vrijdag, 13 december 2002
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Rechtsfilosofie: III. Recht en Geloof in de Middeleeuwen


Naar Titelblad


Het Bijbelse Israël is een tweede belangrijke bron voor het westerse
denken over recht en politiek. Via de verspreiding van het Christendom
vonden de ideeën uit het Oude Testament hun weg naar het Westen. Zij zouden
daar een diepe invloed hebben op belangrijke stromingen binnen de christelijke
wereld. Die ideeën kwamen echter niet in de oorspronkelijke joodse vorm
in omloop, maar als een onderdeel van de Bijbel, het Heilig Boek van de
christenen, die naast de boeken van het Oude Testament ook het Nieuwe
Testament bevat: de boodschap van Jezus Christus en de leringen van zijn
apostelen.



Het Christendom heeft een indrukwekkende evolutie gekend, van het geloof
van een kleine sekte in het Romeinse Rijk tot de officiële godsdienst
van alle Europese staten (en vaak ook van hun kolonies). Het was onvermijdelijk
dat in de loop van deze evolutie de geestelijke en administratieve leiders
van de christenen (na verloop van tijd georganiseerd in de kerk) meer
en meer geconfronteerd werden met wereldse problemen, al was het maar
met de organisatorische en administratieve perikelen van een multi-nationale
onderneming in een tijdperk zonder tele-communicatie. Eeuwenlang was de
Kerk nagenoeg de enige bron van administratieve en organisatorische vaardigheden,
en van systematische regelgeving (canoniek recht).



In de Middeleeuwen was het Christendom ook de dominante ideologische kracht
in de samenleving. De Kerk was een alomaanwezige, onaantastbare instelling
met een brede basis en een goedgeorganiseerde hiërarchie. Dat betekent
niet dat er geen door de godsdienst geïnspireerde conflicten waren – integendeel.
Maar de meeste ideologische conflicten deden zich voor binnen de Kerk.
Lange tijd bleef sterk verzet bestaan tegen elke vermenging van geloofs-
en wereldse zaken. De “zuiverheid van het geloof” is een herkenbaar motief
in het Christelijke denken. Het contrasteert scherp met feitelijke macht
en invloed van de Kerk in het politieke, culturele, maatschappelijke en
economische leven. Deze feitelijke situatie zorgde niet alleen voor spanningen
met de wereldlijke heersers (de vorsten), maar ook voor spanningen binnen
de Kerk die uiteindelijk tot regelrechte godsdienstoorlogen aanleiding
zouden geven.



Eén van de meest invloedrijke denkers van het vroege Christendom was de
Heilige Augustinus. Hij zou een blijvende inspiratiebron blijven voor
allen die hunkeren naar een terugkeer naar het zuivere geloof. Afkeer
van de wereld en exclusieve gerichtheid op God zijn de voornaamste elementen
van zijn leer. Zij impliceerden een volledige ondergeschiktheid van wereldse
zaken, recht en politiek in de eerste plaats, maar in feite van alle vormen
van wereldse wijsheid (filosofie) aan de eisen van het geloof.



Pas met de heropleving van het maatschappelijk leven (handel, groei van
de steden) in de 11° eeuw opende het officiële Christendom zich resoluut
voor de problemen van deze wereld. Van groot belang in deze ontwikkeling
was het beschikbaar worden van Latijnse vertalingen van de werken van
Aristoteles en van zijn Arabische commentatoren. Snel kwam het tot een
indrukwekkende synthese van Christendom en antieke filosofie in het werk
van de Heilige Thomas van Aquino. Hij ontwikkelde een leer van de natuurlijke
wet die velen tot op heden beschouwen als de meest volledige en systematische
uitwerking van het metafysische natuurrecht.


A. Recht is Godsdienst


Synopsis. Athene en Jeruzalem: behalve de Griekse oudheid zijn
ook het christendom en zijn heilig boek, de Bijbel, belangrijke bronnen
van het Westerse denken over ethiek, recht en politiek. Maar evenmin als
het Griekse denken is het christelijke gedachtengoed op te vatten als
een monolithisch blok. Niet alleen zijn er de verschillende accenten van
het Oude en het Nieuwe Testament, er zijn vooral ook de verschillende
houdingen tegenover de betekenis en de waarde van de het wereldlijke en
tijdelijke (in tegenstelling tot het hemelse en eeuwige). Die houdingen
variëren van negatief (Augustinus) tot positief (Thomas van Aquino, over
wie we het in de volgende hoofdstukken zullen hebben). In de duizendjarige
geschiedenis van de middeleeuwen, waarin geloof en kerk hun stempel drukken
op alle aspecten van het leven, blijkt bovendien dat het geloof niet alleen
verenigt maar ook verdeelt: de middeleeuwse geschiedenis wemelt van sekten
en “ketterijen” die vaak aanleiding geven tot bitsige strijd, en niet
alleen met woord en pen; zij eindigt met een regelrechte godsdienstoorlog
(die aan bod komt in het deel “Crisis en Overgang”).



In dit hoofdstuk besteden we eerst aandacht aan enkele voor de politieke
en de rechtsfilosofie relevante elementen in het OUDE TESTAMENT, vooral
in het boek Genesis, een uitbeelding van de schepping, en daarmee ook
van de oorspronkelijke beginselen, van de wereld en de mens. Centrale
begrippen zijn dienstbaarheid en zelfstandigheid, gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid,
straf en vergeving, en het verbond tussen God en mens.



De middeleeuwse geschiedenis begint met de val van het Romeinse imperium.
De ineenstorting volgde kort nadat het christelijke geloof officiële erkenning
had gekregen. AUGUSTINUS, die het ontbindingsproces van het rijk van dichtbij
kon volgen, zag zich geplaatst voor de taak de houding van de christenen
tegenover de wereld die hen zopas aanvaard had te herdenken. Deze ongewoon
bewogen man vond in de noties van de zondeval en de radicale onvolmaaktheid
van de mens en in het woord van Christus – “Mijn Koninkrijk is niet van
deze wereld” – het motief voor een zich volledig van de wereld afkerende
toewijding aan God. Godsdienst, de volledige en onvoorwaardelijke dienst
aan God, is de enige weg naar het geluk. Godsdienst is meteen de hoogste
functie van alle menselijke instellingen, ook van de politieke. De ware
gelovige, ongeacht zijn maatschappelijke of politieke positie, dient God
in alles wat hij doet. Hieruit ontwikkelde zich later de leer van de suprematie
van de kerk ten overstaan van de staat.



In zijn De Civitate Dei ontwikkelde Augustinus een filosofie van
de geschiedenis die berustte op het onderscheid tussen menselijke eigenliefde
(cupiditas) en de liefde tot God (caritas). Ieder van deze
beginselen fundeert een eigen gemeenschapsvorm, de ene de wereldlijke
en de andere de hemelse staat. Aan het einde der tijden zullen deze gescheiden
worden (de hel voor de ene, de hemel voor de andere). Deze twee “staten”
zijn niet te verwarren met de bestaande zichtbare staat en de zichtbare
kerk. Zij zijn op te vatten als de morele polen waartussen al het menselijke
zich afspeelt.


Het Oude Testament: God als
koning



Ontstaan van de beschaving: Egypte
en Tweestromenland


9000 Einde laatste ijstijd

4000 Ontstaan georganiseerde cultuur of beschaving in Nijldal (Egypte)
en in Tweestromenland (Mesopotamië, eerste centrum Sumer), voortdurend
belaagd door Semitische volkeren (Arabië?)

