woensdag, 12 januari 2005
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Ontwikkelingsmythen: is er innovatie zonder intellectueel eigendomsrecht?


Het krachtigste optreden bij de uitreiking van de Grammy Awards afgelopen jaar was een toespraak van Michael Greene, op dat moment voorzitter van de National Academy of Recording Arts and Science. Nog maar kort na de aanslagen van 11 september, waarschuwde Greene ons voor een wereldwijd gevaar – “doordringend, ongecontroleerd en o zo crimineel” – en hij spoorde zijn publiek aan om “deze zaak van leven en dood te omarmen”.
Greene verwees niet naar het internationale terrorisme. “Het meest verraderlijke virus in ons midden,” sprak hij streng, “is het illegaal downloaden van muziek op het Internet”.

De preek van Greene kan dan een beetje overtrokken zijn, maar hij staat zeker niet alleen in zijn angst. Gedurende het laatste decennium, hebben de grote bazen van veel industrieën – muziek, film, uitgeverijen, software en farmacie – wat zij noemen de piraterij van hun winsten, beschimpt. Copyright en patentbescherming zijn doorbroken dankzij nieuwe technologieën die snel hun producten kopiëren en verspreiden onder de massa. En zo snel als een producent een nieuwe manier verzint om een DVD te coderen of een programma dat niet gekopieerd kan worden, een hacker in Seattle, Reykjavik of Manilla is nog sneller om de beveiliging te omzeilen.

De muziekindustrie heeft geprobeerd dit gevaar de kop in te drukken, meest in het oog springend door Napster aan te klagen, de immens populaire internetdienst die klanten koppelde aan het gewenste liedje en mensen daarbij in staat stelde muziek te downloaden zonder te betalen. Napster verloor de rechtszaak en werd opgeheven, terwijl andere diensten doorgaan.

Maar de strijd tegen Napster-achtige diensten brengt een bredere vraag aan het licht: hoe kan een economie het beste innovatie promoten? Zorgen patenten en copyrights hier voor? Zijn we te ver gegaan in het beschermen van intellectueel eigendom?

In een studie die brede aandacht heeft gekregen (en serieus onder vuur is komen te liggen) doordat het de huidige opvattingen aanvalt, antwoorden de economen Michele Boldrin en David K. Levine die laatste vraag met een daverend “Ja”. Copyrights, patenten en andere door de overheid verschafte rechten hebben alleen als doel een monopoliepositie te beschermen, met als gevolg inefficiënte hoge prijzen, lage hoeveelheden en een verstikkende invloed op toekomstige innovatie, schrijven zij in “Perfectly Competitive Innovation”, een rapport dat werd gepubliceerd door de Federal Reserve Bank van Minneapolis. Met andere woorden, zij beargumenteren dat de economische theorie stelt dat in het geval van perfecte concurrentie de markt prima in staat is innovatie te belonen (en daarmee te stimuleren), waardoor copyrights en patenten overbodig en verstorend zijn.

Er kwamen verschillende reacties op hun boodschap. Robert Solow, de econoom van MIT die in 1987 een Nobelprijs won voor zijn werk op het gebied van de groeitheorie, schreef Boldrin en Levine een brief waarin hij aangaf dat de studie een positieve verassing was en deed suggesties voor verdere verbetering. Danny Quah van de Londen School of Economics noemde hun analyse “een belangrijke en grondige ontwikkeling” die “erop uit is bijna een halve eeuw aan economisch denken om het gebied van intellectueel eigendom te herzien”. Maar de econoom Benjamin Klein vond hun werk “onrealistisch”, en Paul Romer, wiens baanbrekende werk op het gebied van groeitheorie onder vuur ligt door de kritieken van Boldrin en Levine, vond hun logica een dwaling en hun aannames ongeloofwaardig.
“We claimen niet echt niet iets nieuws uitgevonden te hebben,” zegt Boldrin. “We herkennen slechts iets waarvan wij denken dat er altijd is geweest sinds er innovatie was. Meer nog, patenten en copyrights zijn pas een recente vertekening”. Evengoed, zij gaan in tegen de huidige opvatting die intellectueel eigendomsrecht heeft gesanctioneerd zoniet omarmd, en hun gevecht is dus tegen de stroom in.

Wat is die huidige opvatting?

In de jaren 50 toonde Solow aan dat technologische verandering de drijvende kracht achter economische groei was, maar zijn model behandelde deze verandering als een variabele die niet door puur economische krachten werd beïnvloed. Tien jaar later analyseerden Kenneth Arrow, Karl Shell en William Nordhaus de relatie tussen markten en technologische verandering. Zij concludeerden dat een vrije markt zou kunnen falen in het bereiken van een optimaal innovatieniveau.

In een belangrijk artikel in 1962 gaf Arrow drie redenen waarom perfecte concurrentie zou kunnen falen om in het geval van uitvinding de hulpbronnen optimaal toe te wijzen. “Wij verwachten dat een vrijemarkteconomie te weinig investeert in uitvinden en onderzoek (vergeleken met een ideale situatie),” schreef hij, “omdat het risicovol is, omdat het product slechts tot op zekere hoogte lonend kan zijn, en vanwege toenemende schaalopbrengsten”.

