toe is. Die denkt nog steeds in klassieke termen van een ‘klassieke’ moord met een dader die een persoonlijk motief heeft.

Enkele maanden terug heb je jezelf teruggetrokken uit het publieke debat omwille van de zware kritiek die je kreeg? Waarom heb je toen die stap juist gezet? Is zwijgen dan nog de enige optie?

Paul Cliteur: De discussie over de multiculturele samenleving en de islam riep in het publieke domein zulke heftige reacties op dat ik dat enigszins beangstigend vond. Op een gegeven ogenblik voelde me ik echt onprettig. Het leek wel een haatcampagne. In mijn geval kwam die kritiek trouwens niet vanuit de moslimwereld maar vanuit de politiek correcte autochtone gemeenschap. Medecolumnisten die heel nare vergelijkingen begonnen te maken met Hitler en zo. Als je in de beeldvorming wordt neergezet dan weten we dat er mensen als Volkert van der Graaf (de moordenaar van Pim Fortuyn, nvdv) rondlopen die in staat zijn om toe te slaan. Op een bepaald ogenblik stelde ik mezelf de vraag of het dit allemaal wel waard was. Of zwijgen dan nog de enige optie is? Ik heb natuurlijk niet over alles gezwegen, maar onderwerpen als de islam en de multiculturele samenleving mijd ik nu liever. Dat heb ik ook publiekelijk aangekondigd. Nu blijkt trouwens dat wel meer mensen met dat probleem worstelen. Ik denk aan Rob de Wijk, een politiek commentator van het Clingendael Instituut over internationale betrekkingen. Die besefte dat hij op een dag ook zou worden bedreigd en verkondigde dat hij voortaan niet alles meer zou zeggen op de televisie. En zo zijn en nog heel wat anderen. Eigenlijk passen ze allemaal een vorm van autocensuur toe uit vrees voor het ergste. Zeker na de dood van Theo Van Gogh komen mensen daar nu ook voor uit. Je hebt natuurlijk mensen die zeggen: ‘ik laat me het zwijgen niet opleggen’. Het probleem is alleen dat de mensen die dat zeggen doorgaans niet de mensen zijn die de meningen verkondigen waarvoor Theo Van Gogh nu net geliquideerd is. Eigenlijk zit het ganse debat over integratie, islam en de multiculturele samenleving nog steeds in de greep van cultuurrelativisten.

Kunnen we zeggen dat de westerse cultuur superieur is aan andere culturen?

Paul Cliteur: De stelling dat alle culturen per definitie aan elkaar gelijk zijn is een heel gekke stelling want dat zou betekenen dat we bijvoorbeeld de cultuur van de nazi’s gelijkwaardig moeten vinden met die van de moderne democratische rechtstaat. Of dan zou ik een cultuur die de mensenrechten vertrapt evenwaardig moeten vinden met culturen die dergelijke rechten wel respecteren. Als je zegt dat dergelijke culturen niet gelijkwaardig zijn dan zeg je eigenlijk dat de ene cultuur ‘beter’ is dan de andere. Persoonlijk voel ik alvast goed in de westerse cultuur. Natuurlijk zit daarin ook heel wat platheid, geweld op televisie en consumentisme. Maar daar tegenover staat dat het ook de cultuur is van de democratie, van de zelfontplooiing, van de emancipatie tegenover tradities en collectieve verbanden, kortom een cultuur van grote individuele vrijheid. Op basis daarvan zeg ik dat de westerse cultuur ‘beter’ is. Het Latijnse woord daarvoor is ‘superieur’. Nu weet ik wel dat dit woord zo belast is en associaties oproept met ‘Herrenvolk’ en andere negatieve zaken, maar het is wel zo. Er bestaan nu eenmaal culturen die meer vrijheidslievend zijn dan andere en die zijn superieur.

Sommigen redeneren als volgt: de waarden van de westerse cultuur zijn superieur, ik maak deel uit van die westerse cultuur, dus ben ik superieur.

Paul Cliteur: Neen, dat klopt natuurlijk niet. We hebben het over culturen, waarden en normen en niet over individuele mensen. Mensen zijn gelijkwaardig en juist daarom hebben ze allemaal recht op vrijheid, gelijkheid, broederschap en dergelijke. Maar culturen waarin deze waarden met de voeten worden getreden zijn niet gelijkwaardig met andere die deze waarden wel respecteren. Juist de stelling dat mensen gelijkwaardig zijn brengt met zich mee dat culturen dat niet kunnen zijn. Opvallend is ook dat heel wat cultuurrelativisten, ondanks hun stelling dat culturen gelijkwaardig zijn, zo fel de Amerikaanse cultuur afwijzen. Ze geraken verstrikt in hun eigen tegenspraken.

Je schrijft dat de oude Grieken voor hun tijd een superieure cultuur hadden. Zou dit te maken kunnen hebben met het feit dat ze zich niet baseerden op orakels of heilige teksten zoals later wel het geval was in het christendom en de islam?