3000 Eerste georganiseerde staat: het Oude Rijk in Egypte; Bronstijd

2600 Piramiden van Cheops en Chephren te Gizeh

2350 Eerste wereldrijk onder Sargon, koning van Akkad (Noord-Babylonië)


2000 Indogermaanse volkeren dringen door naar Middellandse zee

1700 Zuil van Hammoerabi, koning van Babylon (geschreven wetten)

1200 Verval van de grote rijken; ijzertijd



Het Oud-testamentische Israël

1100 Israëlitische stammen in Palestina, Wet van MOZES

1000 Saul, eerste koning van Israël; opgevolgd door David

930  Salomo bouwt de tempel in Jeruzalem

745  Optreden van de profeten, monotheïsme: Jahweh, enige god


586  Verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnezar; joden weggevoerd
in ‘Babylonische gevangenschap’

550  Begin Perzische overheersing onder Cyrus

530  Terugkeer van de Joden uit ballingschap

515  Wijding van de heropgebouwde tempel te Jeruzalem

320  Israël onder Hellenistische invloed na Alexander de Grote


301  Israël deel van het Hellenistische rijk van de Seleukieden


150  Opstand Joodse Makkabeeërs tegen de Seleukiede Antiochus
IV

133  Inlijving in het Romeinse rijk

7    Geboorte van JEZUS in Bethlehem.>


Het Oude Testament. Een radicale afwijzing van
de filosofie vindt men bij de Joden van de Oud-Testamentische tijd. Centraal
stond bij hen de wetgeving die begrepen werd als het Woord van God (Decaloog,
de wetten in de boeken Exodus, Leviticus, Deuteronium).
De Wet is dus boven alle kritiek verheven. Voor de Jood is goed zijn hetzelfde
als de Wet naleven (orthopraxis: juist gedrag, in tegenstelling
met latere christelijke orthodoxie: juiste leer). Die wet kan men
niet in zichzelf vinden, maar enkel in het Woord van Jahweh.


Monotheïsme en Joods bewustzijn. Bij de Joden in de Babylonische
gevangenschap (584-537) groeide de stamgod Jahweh uit tot “de ene, ware
God”, onder invloed van de leringen der profeten JEREMIAS en EZECHIËL,
en vooral ISAIAS: “Ik ben Jahweh, er is geen ander; Buiten Mij bestaat
er geen God” (Is.45:5). De profeten hebben een grote rol gespeeld in de
ontwikkeling van het Joods-nationale bewustzijn, dat met zijn hechte vermenging
van geloof, leefwijze, voedingsgewoonten en politiek, weerstand heeft
kunnen bieden aan de algemene verspreiding van het hellenisme (cf. de
opstand der Makkabeeën tegen Antiochus IV). Ook later, in de periode van
de diaspora, toen als gevolg van vervolgingen de Joden over de
gehele wereld verspreid werden, bleven zij hechte gemeenschappen vormen,
met een herkenbare identiteit.


Vergeestelijking. De universele aanspraken van het monotheïsme
en de moeilijkheid de letterlijke interpretatie van de heilige boeken
te verzoenen met een werkelijkheid waarin vooral de meest wetsgetrouwe
Joden werden vervolgd, leidden tot een meer vergeestelijkte vorm van de
Joodse heilsgeschiedenis, met een geloof in de onsterfelijkheid en straf
en beloning in het hiernamaals, en een grotere nadruk op de gezindheid
dan op de uiterlijke naleving van de Wet – zonder evenwel ooit de “orthopraxis”
op te offeren aan een loutere orthodoxie (contrast Luther: “Pecca fortiter
sed fortius fide et gaude in Christo” – zondig zoveel ge wilt, maar hebt
vertrouwen en verheugt u in Christus).


Genesis: ontplooiing. Het Oude Testament begint met twee
verschillende versies van het scheppingsverhaal. In het eerste worden
de mensen als de bekroning van de schepping voorgesteld, geschapen naar
het evenbeeld van God en geroepen over de aarde te heersen:


“En God schiep de mens als zijn beeld, als Gods beeld
schiep hij hem; Man en Vrouw schiep hij hen. Toen zegende God hen, en
sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt de aarde
en onderwerpt haar; heerst over de vissen der zee, de vogels in de lucht
en over alle levende wezens die zich op aarde bewegen” (Gen 1:27-28).
>


Op de zesde scheppingsdag is Gods schepping voltooid; op de zevende dag
rust God. Dit korte verhaal herinnert aan het Prometheïsche thema van
de strijd van de mens tegen de wilde natuur. Het lijkt de weg vrij te
maken voor de menselijke ontplooiing.


Genesis: dienstbaarheid. Maar in het tweede hoofdstuk wordt begonnen
met een nieuw scheppingsverhaal: het bekende verhaal van de Tuin van Eden,
en van Adam en Eva. Hierin is de mens niet langer de finale bekroning
van de schepping, maar het eerste levende wezen (Adam), gemaakt
uit klei “om het land te bewerken”, dus als dienaar Gods. De dienstbaarheid
van Adam aan Jahweh wordt op velerlei wijze beklemtoond. God beveelt,
Adam gehoorzaamt – Adam kan God wel horen, maar niet zien. Adam mag wel
zijn arbeidskracht onderhouden – hij mag eten van de levensboom. Maar
Adam mag niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad – hij mag
geen morele kennis hebben, want dit is de kennis die nodig is voor het
nemen van zelfstandige beslissingen, en dus geen kennis geschikt voor
een dienaar. Ook de schepping van de dieren, eveneens uit klei, wordt
hier uitgelegd in termen van een voorbeschikte dienstbaarheid. God poogt
een passende hulp te maken voor zijn eenzame knecht, maar de dieren blijken
niet te voldoen. Ten einde raad schept God de vrouw (Eva), en deze blijkt
wel de geschikte hulp te zijn.


Gelijkheid, dialoog en kritiek. Maar anders dan de dieren is Eva
niet uit klei, maar uit Adams rib gemaakt. Zij is uit en voor hem gemaakt,
en in die zin is zij van hem. Adam herkent zichzelf in Eva, en
voelt zich één met haar. Hij aanvaardt haar als zijn gelijke. Daarmee
ontstaat de mogelijkheid tot een dialoog, daar waar Adam ten aanzien van
God alleen tot gehoorzaamheid (luisteren) gehouden was. Met die dialoog
is ook het zelfbewustzijn gegeven, dat zich uit in het stellen van vragen
en het zoeken naar antwoorden. Dit verlangen naar inzicht (verpersoonlijkt
in de “slang”) maakt de blinde gehoorzaamheidsrelatie ten opzichte van
God onhoudbaar.


De slang is het eerste wezen in het Bijbelse verhaal dat een vraag stelt:


“Hij zei tot de vrouw: ‘Is het inderdaad waar dat God
gezegd heeft dat jullie niet mogen eten van al het geboomte in de tuin?’.


Toen zei de vrouw tot de slang: ‘Van het fruit van het geboomte van de
tuin mogen we eten, maar van het fruit van de boom in het midden van de
tuin heeft God gezegd, dat we daarvan niet mogen eten, en dat we hem niet
mogen aanraken, opdat we van ellende zouden gespaard blijven.’

Toen zei de slang tot de vrouw: ‘Jullie zullen zeker geen ellende ondervinden,
maar God weet dat op de dag dat jullie daarvan eten dan zullen jullie
als God blijken, kenners van goed en kwaad.'”>


De oorspronkelijke zonde. Eva geeft toe aan de verleiding, en
Adam laat zich door haar overhalen om ook van de boom te eten. Deze ongehoorzaamheid
is de eerste en oorspronkelijke zonde. De zucht naar inzicht en kennis
is de bron van alle kwaad. God ziet in dat de verhoudingen in de Tuin
van Eden fundamenteel veranderd zijn. Hij kan niet heersen over kenners
van Goed en Kwaad, zoals hij kon heersen over hen die nog geen inzicht
hadden. De mensen kunnen niet langer als dienaren leven in het domein
van hun heer. Zij worden uit de Tuin verjaagd en zullen voor hun ongehoorzaamheid
moeten boeten, door zelf “in het zweet van hun aanschijn” in hun levensonderhoud
te voorzien. Als in zekere zin de “gelijken van God” zullen de mensen
hun betrekkingen met Hem een nieuwe en aangepaste grondslag moeten geven:
de leer van het verbond (zie hieronder).