Risico lijkt een duidelijk obstakel bij het investeren in technologische verandering. Zullen al de uren en het geld geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling resulteren in een winstgevend product? Staat de opbrengst in verhouding tot het risico? De onzekerheid van succes verlaagt de prikkel te proberen. Veel van Arrow’s artikelen onderzoeken economische methoden om met onzekerheid om te gaan, geen is compleet succesvol.

Het tweede probleem, dat economen een extern effect (niet toe te eigenen) noemen, is het verschil tussen sociaal en individueel nut – in dit geval, het verschil tussen het profijt dat de maatschappij zal hebben van de uitvinding en het profijt van de uitvinder. Zal ik proberen het wiel uit te vinden terwijl de gehele mensheid daar onmeetbaar van zal profiteren maar ik slechts € 1000 ontvang? Misschien niet. Eigendomsrechten, goed gedefinieerd, kunnen dit probleem ondervangen.

Het derde probleem is ondeelbaarheid. In dit geval is het dat de uitvinding zelf een grote initiële investering vraagt (van tijd of geld) voordat er ook maar één liedje, formule of boek bestaat. Daarna echter, kunnen voor een fractie van de kosten kopieën worden gemaakt. Deze ondeelbaarheid resulteert in dramatische schaalvoordelen: als een investering van € 1 miljoen in onderzoek en ontwikkeling resulteert in maar 1 product, het prototype, kan een investering van € 2 miljoen resulteren in het prototype plus duizenden of miljoenen duplicaten.

Dit is een groot probleem, maar perfecte concurrentie gaat niet goed samen met schaalvoordelen. In een vrije markt zonder drempels om toe te treden, is de prijs van een product gelijk aan de marginale kosten (de kosten van de laatste kopie) en die prijs is simpelweg niet voldoende om de investering terug te verdienen – de grote ondeelbaarheid die nodig is voor een prototype. Uitvinders zullen geen financiële prikkel hebben hun waren aan de man te brengen, en de maatschappij zal de voordelen onthouden worden.

Toenemende opbrengsten lijken daarom te vragen om een soort van monopolie, en eind jaren ‘70 ontwikkelden Joseph Stiglitz en Avinash Dixit een groeimodel met monopolistische concurrentie – oftewel, een beperkte concurrentie met schaalvoordelen. Het is een model waarbij veel bedrijven in een gegeven markt opereren maar geen een stelt strikt gesproken de prijs vast. (Met andere woorden, ieder bedrijf heeft de mogelijkheid zijn output te verminderen en prijzen te verhogen, net als een monopolist). Het is een groeimodel, zonder perfecte concurrentie. Het Dixit-Stiglitz model wordt veel gebruikt vandaag de dag, met als onderliggende aanname dat economische groei technologische verandering nodig heeft, wat toenemende opbrengsten impliceert en imperfecte concurrentie.

Paul Romer van Stanford formuleerde veel van zijn ideeën in de jaren ’80 en ’90, in wat hij noemde een theorie van endogene groei. Het idee was dat technologische verandering – innovatie – moet worden gemodelleerd als deel van de economie, niet los van de economie zoals Solow had gedaan. Dit impliceerde dat economische variabelen als rente en belasting, maar ook subsidies voor onderzoek en technisch onderwijs het niveau van innovatie konden beïnvloeden. (zie ook “Post Scarcity Prophet,” december 2001).

Romer verfijnde de ideeën van Arrow en anderen, ontwikkelde nieuwe voorwaarden, integreerde de economie van innovatie en bouwde het Dixit-Stiglitz model uit tot wat hij noemde de “nieuwe groei theorie”. Op hetzelfde moment wijdde Robert Lucas, Nobelprijswinnaar van de Universiteit van Chicago, uit over het belang van menselijk kapitaal in economische groei. En voor al dit groeitheorie werk integreerde Paul Krugman, Elhanan Helpman en anderen de theorie van schaalvoordelen met internationale handel, en noemden dit “nieuwe handelstheorie”. Al deze theorieën werden de ruggengraat van die economische modellen die onze industrie verklaarden.

Centraal in Romer’s theorie is het idee van non-rivaliteit, een eigenschap volgens hem inherent aan uitvinden, ontwerpen en andere vormen van intellectuele creatie. “Een puur non-rivaliserend product,” schreef hij, “heeft de eigenschap dat zijn gebruik door een bedrijf op persoon op geen enkele manier het gebruik door een ander beperkt”. Een formule bijvoorbeeld, kan op hetzelfde moment door 100 mensen gebruikt worden, in tegenstelling tot een sleutel.

