donderdag, 10 juni 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Zeven onjuiste opvattingen


Om te komen tot een doeltreffend arbeidsmarktbeleid is het van belang om een zevental wijdverspreide en diepgewortelde, doch onjuiste ideeën omtrent de werking van de arbeidsmarkt aan de kaak te stellen.

1. “De kern van het werkeloosheidsprobleem is dat er te weinig banen zijn”.

Zolang er nog onvervulde behoeften zijn is er een potentiële vraag naar goederen en diensten, en dus een potentiële vraag naar arbeid om deze voort te brengen. De kern van het werkeloosheidsprobleem is evenwel dat de loonkosten van veel mensen te hoog zijn in verhouding tot de specifieke arbeidsdiensten die zij kunnen verrichten.

2. “Het minimumloon zorgt ervoor dat de koopkracht van de werknemers op peil blijft, waardoor er een hoog niveau van werkgelegenheid gehandhaafd kan worden”.

Deze opvatting gaat er stilzwijgend – evenwel in strijd met de realiteit – vanuit dat een hoog minimumloon geen uitstoot van arbeid teweeg brengt.

3. “Jeugdlonen beneden het minimumloon veroorzaken een verdringing van ouderen door jongeren op de arbeidsmarkt”.

Deze opvatting is slechts ten dele juist. Een tweede effect is namelijk dat de werkgelegenheid er in zijn totaliteit groter door zal worden.

4. “Veel mensen zijn werkeloos omdat zij geringe vaardigheden hebben, die te weinig bij de vraag op de arbeidsmarkt aansluiten”.

ledere kwaliteit heeft zijn prijs. Redelijkerwijs kan iedere welwillende werkeloze een baan vinden mits hij de vraagprijs voor zijn arbeidsdiensten op een zodanig peil stelt, dat het voor ondernemers aantrekkelijk wordt om hem in dienst te nemen. Werkelozen hebben evenwel niet het recht om hun arbeidsdiensten beneden de wettelijke minima te verkopen.

5. “De hoge jeugdwerkeloosheid is een weerspiegeling van de geboortegolf na de Tweede Wereldoorlog”.

De vraag naar arbeidsdiensten wordt bepaald door de prijs ervan. Bij lagere lonen komen meer banen beschikbaar. De loonvoet past zich evenwel door sociale wetgeving en institutionele belemmeringen zeer slecht naar beneden aan.

6. “De toenemende automatisering veroorzaakt veel werkeloosheid”.

Ten eerste wordt het tempo van de automatisering met name bepaald door de verhouding tussen de prijzen van arbeid en kapitaal. Relatief hoge lonen veroorzaken een uitstoot van arbeid door machines, bij relatief lage lonen is een vervanging van arbeid door machines in het algemeen minder aantrekkelijk. Ten tweede gaat men er ten onrechte, wederom stilzwijgend, van uit, dat er voor de in de automatiserende sectoren uitgestorven arbeid per se geen werk beschikbaar is f zie punt 1.). Ten derde ontstaan er niet alleen voor de bediening van de machines, maar ook voor de productie en onderhoud ervan plus toeleverende activiteiten zoals software diensten, nieuwe banen.

7. “De minimum loon wetgeving is een antiarmoede wapen”.

Als deze opvatting juist was dan zouden we een onmiddellijke oplossing voor het wereld- armoede probleem hebben. Helaas worden lage lonen in de meeste gevallen niet zozeer door “uitbuiting” of “wanbetaling” veroorzaakt als wel door lage arbeidsproductiviteiten. Bovendien veroorzaken hoge minimum lonen in de ontwikkelingslanden, waar doorgaans geen sociaal vangnet is, vaak een scherpe tweedeling tussen een geprivilegieerde arbeidsaristocratie en een brede laag mensen die in extreme armoede leven. Zonder wetgeving met betrekking tot minimum lonen en vastgestelde werktijden zou de werkgelegenheid in deze landen aanzienlijk groter zijn.

Samenvattend kunnen we stellen dat de duizend- en één belemmeringen die de overheid aan zijn werkeloze onderdanen oplegt, indien de laatsten hun arbeidsdiensten te koop aan willen bieden, of zelf, onder eigen beheer, nieuwe activiteiten aan willen vatten, een van de belangrijkste oorzaken van werkeloosheid is. In de Derde Wereld brengen dergelijke belemmeringen een vergroting van de extreme armoede in de steden teweeg. In vele westerse landen vormen genoemde belemmeringen een van de belangrijkste oorzaken voor de zeer massale onvrijwillige werkeloosheid en afzwakkende economische groei. Marginale groepen zoals minderheden en vrouwen, wier potentiële arbeidsdiensten het minste bij de bestaande vraag naar arbeid aansluiten worden in onze maatschappij het zwaarste getroffen met uitsluiting van economische zelfontplooiing door de wirwar van overheidsreguleringen. Bovendien vormt de financiering van het sociale vangnet een steeds drukkender last op onze samenleving. Helaas is de tijdshorizon van de doorsnee politicus tekort, hooguit 4 jaar, om deze problemen openlijk in hun volle omvang te erkennen.

Dit stuk is gebaseerd op een artikel van FEE door Walter Williams.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Onbekend, topic: Onbekend, Economie, Vrijbrief 97 (maart 1986)
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. Mike. schreef op : 1

    Ik kan niet anders zeggen dan dat ik mij hierbij aansluit.