Kritisch denken en volgzaamheid. De diagnose van de menselijke
situatie is uiterst pessimistisch: de mens, geschapen om te dienen, is
bezeten door een drang naar zelfstandigheid. Hij is dus een contradictoir
wezen. Er is een onuitroeibare tegenstelling tussen de kritische “slang”
en de volgzame vrouw (die gemaakt is om de man te dienen). Het is de tegenstelling
tussen het “hoofd”, het leidende, en de “hiel”, het volgzame deel van
de mens:


“Ik zal vijandschap wekken tussen u (de slang) en de
vrouw, tussen uw kroost en haar kroost; dit zal u de kop verpletteren,
maar gij zult loeren naar zijn hiel.” (Gen.3:15).>


De kritische geest is een permanente bedreiging voor de heerschappij
die steunt op volgzaamheid, zoals de volgzaamheid een permanente bedreiging
is voor de filosofie. De tegenstelling wordt versterkt door het heropnemen
van de draad van het eerste scheppingsverhaal. Daarin was geen sprake
van een zondeval, noch van een dienende relatie van de man ten aanzien
van God, of van de vrouw ten aanzien van de man. De nadruk lag op de voortplanting
(cf. “Vermenigvuldigt u”) en de ontplooiing van de mensheid, niet op het
dienen van God. De twee verhalen worden dan samengevoegd in het samenkomen
van “de zonen van God” (de generatie van Seth, geschapen naar het evenbeeld
van God, precies zoals de mens uit het eerste scheppingsverhaal) en “de
dochters van de mens” (de kroost van Eva).


De zondvloed en het Verbond. Het resultaat van deze verbinding
van het goddelijke en het menselijke is rampzalig. De menselijke natuur
is een combinatie van slaafsheid en heerszucht, die geen orde kent. De
zondvloed veegt dit gebroed weg, en de nieuwe orde wordt gevestigd op
basis van een verbond tussen God en Noach, “een rechtschapen man,
die wandelde met God”. Elke herinnering van de oorspronkelijke toestand
(waarin de mens volgens zijn natuur leefde) moet uitgewist worden.
Ham, die een glimp opvangt van zijn vader Noach terwijl die dronken en
naakt in zijn tent ligt, en hem dus ziet zoals hij is, wordt onmiddellijk
vervloekt en tot slaaf gemaakt. Het verbond bepaalt ook de doodstraf voor
wie mensenbloed vergiet.


Het koningschap. Het heil van de mensen wordt verbonden met de
trouw aan het verbond. Maar zij blijken niet bekwaam zichzelf de discipline
op te leggen die daarvoor nodig is. Dat is de getuigenis van de vroegste
Joodse geschiedenis. De samenleving zoekt tevergeefs naar een eigen orde.
Men probeert het eerst met een rechterlijk bewind, maar de rechters worden
uiteindelijk corrupt. De Joden beginnen dan te verlangen naar een koning,
ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing, in het eerste boek van Samuel,
dat een koning alleen maar ellende zal brengen, en de koningsdienst meteen
ook verloochening van Jahweh impliceert:


“Want niet u (Samuel) hebben ze verworpen, maar Mij:
Mij zullen ze niet meer als Koning hebben…Dan zal [hun] protest luid
weerklinken omwille van de koning die [ze zullen] gekozen [hebben], en
Jahweh zal [hen] niet aanhoren” (Sam.I).>


De Wet: de tien geboden. Noch de “natuur” (de toestand vóór de
zondvloed) noch de “conventie” (de positieve wet van de staat) biedt enig
heil. Dat is alleen te verwachten van de strikte naleving van de goddelijke
wet. Alleen de “simpelen”, die zich kritiekloos aan de goddelijke voorschriften
houden, kunnen gelukkig leven. Deze voorschriften zijn de tien geboden
uit de boeken Exodus (20:2-17) en Deuteronium (5:6-22).
Zij leggen zowel de verplichtingen tegenover God als de verplichtingen
tegenover ouders en de medemensen vast.


Ik ben Jahweh, uw God die u uit Egypte heb geleid, uit
het slavenhuis. (1) Gij zult geen andere goden hebben dan Mij. (2) Gij
zult u geen afgodsbeelden maken… Ge moogt ze noch aanbidden noch dienen…
(3) Gij zult de naam van Jahweh niet ijdel gebruiken… (4) Onderhoud
de sabbatdag en heilig hem, zoals Jahweh, uw God, u bevolen heeft. Zes
dagen moogt ge werken en al uw arbeid verrichten. Maar de zevende dag
is een sabbat ter ere van Jahweh, uw God; dan moogt gij, noch uw zoon
of dochter, noch uw slaaf of slavin, noch uw rund, uw ezel of een van
uw beesten, noch de vreemdeling binnen uw poorten enige arbeid verrichten,
opdat uw slaaf en slavin kunnen rusten, zoals gijzelf… (5) Eer uw vader
en uw moeder, zoals Jahweh, uw God, u bevolen heeft, opdat ge lang moogt
blijven leven… (6) Ge zult niet doden. (7) Ge zult geen overspel doen.
(8) Ge zult niet stelen. (9) Ge zult tegen uw naaste geen valse getuigenis
afleggen. (10) Ge zult de vrouw van uw naaste niet begeren. Ge zult het
huis van uw naaste niet verlangen, noch zijn akker, noch zijn slaaf of
slavin, noch zijn os of zijn ezel, noch iets wat uw naaste behoort.>


Vrees voor God is grondslag van de samenleving. De grondslag voor
de gehoorzaamheidsplicht aan de Wet is een verbond tussen God en het Joodse
volk, een verbond dat eenzijdig door Jahweh afdwingbaar is: gehoorzaam
Mij en het zal u goed gaan; wees ongehoorzaam en ik zal u genadeloos straffen.


“…want Ik, Jahweh, uw God, ben een naijverige God,
die de zonden der vaderen wreekt op de kinderen, en op het derde en vierde
geslacht van hen, die mij haten; maar die genade bewijst aan het duizendste
geslacht, van die Mij beminnen, en mijn geboden onderhouden (Deut.5:9-10)…
En wanneer naderhand uw zoon aan u vraagt, wat die beschikkingen, bepalingen
en voorschriften betekenen, die Jahweh, onze God, u bevolen heeft, dan
moet ge zeggen: We waren in Egypte de slaven van Farao; maar Jahweh heeft
met sterke hand ons uit Egypte geleid. Jahweh heeft voor onze ogen in
Egypte machtige en verschrikkelijke tekenen en wonderen gewrocht tegen
Farao en heel zijn hof; maar ons heeft hij vandaar weggevoerd, om ons
in het land te brengen en ons het land te geven, dat hij aan onze vaderen
onder ede beloofd had. Daarom heeft Jahweh ons geboden al deze bepalingen
te volbrengen, en Jahweh, onze God, te vrezen, opdat het ons altijd goed
moge gaan, en Hij ons in leve moge behouden, zoals Hij tot heden gedaan
heeft. Hierin zal onze gerechtigheid liggen, dat we nauwgezet al deze
geboden volbrengen voor het aanschijn van Jahweh, onze God, zoals Hij
ons bevolen heeft (Deut.6:20-25)… >


Erken dus dat Jahweh, uw God, waarachtig God is: de getrouwe God,
die het Verbond houdt, en genade bewijst, aan hen die hem beminnen en
zijn geboden onderhouden, tot in het duizendste geslacht; maar die aan
den lijve straft en verdelgt die Hem haten: die geen uitstel verleent
aan hen die hem haten, maar hen in eigen persoon laat boeten. (Deut.7:9-10)