Non-rivaliserende producten zijn van nature onderworpen aan schaalvoordelen volgens Romer. “Het ontwikkelen van nieuwe en betere instructies is gelijk aan het hebben van vaste kosten,” schreef hij. “Wanneer de kosten voor het maken van een nieuwe set van instructies heeft plaatsgevonden, kunnen de instructies steeds opnieuw worden gebruikt zonder additionele kosten”. Maar als dit waar is, dan “volgt hieruit direct dat een equilibrium [=marktevenwicht] met price taking niet kan worden ondersteund”. Met andere woorden, economische groei – en de innovatie die het nodig heeft – is niet mogelijk onder perfecte concurrentie; ze heeft een zekere mate van monopolie macht nodig.

De ondermijning van de heersende opvatting

Economen prijzen economische groei maar wantrouwen monopolies, dus het accepteren van de laatste om de eerste te verkrijgen is op zijn best een Faustiaanse ruil. Met “Perfectly Competitive Innovation” verwerpen zij krachtdadig dit contract.

Innovatie, zo zeggen zij, heeft in het verleden plaatsgevonden zonder een substantiële bescherming van intellectueel eigendom. “Kijken we naar de geschiedenis, dan hebben mensen uitvindingen gedaan, boeken geschreven en muziek gecomponeerd in een tijd dat copyrights niet bestonden,” zegt Boldrin. “Mozart schreef vele prachtige stukken zonder dat deze beschermd werden”. (de uitgevers van muziek en boeken daarentegen, hadden in sommige gevallen wel copyrights op de materialen die zij kochten van de makers.)

Ook zijn er voldoende hedendaagse voorbeelden te vinden. De modewereld – erg competitief, met ontwerpen die nauwelijks beschermd zijn – is erg innovatief en winstgevend. Een Gucci is een Gucci; de imitatie is slechts namaak en minder waard dan het origineel, dus Gucci – of je er nou van houdt of niet – heeft nog steeds een prikkel om nieuwe dingen te creëren. De financiële sector verdient miljoenen door het ontwikkelen en verkopen van ingewikkelde derivaten zonder het voordeel van de bescherming van intellectueel eigendom. Concurrenten zijn vrij om deze producten te kopiëren, maar dat kost tijd. Het voordeel dat een bedrijf heeft om als eerste met een product te komen zorgt voor voldoende winst om de uitvinding te rechtvaardigen.

Met betrekking tot software verwijst Boldrin naar een MIT onderzoek door Eric Maskin en James Bessen. Zij schrijven dat “sommige van de meest innovatieve industrieën van deze tijd – software, computers en halfgeleider –historisch gezien een zwakke patentbescherming hebben en waren onderworpen aan zeer snelle imitatie van hun producten”.

Bovendien zorgden beslissingen van Amerikaanse rechtbanken in de jaren ’80 om patenten op software beter te beschermen, voor minder innovatie. Zij schrijven “in plaats van een stortvloed aan nieuwe innovatieve activiteiten, zorgden de strengere eigendomsrechten voor een periode van stagnatie, zoniet afname, van de hoeveelheid R&D in de bedrijven die het meeste patenteerden”. Industrieën, zo zeggen zij, die afhankelijk zijn van een stapsgewijze productontwikkeling – de eerste versie wordt gevold door een tweede, verbeterde versie etc.- zullen waarschijnlijk verstikken door een strikter regime van intellectueel eigendomsrecht.

“Dus voorbeelden in overvloed,” zegt Boldrin. “Empirie toont dat innovatieve mensen genoeg prikkels hebben om innovatief bezig te zijn”. Maar zowel hij als Levine zijn niet van nature empiristen. Ze bouwen wiskundige modellen om de economische theorie te beschrijven. In het geval van intellectueel eigendom zegt de huidige theorie dat innovatie niet zal plaatsvinden tenzij de innovators monopolierechten ontvangen, alleen wijst de praktijk anders uit. “Dus wat wij doen is de theoretische fundering leggen om het bewijs te verklaren,” zegt Boldrin.

Rivaliteit versus non-rivaliteit

Een fundamenteel grondbeginsel van de huidige opvattingen is dat de huidige op kennis gebaseerde innovatie onderhevig is aan schaalvoordelen omdat ideeën non-rivaliserend zijn. Boldrin en Levine beargumenteren dat dit principe niet relevant is in een economie. Hoewel ideeën in theorie gedeeld kunnen worden zonder rivaliteit, is de economische toepassing van ideeën inherent rivaliserend, omdat ideeën pas economische waarde hebben wanneer zij in iets of iemand belichaamd zijn. In de economische werkelijkheid is niet een abstract concept of formule – hoe mooi ook – relevant, maar de fysieke belichaming. Integraalrekening is economisch waardevol als ingenieurs en economen er weet van hebben en het toepassen. “Alleen ideeën belichaamd in mensen, machines of goederen bezitten economische waarde,” schrijven zij. En juist vanwege deze belichaming “zijn waardevolle ideeën… zo rivaliserend als goederen die geen enkel idee bezitten, als zulke al bestaan”.
Een verhaal is waardevol in zoverre het is opgeschreven. Een lied kan alleen verkocht worden als het is gezongen, gespeeld of gedrukt door de muzikant. Een software programma – wanneer het eenmaal geschreven is – kan op het eerste gezicht kosteloos lijken, schrijven Boldrin en Levine, maar “het prototype komt niet uit de lucht vallen. Om door anderen gebruikt te kunnen worden dient het gekopieerd te worden, wat verschillende middelen vergt, waaronder tijd. Om gebruikt te kunnen worden dient het ergens in het computergeheugen te worden opgeslagen…Wanneer jij die specifieke kopie gebruik, kunnen andere mensen niet op dat moment hetzelfde doen”.