Paul Cliteur: Ik denk het wel. Tot vandaag spreekt men nog over het raadsel of mirakel van de Griekse cultuur. Stel u voor, een cultuur uit de vijfde eeuw voor Christus met zoveel filosofie en literatuur, zowaar een seculier wonder. Die periode is alsnog ongeëvenaard. Dat niveau bestond niet bij de Egyptenaren, de joden, de Romeinen of de christenen. De Griekse cultuur kende geen religieuze orthodoxie. Dat brengt mij tot de stelling dat de filosofie als rationele activiteit zich alleen maar kan ontwikkelen wanneer er geen religieus gezag is. In culturen met schriftgezag komt de filosofie niet tot ontwikkeling of heeft de filosofie alleen de functie van dienstmaagd ten opzichte van de theologie zoals in de Middeleeuwen. Zo probeerde Thomas Van Aquino tot een synthese te komen tussen geloof en rede. In dit systeem bleef de filosofie wel ondergeschikt aan een aantal bovennatuurlijke waarheden die je niet ter discussie mocht stellen. Wie het spoor van de rede volgt zal echter geen genoegen nemen om zich te onderwerpen aan dogma’s. En blijkbaar hadden die Grieken geen last van dergelijke dogma’s.

Er lijkt wereldwijd een heuse religieuze heropleving te bestaan, niet alleen in de moslimwereld maar ook elders. Is religie noodzakelijk voor de moraal?

Paul Cliteur: Neen. Moraal en religie moeten ontkoppeld worden. De moraal moet op zichzelf staan. Het lijkt me een slechte reden om je als legitimatie voor je morele handelen te baseren op geschriften die iets voorschrijven. Zo moet je niet zeggen dat je niet steelt omdat dit in de Bijbel wordt afgekeurd, maar wel omdat een maatschappij niet kan voortbestaan zonder respect voor de eigendom van anderen. Als lid van een samenleving onderschrijf je de regels die in die samenleving zijn afgesproken en kan je niet voor jezelf een uitzondering maken. Vanuit kantiaans perspectief zou dit heel inconsistent zijn. Je moet dus niet handelen volgens de regels omdat het in de Bijbel, de Koran of de Thora staat, maar omdat het moreel zo hoort.

‘When in Rome, do as the Romans do’. Houdt dit niet in dat vreemdelingen zich in het westen volledig moeten assimileren?

Paul Cliteur: Volgens mij hoeft dat niet. Zo is het goed dat er ook critici bestaan van de cultuur van de autochtone gemeenschap. Kwestie van de autochtone bevolking te confronteren met bepaalde misstanden van die cultuur. Neem bijvoorbeeld dat ik in het kader van een uitwisselingsprogramma een tijd als hoogleraar zou worden aangesteld aan de universiteit van Salamanca in Spanje, dan lijkt het mij volkomen aanvaardbaar dat ik het probleem van de stierengevechten zou aanklagen als een barbaarse gewoonte uit een ver verleden. Dat moet kunnen. Men moet steeds openstaan voor kritiek van de eigen waarden en normen. Alleen is daar wel een grens aan. Een aantal fundamentele waarden zijn wel noodzakelijk om met elkaar te kunnen samenleven en daaraan moet men zich aanpassen. Niet alleen de nieuwkomers trouwens, maar iedereen. Ik moet mij evenzeer aanpassen aan het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van meningsuiting als alle anderen. Dat is een soort moreel esperanto of kosmopolitische universele moraal die we met zijn allen moeten onderschijven om deze samenleving leefbaar te houden.

Het doel van het integratiebeleid zou de productie van de ‘Civis Mundi’ moeten zijn, zo schrijf je. Hoe moet dat dan gebeuren?

Paul Cliteur: We moeten inderdaad komen tot het wereldburgerschap. Het integratiebeleid moet niet gericht zijn op het bijbrengen van specifiek Nederlandse of Belgische waarden en normen. Op heel wat van die zaken heb ik trouwens zelf nogal wat kritiek. Vaak houden nieuwkomers ons een spiegel voor, zoals Hafid Bouazza dat doet, en daar kunnen we heel wat van leren. Maar een belangrijke integratievereiste is dan wel het aanleren van de Nederlandse taal. Het gaat me daarbij niet om het Nederlands as such, maar je moet natuurlijk wel kunnen communiceren met de overgrote meerderheid van de bevolking waarmee je samenleeft. En die taalkennis moet je ook verplichten, dat lijkt me een minimale inspanning die nieuwkomers zich hier moeten getroosten.

Tal van neo-liberalen en libertariërs dat wetten en regels alleen maar de rechten van de burgers beperken. Klopt dat?