Het christendom in de Middeleeuwen


De leer van Jezus Christus. De Joodse idee van een orthopraxis
kon gemakkelijk aanleiding geven tot een louter uiterlijke gehoorzaamheid
aan de wet. Ook de idee dat orde steunt op vrees voor de straf hield dat
risico in. Jezus van Nazaret was één van hen die ageerden tegen deze hypocriete
aanvaarding van de Wet. Niet in het uiterlijke gedrag, maar in de gezindheid
waarmee men handelt ligt de aanvaarding van de Wet. Niet in de vrees voor
God, maar in de liefde tot God ligt de sleutel tot de vervulling van de
Wet. In de Bergrede, zoals weergegeven in het Matteüs-evangelie,
spreekt Jezus aldus:


(5:17) Meent niet dat Ik gekomen ben, om de Wet of de
Profeten op te heffen. Ik ben niet komen opheffen, maar volmaken… (5:20)
Ik zeg u: zo uw gerechtigheid niet groter is dan die der schriftgeleerden
en farizeeën, dan zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.

(5:21) Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Ge zult niet doden;
en wie doodslag begaat zal schuldig zijn voor het gerecht. Maar ik zeg
u: Wie vertoornd is op zijn broeder zal schuldig zijn voor het gerecht…


(5:27) Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Ge zult geen overspel doen.
Maar ik zeg u: Wie met begeerte naar een vrouw kijkt heeft reeds overspel
met haar gepleegd in zijn hart…

(5:48) Weest dus volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is.>


Goddelijke gerechtigheid niet van deze wereld. Maar het oordeel
over de innerlijke gezindheid ligt niet binnen het bereik van de menselijke
justitie. De Goddelijke gerechtigheid is geen zaak van deze wereld: “Mijn
koninkrijk is niet van deze wereld”. Zij wordt voltrokken in het laatste
oordeel, waarin over eeuwig leven in de zaligheid of eeuwige verdoemenis
in de hel wordt beslist (Matteüs, 25:31).


Liefde en vergiffenis. De christelijke God is niet langer de vreesaanjagende,
naijverige God van het Oude Testament. God is Liefde. God is Vergiffenis.
Hij oordeelt over de mensen niet volgens hun uiterlijke getrouwheid aan
de Wet, maar volgens hun liefde tot Hem zoals die ook tot uiting komt
in hun naastenliefde. Daarin ligt de mogelijkheid van een verlossing van
de zonde: “Want zo gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal ook uw hemelse
Vader ook u vergeven. Maar vergeeft gij aan de mensen niet, dan zal uw
Vader ook uw fouten niet vergeven” (Matteüs, 6:14).


Het vroege christendom. Het christendom verspreidde zich, na het
zendingswerk van de apostelen (vooral Paulus), snel in het gehele Romeinse
Keizerrijk. Na een lange periode van vervolgingen werd het onder Constantijn
de Grote (323-337) als staatsgodsdienst erkend. De kerk wist zich goed
te organiseren, zowel lokaal als internationaal. Zij overleefde de ondergang
van het Rijk en werd op korte tijd de dominerende instelling van de Germaanse
wereld. Haar doctrine van de Goddelijke gerechtigheid ondersteunde het
proces van verinnerlijking van de voorschriften van de Wet in een periode
waarin noch economische noch politieke of strafrechtelijke sancties heel
effectief konden zijn.


Ontstaan van de christelijke filosofie. Vanuit het perspectief
van de Oudheid was het christendom echter lange tijd een vreemde vogel.
Zijn monotheïsme botste met de godsdienstige verdraagzaamheid die kenmerkend
was voor de meeste religieuze secten in het Romeinse Rijk, en vooral met
de cultus van de vergoddelijkte keizer. De verhouding tussen God en Jezus
en tussen het Koninkrijk der Hemelen en het Keizerrijk zorgde voor problemen.
Het voornaamste denkwerk van de christelijke filosofen-theologen was er
dan ook op gericht de relatie tussen antieke wijsbegeerte en christelijke
geloofsleer (dogma) te verduidelijken, alsook een oplossing te vinden
voor het probleem van de verhouding tussen wereldlijke en geestelijke
macht.


Perioden van de christelijke filosofie. We kunnen volgende perioden
onderscheiden:



I.- De patristiek (1e eeuw-9e eeuw).



a. De vroege patristiek (tot 325, Concilie van Nicea, waar
de geloofsleer zijn definitieve gedaante kreeg).

b. De latere patristiek: ontwikkeling van een christelijke
filosofie in dialoog met de toen heersende filosofische scholen, vooral
het neoplatonisme, dat de mystieke tendensen in het platonisme op de voorgrond
stelde.



II.- De scholastiek (9e eeuw-15e eeuw).



a. De vroege scholastiek: methodenstrijd tussen “platonisten”
en “aristotelianen” en “nominalisten”.

b. De bloeitijd van de scholastiek (13 eeuw): definitieve
synthese van christelijk geloof en aristotelische filosofie.



III.- Reformatie en Contrareformatie (16e eeuw).



a. De reformatie: ontbinding van de theologische eenheid van
de christenheid, opkomst van het “protestantisme”.

b. De Contrareformatie: actualisering van het scholastieke
denken in de katholieke landen.


De patristiek


Romeinse keizerrijk en het vroege
christendom


27  Principaat van Augustus, overgang naar Keizerrijk

7   Geboorte van JEZUS in Bethlehem

14  Tiberius, opvolger van Augustus

30  Kruisiging van Jezus

31  PAULUS bekeerd tot christendom

58  Paulus gevangen genomen en naar Rome gevoerd

61  Marteldood van Paulus

64  Eerste christenvervolging, marteldood van apostel Petrus


200 De catechetenschool van Alexandrië (o.a. Clemens, Origines)

205 Geboorte van PLOTINUS, stichter van neoplatonische school

212 Edict van Caracalla: burgerrechten voor alle vrijen in het Rijk

250 Begin algemene christenvervolging in het Rijk, verering der martelaren


270 Dood van PLOTINUS

285 Begin van het monnikenideaal (Antonius in Egypte)

303 Laatste en grootste vervolging onder Diocletianus



Christendom officieel erkend in het Romeinse Rijk

312 Steun van Keizer Constantijn de Grote voor het christendom

325 Concilie van Nicea; bouw van de eerste Sint Pieterskerk te Rome

337 Constantijn gedoopt op zijn sterfbed

354 Geboorte van AUGUSTINUS

375 De school van Cappadocië (Basilius van Caesarea, Gregorius van Nyssa);
Germaanse invallen, oprukken der Hunnen uit de Aziatische steppe

395 Verdeling van het Romeinse rijk in Oostelijk en Westelijk Rijk

430 Dood van AUGUSTINUS

451 Attila de Hun teruggedrongen



Ondergang van het Westromeinse Rijk; De ‘duistere eeuwen’

476 Laatste keizer Westromeinse rijk afgezet door Odoaker

486 Merovingische dynastie in Gallië onder Clovis

496 Frankische koning Clovis bekeerd

527 JUSTINIANUS keizer in Byzantium (Constaninopel); redactie van het
Corpus Juris in 534

529 Eerste Benedictijner klooster

560 Verval Merovingische dynastie; begin feodaliteit in Westen

590 Paus Gregorius de Grote, begin machtsaanspraken van de paus



Islamitische dreiging heropleving in het Westen

622 Vlucht van Mohammed uit Mekka naar Medina; begin uitbreiding van
de Islam

718 Keizer Leo III van Constantinopel stopt islamitische opmars

732 Karel Martel stopt de islamitische opmars bij Poitiers

751 Pippijn de Korte zet laatste Merovingische vorst af, wordt gezalfd
door de Paus

800 Karel de Grote, zoon van Pippijn de Korte, door paus Leo III tot Keizer
gekroond; Karolingische renaissance in het Westen

843 Verdrag van Verdun, verdeling van Karels rijk onder zijn kleinzonen
>


Een nieuwe opvatting van het goddelijke. De
christelijke geloofsleer onderscheidt zich van de antieke geloofsopvatting
vooral door de affirmatie van het bestaan van een persoonlijke godheid
die beschouwd wordt met typisch menselijke attributen. Met betrekking
tot God worden deze evenwel als oneindig en volmaakt voorgesteld: alomtegenwoordigheid,
alwetendheid, algoedheid, alwijsheid, almacht, enz.