In elk geval is de ontwikkeling van het prototype veel kostbaarder dan de productie van de daaropvolgende kopieën. Maar omdat kopiëren tijd kost – een schaarse factor – en materialen (papier, inkt, opslagruimte) is het niet volledig kosteloos. “Neem het voorbeeld van het wiel,” zo schrijven zij. “Toen het eerste wiel geproduceerd was, kon imitatie plaatsvinden tegen een kostprijs die vele malen lager lag. Echter, zelfs imitatie kan geen gratis goederen genereren: om een nieuw wiel te maken moet men wat tijd spenderen om naar de eerste versie te kijken en te leren hoe het is gemaakt”.

Het eerste wiel is natuurlijk veel waardevoller dan alle anderen, maar “dat impliceert niet dat het wiel, ofwel de eerste danwel de laatste, een non-rivaliserend goed is. Het betekent slechts dat, voor sommige goederen, de kosten voor reproduceren erg klein zijn”.

Economen hebben in het algemeen aangenomen dat het dramatische verschil tussen ontwikkelings- en reproductiekosten kunnen worden gezien als een op zichzelf staand proces met schaalvoordelen: een enorme vaste kosten component (de investering) gevolgd door kosteloos dupliceren. Boldrin en Levine stellen dat dit niet de realiteit is: er zijn twee belangrijke processen met zeer verschillende technologieën. Ontwikkeling is één productieproces dat lange uren vergt, liters koffie, bezwete slimmerds en een slecht humeur. Aan het eind van het initiële proces bestaat er (met enig geluk) een prototype en zijn de geïnvesteerde inspanning en geld “sunk costs”, een uitgave uit het verleden.

Vervolgens echter, regeert er een heel ander productie proces: imitators bestuderen het origineel, verzamelen platte stenen, halen de hoeken eraf, boren gaten in het midden en gebruiken takken als as. Stenen wielen rollen van de prehistorische lopende band. In het tweede proces is de economie van de productie hetzelfde als voor ieder ander goed, in de regel met constante meeropbrengsten.

Wanneer Boldrin en Levine hun wiskundige model ontwikkelen, veronderstellen zij slechts dat “in de realiteit kopiëren tijd kost en er een limiet (minder dan oneindig) is aan het aantal kopieën dat per tijdseenheid geproduceerd kan worden”. Deze tweeledige aanname introduceert een fijn element van rivaliteit. Nadat het ontwikkeld is, kan het prototype worden gebruikt danwel aangewend worden voor reproductie in dezelfde tijdseenheid. (Technisch gesproken kan het voor beide gebruikt worden, maar niet zo makkelijk als voor een van de twee.)

Terwijl anderen, inclusief Romer, simpelweg hebben aangenomen dat het prototype van een intellectueel product non-rivaliserend is, tonen Boldrin en Levin aan dat de kosten voor reproductie het huidige model ondermijnen. Productie is niet onderhevig aan schaalvoordelen en concurrerende markten kunnen werken. “Zelfs een minimale hoeveelheid rivaliteit,” stellen zij “kunnen resultaten volledig op hun kop zetten”.

Britney krijgt het lid op de neus

Desalniettemin blijft de centrale vraag of innovators genoeg prikkels hebben om door het slopende en dure proces van het uitvinden te gaan. Sinds de 15e eeuw, toen de eerste patentrechten verschenen in Venetië, hebben overheden getracht om prikkels te verschaffen door uitvinders het privilege van gebruik van het product te geven voor bepaalde tijd. De Amerikaanse grondwet geeft het congres de macht om “to promote the Progress of Science and useful Arts, by securing for limited Times to Authors and Inventors the exclusive Right to their respective Writings and Discoveries.”

Economen hebben sinds lang erkend dat zulke exclusieve rechten uitvinders een monopolie verschaffen, waarbij zij prijzen en hoeveelheden bepalen die wellicht niet maatschappelijk optimaal zijn. Maar de huidige wijsheid zegt dat deze kosten een noodzakelijke afweging zijn om creatieve genieën voort te brengen. De huidige wetgeving en economische opvattingen spreken hier van een niet te weerleggen feit: als uitvinders kunnen worden “bestolen” – gekopieerd direct na uitvinding – waarom dan nog de moeite doen?