Paul Cliteur: Wetten en regels maken ook vrijheid mogelijk. Doordat mensen zich allemaal aan dezelfde wetten houden, of zouden moeten houden, weet iedereen wat hij te verwachten heeft, zowel van de overheid als van medeburgers. Als Nederlandse burger weet ik dat artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht diefstal bestraft. Die wet geeft mij te kennen wat ik niet mag doen en beschermt tegelijk mijn eigendom. Het feit dat die wet er is geeft mij dus een enorme vrijheid. Dat is veel beter dan de informele justitie die nu heerst en die mijn vrijheid van meningsuiting over godsdienstige aangelegenheden aantast. Ik weet niet meer wat mij te verwachten staat, niemand weet dat nog. Je bent niet beschermd, er bestaat een groot gevoel van onveiligheid, onzekerheid en onvrijheid.

In zowat alle westerse democratieën staat de vrijheid van godsdienst uitdrukkelijk vermeld in de grondwet. Is dit een kernwaarde voor het goed functioneren van onze democratie?

Paul Cliteur: Ik denk dat de vrijheid van godsdienst overbodig geworden is. Dat was een heel belangrijk grondrecht in de zestiende en zeventiende eeuw, omdat het een einde stelde aan de enorme godsdiensttwisten die maatschappij dreigden te ontwrichten en die als katalysator werkte voor allerlei andere vrijheden. Maar die gunstige ontwikkeling gaat nu niet meer op. De vrijheid van godsdienst is steeds meer ‘part of the problem’ geworden. Ik denk dat men de godsdienstvrijheid beter laat opgaan in de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de privacy. Een bepaalde godsdienstgenootschap kan zich beroepen op de vrijheid van vereniging en van meningsuiting. Wil je een geloof belijden in een kerk, een synagoge of een moskee, dan is dat je volste recht. Het naast elkaar bestaan van die vrijheid van godsdienst en die vrijheid van meningsuiting levert echter paradoxale effecten op. Het gevaar bestaat dat iemand vanuit zijn godsdienstige overtuiging scherp discriminerende en bedreigende opmerkingen zou maken over bijvoorbeeld vrouwen of homoseksuelen.

Maar waar liggen dan juist die grenzen van meningsuiting?

Paul Cliteur: Er zijn er twee. Je hebt de fatsoensgrenzen, dat is het terrein van de moraal, en je hebt de juridische grenzen. Juridisch kan je veel meer zeggen dan beleefd is om te doen. De reden daarvan is dat de staat ervan uitgaat de vrijheid van meningsuiting zo een belangrijk goed is voor de ontwikkeling van de democratie en voor de wetenschap natuurlijk. De staat wil de vrijheid van meningsuiting dus maximaal oprekken. Juridisch mag men die vrijheid van mening naar mijn smaak pas afbreken bij wat in de Amerikaanse jurisprudentie de Clear and Present Danger Test wordt genoemd, een term die al in 1859 ontwikkeld werd door John Stuart Mill in zijn boek On Liberty. Zo mag je niet voor het huis van een korenhandelaar gaan staan en zeggen dat alle korenhandelaren moeten worden opgeknoopt. En je mag ook niet ten onrechte in een overvolle schouwburg ‘brand’ roepen. Want dan creëert men een duidelijk en onmiddellijk gevaar dat anderen letsels zou kunnen toebrengen. De grens is dus niet alleen het daadwerkelijk schade toebrengen aan anderen maar ook medeplichtigheid, het bedreigen, het aanzetten daartoe of het haat zaaien. Juridisch worden dus wel heel wat zaken gedoogd die we misschien onfatsoenlijk vinden, zoals Theo Van Gogh soms deed, maar die geen bedreiging vormden tot fysiek geweld. Er zijn heel wat mensen die beweren dat uitlatingen zoals die van Theo Van Gogh zouden aanzetten tot moslimhaat en islamofobie, maar dat vind ik onterecht. Niemand is ooit gemolesteerd, laat staan geliquideerd omwille van een column van Theo Van Gogh. Pim Fortuyn stelde vroeger ook al dat een imam mag verklaren dat homo’s varkens zijn, zolang men maar niet oproept om alle homoseksuelen te kelen. Maar, zo zei Fortuyn, dan behoud ik me wel het recht voor om een godsdienst en haar bedienaars scherp te bekritiseren die dergelijke standpunten uiten.

Waar ben jij nu mee bezig?

Paul Cliteur: Ik ben bezig aan een tekst over die godslastering en over het nieuwe fenomeen van de informele sanctionering daarvan. Dat houd me sinds enkele weken sterk bezig. Ik blijf dus schrijven, maar wel voorzichtig. Daarvoor is het leven me te lief.

Dit artikel verscheen eerder op: liberales.gif

Liberales verstuurt wekelijks een gratis nieuwsbrief met interviews, essays en boekbesprekingen. Inschrijven kan op www.liberales.be.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Dirk Verhofstadt, topic: Interviews, Religieuze Onderdrukking
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. wz schreef op : 1

    Knap hoe Paul Cliteur zijn antwoorden kan formuleren. Genuanceerd maar de boodschap is wel duidelijk.

    Desalniettemin bespeur ik een vleugje van inhoudendheid, maar daar kan ik hem geen ongelijk in geven.