Schepper en schepping. Bovendien wordt God gezien als de schepper
van de wereld, en dus niet als behorend tot of samenvallend met de wereld:
God is buiten ruimte en tijd. Meer bepaald is hij de schepper (of maker)
van de mens, die hij een specifieke bestaansreden zou hebben gegeven,
namelijk de uitvoering van Gods wil, zoals die geopenbaard is in de Heilige
Schrift. God is de zin van het leven.


Zonde en deugd. Van enig filosofisch humanisme is geen sprake
meer. Niet de mens is de maat van alle dingen, maar God. Ieder mens is
aan Gods wil onderworpen, niet aan de groep, niet aan de vorst, niet aan
de paus. Alleen de liefde tot God kan de mens op het pad van de deugd
houden, als zij al niet de enige deugd is. De mensheid is met de erfzonde
belast. De menselijke natuur is fundamenteel verdorven. Die belasting
kan niet door enige menselijke daad, alleen door Gods genade opgeheven
worden. Voor zijn zieleheil is de mens dus overgeleverd aan de willekeur
van God: inzicht en deugdzaamheid (in de antieke zin) hebben geen verlossende
kracht.


De heropstanding uit de dood. Die persoonlijke afhankelijkheid
vindt haar krachtigste uitdrukking in de idee van de heropstanding uit
de dood. Het ligt in Gods macht voor ieder mens de wedergeboorte in Christus
te bewerkstelligen en hem zo het leven weer te geven. Die persoonlijke
wedergeboorte “in de heerlijkheid” is zonder precedent in de antieke religie,
al kende die wel de ideeën van een onsterfelijke ziel opgesloten in een
sterfelijk lichaam, en van de zielsverhuizing en reïncarnatie..


De openbaring: het Woord Gods. Verder is van belang de idee van
een rechtstreeks door God geopenbaarde waarheid, met name in de lering
van Christus, de mensgeworden God. Het kan dan ook niet dulden dat iemand
het Woord Gods in twijfel zou trekken: dat is godslasterlijk. Het christendom
ziet zichzelf als de unieke verdediger van een waarheid die iedereen verplicht
is te aanvaarden. Uit die houding kwam aanvankelijk een grote vijandschap
tegenover de filosofie naar voor, en achterdocht voor alles wat naar intellectuele
verfijning en geschooldheid in de antieke denkwereld zweemde. Omgekeerd
beschouwden de klassieke intellectuelen het christendom als een barbaarse
bedoening.


Neoplatonisme: de brug tussen christendom en klassieke filosofie.
De klassieke wijsbegeerte bevatte echter een aantal elementen die zich
vrij gemakkelijk tot een christelijke reïnterpretatie leenden, en bovendien
waren die idealistische, mystieke en spiritualistische tendensen sterk
benadrukt in het neo-platonisme. De belangrijkste vertegenwoordiger, PLOTINUS
(Egypte 205-Rome 270), genoot te Rome een hoog aanzien en een grote populariteit.


De christelijke apologetiek. In dit geestesklimaat kon de christelijke
apologetiek (verdediging en rechtvaardiging van het christelijk geloof)
erin slagen het christendom een intellectuele respectabiliteit te geven
en te verspreiden onder de hoogste klassen van het Romeinse Rijk. Die
apologetiek was vooral het werk van JUSTINUS (100-165), TERTULLIANUS (160-220),
CLEMENS (gest. 217) en ORIGENES (184-254).


Orthodoxie. Tevens droegen deze vroege kerkvaders bij tot de versteviging
van de dogmatische eenheid van de Kerk tegen de secten. Dat deden ook
andere kerkvaders als IRENAEUS (gest. 202) en CYPRIANUS (200-258). De
patristiek wordt echter gedomineerd door de figuur van AUGUSTINUS (zie
hieronder).


Geloof in christelijke zin.> Het woord ‘geloof’ heeft een aantal misleidende connotaties. In
het gewone taalgebruik komt ‘geloven’ meestal voor als synoniem voor ‘menen':
‘Ik geloof dat het boek uit de handel genomen werd’, ‘Zij geloven dat
AIDS helemaal niet door een virus wordt veroorzaakt’. Noteer echter dat
de voor ons relevante betekenis vertaald wordt als faith (Engels),
foi (Frans), fides (Latijn). De grondbetekenis van ‘geloof’
in ‘christelijk geloof’ is inderdaad trouw (aan God), vertrouwen
(op God). Etymologisch komt ‘geloof’ van dezelfde stam als ‘lief’ (cf.
Engels: to love, to believe). Geloven is liefhebben – God
is Liefde. In die zin is de kern van het geloof veel meer een levenshouding
dan een aanvaarding van bepaalde dogma’s (Grieks: dogma, mening,
leerstelling Latijn: docere, onderwijzen). Verwarring van de twee
betekenissen geeft vaak aanleiding tot misverstanden. Voor de geschiedenis
van de Kerk is het streven naar dogmatische eenheid van het grootste belang.
De Kerk streefde naar een afdwingbaar monopolie met betrekking tot de
geestelijke ambten en de religieuze vorming zij maakte er aanspraak op
de enige geldige bemiddelaar te zijn tussen mens en God. De economische
waarde van dat monopolie blijkt uit de rijkdommen die de Kerk in haar
schoot wist te verzamelen. Het bleef gehandhaafd zolang zij zich als een
onmisbare partner voor het politieke gezag kon handhaven.>


De fundamentele politieke gelijkheid der mensen. In het christendom
krijgen de mensen een individuele waarde die niet langer bepaald wordt
door hun toevallige omstandigheden en posities in de samenleving. Allen
zijn zij schepselen van dezelfde god, afstammelingen van hetzelfde ouderpaar,
broeders en zusters in de meest letterlijke betekenis. Daar ligt een pool
van het christelijke denken die het in de richting van de gelijkberechtiging
van alle mensen leidt. Daarmee is niet gezegd dat de betekenis van de
mens in het vroege christendom erg verheven is: de leer van de erfzonde
zou eeuwenlang het centrale punt van de christelijke mensleer blijven.
Als aan de mens waarde en waardigheid toekomen, dan alleen omdat hij een
schepsel Gods is; wat eigen is aan de mens, is de zonde. De straf voor
de zonde (“de hel”) is het enige waar de mens uit zichzelf recht op heeft.
Het uitzicht op “de hemel” is een kwestie van genade – een gunst, geen
recht. Humanistische tendensen zijn in het vroege christendom nauwelijks
aanwezig.