In hun argumentatie voor concurrerende innovatie in tegenstelling tot een monopolistische variëteit, benadrukken Boldrin en Levine niet dat uitvinders geen rechten hebben. Eerder is sprake van het tegenovergestelde, namelijk dat uitvinders een “goed gedefinieerd recht op de eerste verkoop” dienen te hebben. (Technisch gesproken, “wij gaan uit van volledig profijt van privaat ontwikkelde goederen”). En uitvinders moeten de volledige marktwaarde betaald krijgen voor hun uitvinding, de eerste unit van het nieuwe product. Die waarde is “de netto contante waarde van alle toekomstige stromen van consumptie diensten” die gegenereerd worden door die eerste versie, wat economentaal is voor de “huidige waarde bestaat uit alles wat het in de toekomst zal verdienen”. (Om precies te zijn: NCW = verdisconteerde waarde van toekomstige opbrengsten)

Dus, als Britney Spears een nieuw liedje opneemt, zou zij in staat moeten zijn om de eerste opname te verkopen voor het totale bedrag dat een distributeur verwacht dat haar fans zullen betalen voor een kopie van haar muziek in zeg, de komende eeuw. Distributeurs weten dat er vraag is naar haar liedjes, en zij weet dat zij een hoge prijs kan vragen. Zoals in elke markt onderhandelen koper en verkoper over een overeenkomst. Dezelfde regels gelden voor iemand die een boek schrijft, een programmeur die een code schrijft of een fysicus die een nieuwe bruikbare formule ontdekt. Zij kunnen hun uitvinding verkopen in een concurrerende markt. Zij worden een bedrag betaald dat de markt kan missen, en als de markt de kopieën van hun liedje, boek, software of formule als waardevol beschouwd zal het eerste prototype kostbaar zijn en zullen zij goed betaald worden.

Feitelijk, zegt Boldrin, “in een concurrerende markt zullen de eerste kopieën erg kostbaar zijn omdat het de instrumenten zijn waarmee de imitators – de andere mensen die je producten zullen aanbieden – gebruiken om kopieën te maken. Ze zijn meer kapitaalgoed dan consumptiegoed. Dus, de eerste versies zullen voor een hoge prijs verkocht worden maar vervolgens zal de prijs snel omlaag gaan”.

Wat uitvinders niet zullen hebben, in Boldrin en Levine’ wereld, is het recht om gedwongen licentieovereenkomsten te sluiten om te voorkomen dat klanten het product na-apen, het veranderen of als opstapje gebruiken voor de volgende innovatie. Zij kunnen hun klanten er niet van weerhouden tegen hen te strijden.

Maar, zal de markt de uitvinder voldoende belonen? Dit hangt af van de “opportunity costs” van de innovator. Als de prijs voor de eerste verkoop van de uitvinding de opportunity kosten van de uitvinder overstijgt, dan zal hij inderdaad uitvinden. Als een schrijver een jaar kwijt is voor het schrijven van een boek, maar hij had € 30.000 kunnen verdienen door iets anders te doen, zijn de opportunity kosten € 30.000. Alleen als hij kan inschatten dat het boek tenminste dat bedrag zal opleveren zal hij zeer waarschijnlijk achter zijn bureau plaatsnemen en gaan schrijven.

“Wat wij laten zien in de technische onderbouwing is dat het bedrag dat een uitgever mij geeft positief is en het zelfs groot kan zijn,” zegt Boldrin. “Dan is het aan mij om uit te vogelen of hetgeen de maatschappij mij geeft voldoende is om mijn werk van een jaar te compenseren.”

Wat gebeurt er daarentegen als de technologie voor reproductie verbetert: als drukpersen sneller worden, of het internet dat tieners in staat stelt muziek sneller te delen? Zal dat schrijvers en muzikanten niet de armoede in drijven?

Boldrin en Levine laten zien dat het tegenovergestelde zal gebeuren. Toenemende reproductie zal de marginale productiekosten doen dalen en als gevolg, daalt de prijs ook. Als de vraag naar een product elastisch is – dus, als de vraag disproportioneel stijgt als prijzen dalen – dan zal de totale opbrengst toenemen.

Omdat uitvinders met rechten op de eerste verkoop de contante waarde van toekomstige opbrengsten ontvangen, zal hun beloning stijgen. “Wat we eigenlijk willen zeggen is dat de uitvinding van bijvoorbeeld Napster of elektronische publicatie in feite meer kansen creëert voor schrijvers, muzikanten en mensen in het algemeen om intellectuele waarde te creëren, hun producten te verkopen en er geld mee te verdienen,” zegt Boldrin. “De kosten die ik maak om een boek te schrijven of een liedje zijn niet veranderd, dus we kunnen stellen dat er juist een grotere prikkel is, niet een kleinere”.

De huidige opvatting geeft aan dat monopolierechten korte-termijn kosten opleveren voor een economie. Zij geven een onredelijk groot stuk van de economische taart aan hen die copyrights en patenten bezitten; zij alloceren factoren slecht door innovators toe te staan te hoge prijzen te vragen; ze staan innovators toe minder te produceren dan het maatschappelijk optimale niveau. Maar deze kosten worden allemaal als redelijk beschouwd want innovatie creëert economische groei: de statische kosten worden bedekt door een dynamisch element.