Augustinus (354-430)


Erkenning van het christendom in Romeinse
Rijk


337 Keizer Constantijn de Grote gedoopt op zijn sterfbed

354 Geboorte van AUGUSTINUS in Thagaste, Noord-Afrika

361 Keizer Julianus de Afvallige poogt heidendom te herstellen

370 Begin van het monnikenwezen in Europa (Martinus van Tours)

375 De school van Cappadocië (Basilius van Caesarea, Gregorius van Nyssa)


387 Augustinus gedoopt door de bisschop van Milaan, Ambrosius



Terminale crisis van het Romeinse Rijk in het Westen

395 Verdeling van het Romeinse Rijk in onafhankelijke Oostelijke en Westelijke
delen; Augustinus bisschop van Hippo (Noord-Afrika)

397 Johannes Chrystosomus, eerste patriarch van Constantinopel

400 Latijnse Bijbelvertaling (de zgn. Vulgata) van Hieronymus

410 Verwoesting van Rome door Alarik de Visigoot; Augustinus begint aan
Civitas dei

430 Dood van AUGUSTINUS

455 Rome geplunderd door Vandalen

476 Germaans aanvoerder Odoaker zet laatste Westromeinse keizer af

524 Terechtstelling van Boethius, vooraleer hij zijn plan alle werken
van Plato en Aristoteles in het Latijn te vertalen kon uitvoeren.

>


Strijdende kerk. AUGUSTINUS, zoon van een christelijke
moeder en een niet-christelijke vader, had een grondige kennis van de
antieke wijsbegeerte (Cicero, neo-platonisme). Op 32-jarige leeftijd,
onder invloed van AMBROSIUS, bisschop van Milaan, bekeerde hij zich tot
het christendom. Hij werd een der vurigste en meest militante verdedigers
van het christelijke geloof. Hoewel de Romeinse keizers sedert de bekering
van Constantijn, met uitzondering van Julianus Apostata (=de Afvallige,
361-363), christenen waren, bleef de ‘heidense cultuur’ voortleven. Augustinus
behoorde nog tot de ‘strijdende kerk’, die geenszins van haar plaats in
de wereld verzekerd was. Kort na zijn terugkeer naar Noordafrika werd
hij bisschop van Hippo, in 395. De rest van zijn leven wijdde hij aan
prediking, administratie van zijn bisdom, en bestrijding van heidense
en onorthodoxe geloofsopvattingen.



0.1 Augustinus>


Ondergang van het Romeinse rijk. Het leven van Augustinus valt
samen met de laatste decennia van het Romeinse rijk in het westen. In
395 was het Romeinse rijk uiteen gevallen in een westelijk en een oostelijk
deel. Het Oostelijke (Byzantijnse) rijk zou tot in 1453 standhouden. Maar
het Westelijke Rijk ging vrijwel onmiddellijk ten onder. Ter verdediging
van het Italiaanse grondgebied werden de troepen aan de Rijn teruggeroepen.
Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor massale volksverhuizingen: Germaanse
volksstammen zwermden uit over Gallië. Rome werd gedwongen allerlei bondgenootschappen
aan te gaan met de Germaanse legerleiders, die een steeds belangrijker
rol in de verdediging van het rijk gingen spelen. Onder leiding van Alarik
vielen in 410 de Visigoten Rome binnen, en plunderden de stad. In 429,
één jaar voor de dood van Augustinus, staken de Vandalen van Spanje naar
Afrika over. In 455 wordt Rome door de Vandalen geplunderd. In 476 wordt
Romulus Augustulus, de laatste Westelijke keizer afgezet. De Germaanse
huurlingenaanvoerder Odoaker neemt de macht over, maar er worden geen
inspanningen meer gedaan het centrale gezag van Rome te handhaven.


Deze gebeurtenissen hebben een grote invloed gehad op Augustinus. Hij
zocht een verklaring voor de ondergang van de Romeinse staat in een doorwrochte
christelijke geschiedenisfilosofie (uitgewerkt in het monumentale De
Civitate Dei).


Werken. Zijn voornaamste werken zijn: “Tegen de academici”, “Over
de vrijheid van de wil”, “Over de drieëenheid”, “Belijdenissen” (een
intellectuele en religieuze autobiografie, uit 400), “Over de Godsstaat”
(De Civitate Dei, 413-427)


Invloed. Zijn invloed op de geloofsleer was enorm. Zijn verdediging
van de suprematie van het christendom t.o.v. alle heidense leerstellingen
en filosofieën werd eeuwenlang zonder meer aangenomen. Zijn filosofische
ideeën leefden voort in de augustiniaanse stroming die de christelijke
middeleeuwse wijsbegeerte beheerste tot in de tijd van Thomas van Aquino.
Vooral de orde der Franciscanen bleef een bastion voor de augustiniaanse
geloofsopvatting. In de 15° eeuw werd Augustinus door vele hervormers
beschouwd als de autoriteit bij uitstek in hun strijd tegen de verwereldlijking
van de Kerk, en voor een herstel van de zuiverheid des geloofs.


Geloof en gezagsargumenten. In hoge mate negatief was zijn invloed
op de algemene kennistheoretische houding van het middeleeuwse christendom.
Het gezag van de Bijbel werd dermate geëxalteerd dat het boven elke rationele
kritiek kwam te staan. Weliswaar erkende Augustinus dat de klassieke,
‘rationalistische’ filosofie een deel van de Waarheid had ontdekt, maar
de hoogste waarheid, de Waarheid van het geloof, moest voor haar verborgen
blijven: de heilsgeschiedenis, uitgedrukt in het aardse leven, de dood
en de verrijzenis van Christus, kan niet beredeneerd worden. Die nadruk
op geloof en gezagsargumenten zou lange tijd obscurantistische tendensen
in het christelijke denken blijven voeden.


De rol van de wijsbegeerte voor de christenen


Geloven om te kunnen begrijpen. Aangezien alleen in God Waarheid
is, kan de mens alleen via God tot kennis en inzicht komen. Augustinus
was ervan overtuigd dat geloof een noodzakelijke voorwaarde is voor het
vinden van de Waarheid. Geloof in God zonder kennis van God was voor hem
echter niet voldoende. Maar die kennis kan alleen in een onmiddellijke
aanschouwing van God gerealiseerd worden: ze behoort dus niet tot deze
wereld. Evenmin volstaat een geloof in God zonder een goed begrip van
de Heilige Schrift, Gods Woord. Hier vooral, in het vinden van de Waarheid
op basis van de Bijbel, heeft de wijsbegeerte haar taak te vervullen.
Zij vult aldus het geloof aan: zij wordt gedreven door de liefde tot God,
en richt de rationele en intellectuele vermogens van de mens op de Waarheid.
Aldus staat zij – meer theologie dan filosofie in de moderne zin van het
woord – volledig in dienst van een goed begrip van de geloofsleer.


Lichaam en geest. De invloed van Plato is merkbaar in de filosofische
opvattingen van Augustinus. Ook hij poneerde het bestaan van twee verschillende
“werelden”, de ene toegankelijk voor het intellect (de geest, de ziel),
en de andere zintuiglijk, kenbaar via de zintuigen (het lichaam). Waarheid
– ook met betrekking tot goed en kwaad – vindt men alleen in de eerste.
De geest is het hogere, leidende beginsel in de mens. Het lichaam heeft
alleen een ondergeschikte rol, als instrument van de geest.


Het kwaad als privatio. Begrijpen is een superieure vorm van zien.
De menselijke geest ziet waarheden in het licht van God. De idee van het
Goede was voor Plato het meest volmaakte kennisobject en tegelijkertijd
de bron van alle kennis geweest. Voor Augustinus kon niets anders dan
God zelf deze plaats bekleden. Maar omdat de mens vrij is, kan hij weigeren
of nalaten dit goddelijke licht te ontvangen: hij kan “in duisternis”
leven. Het is de wil die daarover beslist. Het is door zijn wil dat de
mens een moreel wezen is, verantwoordelijk voor de keuze tussen goed en
kwaad. Het kwade heeft echter geen eigen bestaansgrond: het is louter
afwezigheid (privatio) van het goede.


Zonde en genade


Gelukzaligheid in de liefde tot God. Gelukzaligheid bestaat in
het leven in overeenstemming met de Waarheid. “Niemand is gelukkig tenzij
hij alles heeft wat hij begeert en niets begeert wat niet goed is.” Ook
dit is een klassieke definitie. Maar Augustinus ontkent dat de mens op
eigen kracht de gelukzaligheid kan bereiken. De menselijke natuur is immers
belast door de erfzonde. En de zondaar leeft in duisternis. Voor Augustinus
bestond de gelukzaligheid in niets anders dan de liefde tot God – al de
rest is slechts relevant als een middel tot het uiteindelijke doel: de
aanschouwing van God.


Caritas. De deugd bestaat erin, zijn leven op de juiste wijze
te ordenen, en dus ook zijn begeerten. Zonder geloof is de deugd onmogelijk:
wie in al het geschapene niet het werk van de Schepper ziet zal niet in
staat zijn de ware bestemming ervan in te zien; hij zal de schepping eren
zonder te begrijpen dat eer aan God toekomt. De juiste begeerte is de
caritas, het begeren van God om Hem zelve, en van alle dingen in
de mate waarin ze de mens dichter bij God brengen. Het ondeugdelijke begeren
daarentegen is de cupiditas, waarin de middelen tot een doel op
zich worden.


Erfzonde. Overtuigd van de leer van de erfzonde, leerde Augustinus
dat alleen de goddelijke genade kan beslissen over de gelukzaligheid of
de verdoemenis van de individuele persoon. “Gelukzaligheid is het bewijs
van Gods genade; verdoemenis het bewijs van zijn gerechtigheid”: ieder
mens verdient de verdoemenis, wegens zijn zondige natuur, maar God kan
sommigen uitkiezen, en zo is de gelukzaligheid toch mogelijk.


Genade en geschiedenis. Aangezien de gelukzaligheid alleen via
Gods genade kan verkregen worden, kan de menselijke geschiedenis, op zichzelf
beschouwd, niet geïnterpreteerd worden als een geleidelijke opgang naar
God. De verlossing van de mens kan geen mensenwerk zijn. Men moet de menselijke
geschiedenis vanuit twee oogpunten beschouwen: als een menselijke geschiedenis,
geleid door menselijke behoeften en begeerten, en als een heilsgeschiedenis
waarin de goddelijke voorzienigheid tot uiting komt. Alleen op bepaalde
en beslissende keerpunten in de geschiedenis wordt haar relatie tot de
goddelijke voorzienigheid duidelijk: de uitdrijving uit het Paradijs,
het lijden, de dood en verrijzenis van Christus, en het Laatste Oordeel.


Wet, natuur en staat


Goddelijke en natuurlijke wet. Augustinus stelde de goddelijke
of eeuwige wet boven alles. Hij is de morele waarheid die God in zijn
schepping tot uitdrukking brengt. Deze waarheid is direct kenbaar door
het geopenbaarde woord van God, en indirect en onvolkomen door de stem
van het geweten. Dit geweten is echter geen subjectieve zaak. In zichzelf
vindt de mens alleen mysteries en twijfels: alleen God is waarheid. Het
oordeel van het geweten in het licht van de Goddelijke wet is de natuurlijke
wet. Zij zet de mens aan de vrede te zoeken.


[Civitas Dei, XX/12. De vrede als een natuurlijk gebod]


Dat de vrede zoet en allen dierbaar is, zal iedereen toegeven die de
menselijke verhoudingen en de menselijke natuur voor ogen houdt. Zoals
er niemand is die de blijdschap versmaadt, zo wil iedereen de vrede. Zelfs
de oorlogszuchtigen willen alleen maar via een overwinning tot een roemvolle
vrede komen… Voor de vrede worden dan ook de oorlogen gevoerd… Zij
is het doel van de oorlogvoering, maar de oorlog is niet het doel van
de vrede. Ook de opstandelingen die de rust verstoren waarin ze leven
willen vrede, de vrede namelijk die hun past… Zelfs rovers willen onderling
in vrede leven, om de vrede van anderen met des te meer vastberadenheid
en succes te kunnen aangrijpen… Zelfs de wilde halfmens, die de dichters
beschrijven, levend in zijn hol, waarvan de bodem steeds dampt van pasvergoten
bloed, wil niets anders dan vrede – zoals hij ook in vrede wil leven met
zijn eigen lichaam, want dan gaat het hem goed… En dat geldt evenzeer
voor de wilde dieren… Door de wet van zijn natuur gedreven zoekt de
mens de vrede, al is ze niet meer dan knechtschap.>


Vrede, de eerste wet van de natuur. Augustinus heeft het over
de vrede in de meest ruime betekenis van het woord. Zij is in de eerste
plaats een eis van de natuur zelf. Het vredesverlangen kenmerkt alles
wat is en leeft. Maar rechtvaardig is dit verlangen alleen wanneer het
gericht is op de door God gewilde orde. De ware vrede is de toestand waarin
alles geordend is zoals het hoort, de harmonie der dingen. De vrede is
dus de toestand waarin ieder heeft wat hem of haar volgens de goddelijke
voorzienigheid toekomt. De hoogste vorm van vrede voor de mensen is de
op God gerichte samenhorigheid van de mensen. Maar elke levenssfeer heeft
haar eigen vredestoestand. Zo is er de vrede van de ziel, van het lichaam,
en natuurlijk ook de vrede van de samenleving.


[Civitas dei, XIX/14. Geen vrede zonder gehoorzaamheid aan
God.]

Alle tijdelijke dingen zijn aldus in de wereldstaat op het genot van de
aardse vrede gericht, in de hemelstaat echter op het genot van de eeuwige
vrede… Maar omdat de mens een redelijke ziel bezit, stelt hij alles
wat hij met de dieren gemeen heeft in het teken van de vrede van de redelijke
ziel, zodat een geordende overeenstemming van kennen en handelen resulteert,
welke we de vrede van de redelijke ziel hebben genoemd. Om wille daarvan
moet hij wensen noch leed te dragen, noch door verlangens verontrust te
worden, noch in de dood ten onder te gaan. Maar de menselijke geest is
zwak opdat hij dan niet door zijn streven naar kennis tot verderfelijke
dwalingen vervalt, heeft hij de goddelijke belering nodig, die hij in
alle zekerheid gehoorzaamt, en ook de goddelijke ondersteuning, om in
vrijheid gehoorzaam te kunnen zijn. En aangezien de mens, zolang hij in
zijn sterfelijk lichaam verblijft, ver van de Heer zijn pelgrimstocht
voortzet, gaat hij in het geloof, niet in de aanschouwelijke kennis. Zo
moet dan elke vrede, die van het lichaam en die van de ziel, en die tussen
lichaam en ziel, gericht zijn op die vrede die de sterfelijke mens verbindt
met de onsterfelijke God; dan bezit hij de in het geloof gevestigde gehoorzaamheid
aan de Goddelijke wet. Nu leert de Goddelijke Meester voor alles twee
geboden: de liefde tot God en de liefde tot de naaste, waarin de mens
drie objecten van liefde ontmoet, God, zichzelf en de naaste, en wie God
lief heeft, zal ook niet dwalen in zijn eigenliefde. Daaruit volgt dat
hij ook de naaste, die hij behoort te beminnen als zichzelf – met andere
woorden zijn vrouw, kinderen, huisgenoten en in de mate van het mogelijke
alle andere mensen – de liefde tot God moet bijbrengen, en zich door hen
moet laten helpen in zijn liefde tot God. Dan zal hij alles gedaan hebben
wat in zijn mogelijkheden ligt om in vrede met alle mensen te leven, en
die vrede te genieten die bestaat in de goedgeordende eendracht. Deze
orde vergt niet alleen dat hij niemand schaadt, maar bovenal dat hij helpt
wie hij kan.>


Wie de vrede wil, moet de oorlog voorbereiden. De verheerlijking
van de vrede maakt van Augustinus geen pacifist. Zoals al wat leeft en
is, zo wil de zondige mens wel de vrede, maar hij zal die niet automatisch
bereiken. De door de ene gewenste vrede is niet de vrede die de andere
wenst. Het vredesverlangen leidt tot oorlog. Niet het vredesverlangen
per se rechtvaardigt de oorlogsdaden, maar het verlangen naar de juiste
of rechtvaardige vrede, de vrede die God dient.