Boldrin en Levine geven aan dat dit een fout dilemma is. Monopolierechten zijn niet alleen onnodig voor innovatie maar kunnen het zelfs verstoren, in het bijzonder wanneer een innovatie de kosten voor een uitbreidende productie verlaagt. “Monopolisten houden er niet van veel output te produceren,” schrijven zij. “Voor zover het nut van een innovatie is dat het de kosten voor het produceren van additionele eenheden van output verlaagt maar niet de kosten van produceren op het huidige niveau, is het niet erg noodzakelijk voor een monopolist.” Monopolisten kunnen prijzen en hoeveelheden immers aanpassen om hun winst te maximaliseren; ze hebben wellicht geen enkele prikkel om snellere technologie voor reproductie te vinden.

Algemener, producenten zijn eerder geneigd te vervallen in wat economen noemen “rent-seeking behavior” – pogingen om hun territorium (en winst) te beschermen en uit te breiden door te strijden voor door de overheid geschonken monopolierechten – en juist dat gedrag zal innovatie smoren. Dure patenten races, defensieve tactieken (waarin bedrijven muren van patenten creëren om tegenstanders ervan te weerhouden met een product te komen dat zelfs in een klein detail overeenkomsten bezit), en kostbare rechtszaken om patentschendingen zijn normale werkzaamheden van afdelingen juridische zaken van bedrijven. Dit soort activiteiten doet creatieve pogingen verstikken van anderen, typisch de kleine en middelgrote bedrijven die in het algemeen innovatiever zijn.

De criticasters

Zoals bij elke radicale verandering, kennen ook de argumenten van Boldrin en Levine hun kritieken. “We hebben het op een paar belangrijke plaatsen gepresenteerd, en ik moet toegeven dat er iedere keer een opstand was”, zegt Boldrin. “Er was een opstand in Stanford afgelopen donderdag. Er was een enorme opstand in Chicago twee weken geleden.”

Een opstand van economen behoeft nou niet direct een ordedienst, maar hun publicatie zorgt wel voor krachtige reacties. Klein van UCLA zegt dat de publicatie “een onrealistisch model is dat weinig van doen heeft met de echte wereld”. Klein schrijft dat hun model slechts werkt onder de arbitraire aanname dat de vraag naar kopieën elastisch is, zo dat als de prijs over tijd daalt de output meer dan proportioneel stijgt en de winst toeneemt. In het geval van Napster en de muziekindustrie “conflicteert dit duidelijk met het prijsbeleid van de platenmaatschappijen. Dus, als Boldrin en Levine gelijk hebben, waarom zetten zij de prijs van een CD dan niet zo laag mogelijk?”

Romer heeft meerdere tegenwerpingen. Als klasgenoot van Levine en voormalig docent van Boldrin heeft hij geen zin om te ruziën met zijn gerespecteerde collegae. Hij geeft zelfs toe dat eigendomsrechten voor intellectuele goederen soms te sterk zijn; in sommige gevallen zou de maatschappij baat hebben bij minder beperkingen. Het delen van muziek bijvoorbeeld zou het sociaal welbevinden kunnen verhogen zelfs als het de muziekindustrie schade berokkent. Hij geeft ook aan dat alternatieve mechanismen om innovatie voor te brengen – overheidssteun voor technologisch onderwijs bijvoorbeeld – wel eens superieur zouden kunnen zijn aan copyrights en patents. Desalniettemin heeft Romer serieuze problemen met de nieuwe theorie.

In de eerste plaats zou het recht op eerste verkoop door uitvinders “werkelijk een lege huls zijn”. In hun model, wanneer een farmaceutisch bedrijf een nieuw middel ontdekt, kan zij de eerste pillen verkopen maar niet hun gebruik stroomafwaarts beperken. Een generieke medicijn producent kan dan de eerste pil kopen, het analyseren en vervolgens kopiëren.

“Dus dit resulteert in een onmiddellijk generieke status voor medicijnen,” klaagt Romer. En terwijl zij beargumenteren dat de uitvinder “een paar pillen voor miljoenen dollars kan verkopen,” is dit gegeven onrealistisch als iedereen die een pil koopt hem kan kopiëren. “Je kunt een aantal mathematische aannames maken dat dit allemaal logisch en consistent is,” zegt Romer, “maar die aannames zijn erg tegenstrijdig met de onderliggende feiten uit de farmaceutische industrie.”

Als Boldrin en Levine onrealistisch zijn over de internalisering van externe effecten, geldt dit nog meer voor rivaliteit, voegt Romer toe. Hoewel het waar is dat ideeën belichaamd moeten worden om economisch waardevol te zijn, is het fout om te stellen dat er geen verschil is tussen het idee en haar fysieke verwording. Een formule moet neergeschreven worden, maar de formule is waardevoller dan het stukje papier waarop het is geschreven. In een grote markt kan de formule zo waardevol zijn dat “de kosten van het papier triviaal zijn – zo klein dat het een redelijke benadering is om deze kosten volledig te verwaarlozen”. Indien Romer hier gelijk heeft – als het inderdaad redelijk is deze triviale kosten te verwaarlozen – dan vervalt de pijler van rivaliteit waarop de argumentatie van Boldrin/Levine rust.