De sociale natuur van de mens. De mensen willen in vrede samenleven.
Zij zijn van nature “sociale wezens”, niet in staat in afzondering te
overleven of enige mate van geluk te realiseren. De sociale natuur van
de mens omvat zowel de gemeenschap der mensen onderling als hun gemeenschap
met God. Die sociale natuur is geen historische toevalligheid: hij kenmerkt
de mens in zijn huidig bestaan, maar was ook al aanwezig voor de zondeval,
en zal ook behouden blijven wanneer de mens in de heerlijkheid van God
zal opgenomen worden. Maar als gevolg van de zondeval kan de mens niet
meer op zijn sociale natuur vertrouwen. Adam en Eva hebben met God gebroken
door hun ongehoorzaamheid – zij horen God niet meer toe. En Kaïn heeft
Abel, zijn broer, gedood; de noodzaak van samenleven staat vijandschap
en geweld niet in de weg. Waar er eenheid en consensus zouden moeten bestaan
ziet men enkel verdeeldheid en onenigheid. De breuk met God heeft de breuk
in de menselijke relaties ten gevolg, aangezien alle mensen op zich beschouwd
onvolledige wezens zijn die hun wezensvervulling slechts in die ene God
kunnen vinden.


De leer van de twee staten


De geschiedenisfilosofie van Augustinus. De breuk met God is het
begin van een louter wereldse geschiedenis van de mensheid. Maar voor
Augustinus, overtuigd van de waarheid van de Bijbel kon die geschiedenis
niet anders zijn dan een episode in een verhaal waarin God de hoofdrol
speelt, en dat zonder Hem geen enkele zin zou hebben. Hoe kan men de zin
van de menselijke geschiedenis verklaren? Die vraag was voor Augustinus
in de eerste plaats een vraag naar de rol van het Romeinse Rijk en zijn
verhouding tot het christendom.


Rome en het christendom. Augustinus’ interpretatie van de rol
van het Rijk in de geschiedenis van de mens betekende een radicale breuk
met de politieke opvattingen van de antieke wereld en van zijn onmiddellijke
christelijke voorgangers. Sedert de bekering van Constantijn hadden de
christenen het Romeinse rijk gezien als een wezenlijk onderdeel van het
goddelijke plan: de idee van het Heilige Roomse Rijk, de belangrijkste
drager van het geloof. In het licht van de nakende ineenstorting van het
Westelijke rijk zou een dergelijke vereenzelviging van geloof en politieke
organisatie allicht fataal geworden zijn voor het christendom zelf. Augustinus’
interpretatie ontkende die lotsverbondenheid, en maakte het daarmee ongetwijfeld
gemakkelijker voor de christenen de traumatische ervaring van het einde
van de Romeinse wereld te verteren. Rome was nu niet meer dan één van
de vele episoden in de menselijke geschiedenis, zonder wezenlijk belang
voor de ware heilsgeschiedenis.


De twee staten. Nu het Romeinse rijk niet langer kon gezien worden
als het eeuwige kader voor het verder verloop van de geschiedenis van
de mensheid tot aan het einde der tijden, moest Augustinus een alternatief
vinden. Hij vond dit alternatief in de tegenstelling tussen caritas
en cupiditas, dus in de fundamentele keuze die de mens moet maken.
Wijdt men zijn leven aan God, of keert men zich van hem af? Dient men
God of dient men zichzelf? Men kan de mensheid volgens dit criterium in
twee groepen of gemeenschappen onderverdelen: de gemeenschap der gelovigen
en de anderen. Voor de gelovigen is de geschiedenis niets anders dan de
aardse pelgrimstocht naar het uiteindelijke doel. De anderen hebben geen
doel buiten de geschiedenis.


[Civitas Dei, XIV, 1. Dood, genade en de twee staten.]


Zoals al gezegd wilde God alle mensen uit een enkeling laten voortkomen,
om het mensengeslacht niet alleen door een gelijke natuur maar ook door
een bloedverwantschap tot een gemeenschappelijk leven in vrede, eenheid
en eendracht aan een te sluiten. Ook hebben we gezegd dat de leden van
dit geslacht nooit hadden moeten sterven als niet het eerste paar… zich
door zijn ongehoorzaamheid de straf van de dood op de hals had gehaald.
Zo zwaar was de zonde die zij begingen dat daardoor de menselijke natuur
zelf verdorven werd, want zondigheid en doodsdwang gingen ook over op
hun nakomelingen. Zozeer zijn de mensen verknecht door de dood dat hun
verdiende straf allen in de dood zonder einde zou meesleuren, ware het
niet dat enkelen onder hen door toedoen van de overigens onverdiende Genade
van God daarvan gered worden. Ondanks alle uiterlijke verscheidenheid
van mensen op aarde, zijn er daarom toch niet meer dan twee soorten mensengemeenschappen,
die we, met de Heilige schrift, twee staten kunnen noemen. De ene bestaat
uit die mensen die volgens het vlees, de andere uit die welke volgens
de Geest willen leven. Met ieder van deze staten correspondeert een vorm
van vrede.>


De Godsstaat. De gelovigen vormen de hemelse staat (de Godsstaat
of civitas dei); de anderen de wereldse staat (civitas terrena).
De eerste zal aan het einde der tijden tot eeuwige zegening, de andere
tot eeuwige verdoemenis geroepen worden. Ondertussen zijn beide gemeenschappen
onscheidbaar vermengd. Ook de pelgrims hebben deel aan het aardse leven,
al zien zij dat alleen maar als een tijdelijke situatie. De kern van hun
gemeenschap is de Kerk, maar zij is, zolang ze nog van deze aarde is en
zich te midden van de wereldse staat bevindt, nog maar een voorafschaduwing.


De politieke samenleving. De augustiniaanse notie van de sociale
natuur van de mens heeft niets te maken met Aristoteles’ zoon politikon.
Het feit dat de mens in politiek georganiseerde samenlevingen leeft, waarin
gezag, heerschappij, dwang de in het oog springende beginselen van orde
zijn, is voor Augustinus veeleer een teken van de zondige natuur van de
mens. Zij bevestigen de ommekeer van alle waarden: de onderwerping van
de ene mens, niet aan God, maar aan de andere mens. In de staat dient
de mens de verkeerde meester. Maar tegelijkertijd dient de staat de vrede.
Hij is een kwaad dat een goed in zich draagt. Hij is aldus te begrijpen
als een straf voor de zonde. Op deze indirecte wijze heeft de staat dan
toch deel aan de goddelijke wet. Maar even duidelijk is dat de staat,
juist als straf, geen andere bestaansreden heeft dan het kwaad. In de
juiste orde der dingen – voor de zondeval, na de vestiging van Gods rijk
op aarde – is er voor de staat geen plaats.


[Civitas Dei Ibid. 15. Knechtschap als straf]

Dat is wat de natuurlijke ordening voorschrijft, en zo heeft God de
mens geschapen… Als redelijk wezen, geschapen naar het beeld van God,
zou de mens alleen over de redeloze natuur heersen, niet de ene mens over
de andere, maar de mens over de dieren… Daarmee heeft God laten verstaan
wat de natuurlijke ordening der Schepping voorschrijft, en ook wat de
verdiende straf voor de zonde is. De knechtschap immers is, zoals men
zal inzien, terecht het lot van de z

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Frank van Dun, topic: Rechtsfilosofie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.