Romer heeft ook problemen met de bewering dat concurrentie goed kan omgaan met sunk costs. Hij geeft aan dat zij fout zitten om te protesteren tegen copyright beperkingen omdat perfecte concurrentie kopers en verkopers in staat stelt contracten aan te gaan die dit soort eisen opneemt. “Welke rechtvaardiging is er,” zegt Romer, “om volwassenen er van te weerhouden contracten af te spreken die het gebruik van goederen lager in de keten aan limieten stelt?”

Boldrin stuurt een snel antwoord per mail: “We hebben nooit zoiets gezegd! Patenten en copyrights zijn geen private contracten: het zijn monopolie rechten verschaft door de overheid”.

Romer werpt tegen: “Het juridische systeem creëert een kans voor een eigenaar om een contract op te stellen dat limieten stelt aan hoe een waardevol product wordt gebruikt…Het voorstel van Boldrin en Levine zou een farmaceutisch bedrijf of de eigenaar van een liedje het recht ontnemen een zodanig contract op te stellen met een koper”.

Volgens Lucas “is er geen twijfel dat Boldrin en Levine hun theorie correct hebben uitgewerkt. De vraag is waar het geldig is en waar niet”. Hun sterkste voorbeelden zijn Napster en de muziekindustrie, zegt Lucas. “Indien we geen copyrights uitvaardigen op muziek, zullen mensen dan stoppen met schrijven en muziek opnemen?” vraagt hij retorisch. “Niet erg waarschijnlijk, geef ik toe. Als dit zo is, dan is bescherming tegen muzikale piraterij niets anders dan het beschermen van een monopolie positie: iets waar economen in de regel op tegen zijn, en met goede reden”.

Maar Lucas waarschuwt dat hun theorie mogelijk niet overal toepasbaar is. “Hoe zit het met farmaceutische bedrijven?” vraagt hij zich net als Romer af. “Hier worden miljoenen uitgegeven aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Waarom zou je dit doen als goede ideeën snel gekopieerd kunnen worden?”

Het verfijnen van de theorie

Solow adviseert dat Boldrin en Levine hun theorie testen op robuustheid. Wat gebeurt er bijvoorbeeld wanneer het tijdsinterval tussen uitvinding en kopiëren slinkt? En “gebeurt er iets speciaals wanneer je een bepaalde onzekerheid toelaat over de uitkomst van een investering in innovatie?”

Boldrin en Levine erkennen dat er nog werk verzet moet worden om hun theorie te versterken. Ze zijn begonnen de effecten van onzekerheid op hun model te onderzoeken, zoals Solow adviseerde, en ze zeggen dat de resultaten overwegend standhouden. Het verschil is dat een grote monopolist wellicht in staat is zich te verzekeren tegen risico, maar tegenstanders derivaten moeten ontwikkelen om een deel van het risico te delen en wat verzekering te kopen.

Wat betreft onderzoek en ontwikkeling in de farmaceutische industrie betogen Boldrine en Levine dat hun criticasters de economische werkelijkheid van de industrie verkeerd doen voorkomen. Veel van de hoge kosten van R&D worden veroorzaakt door de waarde die aan de onderzoeker zijn tijd wordt toegekend omdat zij bij monopolisten in dienst zijn. Onderzoekers in de meer competitieve Europese medicijnindustrie krijgen veel minder betaald.

Ter aanvulling, zegt Levine, worden producten niet verkocht in een concurrerende markt: “Zij worden in het algemeen gekocht door grote organisaties als overheden en HMOs (Health Maintenance Organization).” Als opgeblazen medicijn prijzen wat realistischer bekeken worden, betogen deze economen, zouden de ontwikkelingskosten van nieuwe medicijnen nauwelijks zo onoverkomelijk zijn als men nu geloofd.

Daarbij kost het kopiëren van een medicijn tijd en geld, en heeft het innovatieve medicijnbedrijf een substantieel voordeel omdat zij als eerste met het nieuwe product komt. “Het is niet zeker dat anderen het binnen een dag kunnen imiteren,” zegt Boldrin. “Het feit dat jij de eerste bent en weet hoe het beter te doen dan de anderen – het kan een grote bescherming bieden”.

Echter, zo geven zij toe, er zijn gevallen van ondeelbaarheid waar de initiële investering simpelweg te groot is voor een markt met perfecte concurrentie. “We hebben betoogd dat het concurrentiemechanisme een waardevolle is, in staat om langdurige innovatie te voort te brengen,” schrijven zij. “Dit wil echter niet zeggen dat concurrentie het beste mechanisme is in alle gevallen.” Ondeelbaarheid kan er voor zorgen dat bepaalde maatschappelijk gewenste innovaties uitblijven; de situatie is gelijkwaardig aan het publieke goederen probleem. De auteurs geven aan dat contracten voor bijdragen en loterijen in zulke gevallen gebruikt kunnen worden, maar “een evenwichtstheorie met productie ondeelbaarheid moet nog volledig uitgewerkt worden”.

Er zijn al economen begonnen aan de volgende fases. Quah van de London School of Economics heeft het model een aantal verschillende richtingen opgeduwd om de robuustheid en toepasbaarheid te testen. In een van de publicaties ontdekt hij dat het goed werkt wanneer het aannames wijzigt over consumptie en productie van intellectuele activa, maar faalt het als hij tijdsrestricties aanpast.

In een ander publicatie betoogt Quah dat de aangedragen oplossingen voor restricties aan de ondeelbaarheid het probleem waarschijnlijk niet zullen oplossen. “Wat nodig is,” schrijft hij, “is het vermogen om constant het niveau van het intellectueel bezit aan te passen”. In simpele taal: we moeten de mogelijkheid hebben met een half idee te komen. Dat zal alleen nogal een opgave zijn.

Meer studies als die van Quah zullen nodig zijn om de theorie van Boldrin en Levin te porren, verfijnen, tegen te spreken en uit te breiden. Ook zal er empirisch werk nodig zijn of het inderdaad een geschiktere beschrijving is van innovatie. De theorie maakt deel uit van intellectueel kreupelhout en economen die daarmee werken trachten dit hout ondoordringbaar te maken door verschillende termen te hanteren of dezelfde termen anders te definiëren.

Wat wel duidelijk is, is dat Boldrin en Levine een formidabele slag hebben toegebracht aan de huidige opvattingen over innovatie en het nut van bescherming van intellectueel eigendom. Dat het met tegenstand en ongeloof is ontvangen kon worden verwacht. Wat telt zijn de volgende stappen.

“De reactie nu is zowel verassing als ongeloof,” zegt Boldrin. “We zien wel. Met dit soort dingen is het altijd of mensen die suggestie interessant genoeg vinden om het verder te gaan onderzoeken. Het enige wat wij gemaakt hebben is een simpel theoretisch punt”.

Douglas Clement is schrijver voor The Region, een tijdschrift dat wordt gepubliceerd door de Federal Reserve Bank of Minneapolis. Een eerdere versie van dit artikel werd afgedrukt in de september 2002 uitgave van The Region, een latere versie verscheen op Reason.com in maart 2003. Deze laatste versie werd voor Meervrijheid.nl vertaald door Bas Jonker.

Dit artikel verscheen eerder op: mvlogo-small.jpg
 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Douglas Clement, topic: Protectionisme en Corporatisme
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Quirirum schreef op : 1

    Voordat het copyright bestond had je Mozart die 40 symfonieen componeerde.
    Nadat het copyright was uitgevonden had je Beethoven die nog 9 symfonieen componeerde.

  2. Henk schreef op : 2

    Mozart is niet Beethoven. Dus dat is een loos argument.

    Maar wat mij vooral opviel aan de argumenten die Boldrin en Levine aandragen is dat zij geheel voorbij gaan aan status. Bijv. als ik een bedrijf ben dat vaak innovaties doet, en dit heeft mij profijt opgeleverd doordat ik als ondernemer een goede status in de markt heb. En er komt een nieuwkomer of een bedrijf met weinig status met een innovatie, dat mijn bedrijf snel over neemt, is de kans groot dat ik als kopieerder er met de winsten en credits vandoor kan gaan.
    Status, geloofwaardigheid, al deze sociale neven-effecten zijn niet in de theorie verwerkt. Het is een eenzijdige kijk op de werkelijkheid. Een verklaring wordt enkel gegeven vanuit wat cijfermatige berekeningen, terwijl de sociale werkelijkheid niet een accumulatie van formules is.

  3. bert schreef op : 3

    Het is toch simpel? Als nu iemand iets uitvindt -en laat ons nu een geneesmiddel nemen, omdat blijkbaar gevoelig ligt bij de mensen – dan heeft hij intellectuele eigendom (geen patent). Als dat dan een farmaceutisch bedrijf is, dan kan het (als het verwacht dat het 100 000 exemplaren zal verkopen voor een bepaalde vervaldatum) de productie gereed maken. Met andere woorden het maakt al een groot deel pillen. Het bedrijf is eerst en heeft daar voordeel bij. Het bedrijf heeft dan een tijdelijke, eerlijke monopolie.

    Er is wel één gevaar, nl. dat iemand je uitvinding steelt vooraleer je het ging verwezenlijke in een product, dit is pure diefstal.
    Hiervoor bestaat de rechtstaat.

    Als je een eenzame wetenschapper bent bv. dan kan je nog veel geld verdienen, door je uitvinding te verkopen (zoals een patent).
    Er blijft wel een verschil met het patent, nl. als het een product is, dan mag het pas in princiepe bekend zijn voor iedereen.

    Voorbeeld cd; De muzikant regelt met de platenfirma dat hij een bedrag krijgt voor de waarschijnlijk verkoopbare 30 000 platen, hij regelt met een firma de verkoop op het internet en zet sites die zijn liedjes “stelen” vol met virussen.