vrijdag, 13 december 2002
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Rechtsfilosofie: IV. Crisis en overgang

Naar
Titelblad


Vanaf de 14° eeuw kwamen de spanningen de Kerk op de voorgrond. Toen
het pauselijk gezag in diepe crisis geraakte n.a.v. het Grote Schisma
gingen binnen de kerk stemmen op om het hoogste kerkelijke gezag bij het
concilie van de bisschoppen te leggen, dus bij de basis veeleer dan bij
paus. De meest vernietigende kritiek van de pauselijke positie kwam echter
uit het kamp van de Keizer. Marsilius van Padua ging zover de ondergeschiktheid
van de paus aan het wereldlijk gezag te poneren. Terloops legde hij de
grondslagen voor wat later de theorie van de volkssoevereiniteit zou worden.


In de 15° eeuw brak de Renaissance door. De humanisten, gewapend met een
nieuwe kennis van de Griekse Oudheid, stelden de autoriteit van de Kerk
openlijk ter discussie. Haar vrome doctrines werden nauwelijks nog ernstig
genomen. Het politieke gezag werd geanalyseerd in termen van menselijke
interacties en belangen (Macchiavelli, La Boétie). Als de politieke ordening
van de samenleving mensenwerk is, dan kunnen mensen ook een betere samenleving
creëren: de utopische literatuur bloeide op (Thomas Morus).



Maar de grootste crisis lag toch nog op het godsdienstige vlak. Luther
en Calvin konden breken met de kerk zonder hun “ketterij” met de dood
te moeten bekopen. In de oude augustiniaanse traditie streefden zij naar
een zuivering van het geloof (de reformatie). Met de steun van vele Duitse
en Noordeuropese vorsten kon Luther standhouden tegen de Kerkelijke reactie.
In eerste instantie betekende het protestantisme een steun voor het gezag
van de vorsten: het geloof was immers een zaak van het persoonlijke geweten,
en overigens was de vorst bevoegd, want “alle gezag komt van God”. Maar
de standpunten van het hervormde geloof gaven soms aanleiding tot een
radicaal afwijzen van alle wereldlijk gezag. Bovendien vormden in vele
landen de protestanten een minderheid. Hun leiders zagen zich gedwongen
doctrines van verzet tegen de katholieke vorst, of tenminste van verdraagzaamheid
en constitutionele beperkingen van de koninklijke macht te ontwikkelen.
In hun strijd tegen het absolutisme gaven zij vorm aan vele hedendaagse
ideeën over de staatsinrichting.

De contrareformatie steunde op de leer van Thomas van Aquino. De belangstelling
voor diens natuurrechtsleer droeg niet alleen vrucht in de strijd tegen
de hervormers, maar ook op het vlak van de internationale betrekkingen
– een heet hangijzer in die tijd waarin in Europa de nationale staten
volop in opkomst waren en de ontdekkingsreizen en eerste kolonisaties
de gehele wereld binnen de horizon van de Europese politiek brachten.
Veel meer dan hun protestantse tegenstanders hadden de Thomisten oog voor
de economische aspecten van de samenleving. Onder hun impuls kregen naturalistische
argumenten opnieuw een grote rol in de studie van het natuurrecht.

Het godsdienstige conflict mondde uit in langdurige en vernietigende godsdienstoorlogen.
De roep om een op godsdienstig vlak neutraal of verdraagzaam, maar overigens
sterk politiek gezag werd luider: de idee van een louter seculiere staat
onder leiding van een absolute monarch met onbeperkte wetgevende bevoegdheden
(Bodin). De leer van het soevereine gezag ging snel de politieke rechtstheorieën
beheersen, zowel bij de voor- als de tegenstanders van het koninklijk
absolutisme.

Dezelfde ambitie om godsdienstige conflicten te neutraliseren kwam tot
uiting in een nieuwe rationalistische opvatting van het natuurrecht: een
product van de wetenschappelijke rede, los van alle religieuze controversen
(Grotius). De wetenschap maakte zich klaar de theologie te verdringen
als de ultieme rechter in alle maatschappelijke, politieke en morele kwesties.


A. Crisis in de kerk


Synopsis. In de veertiende eeuw leek in Europa het einde van de
wereld nabij. Geplaagd door de pest en oorlogsgeweld, kregen de mensen
ook nog af te rekenen met een diepe krisis in de kerk (het schisma).
De wereldlijke machtsaanspraken van de paus werden het mikpunt van bekwame
polemisten in het keizerlijke kamp. Sommigen, zoals MARSILIUS van Padua,
gingen zover de paus ondergeschikt te maken aan de keizer. Maar Marsilius’
argumenten gingen die van een tijdgebonden polemiek ver te boven. Zijn
Defensor Pacis kondigde een nieuwe tijd aan in zijn positivistische
opvatting van het gezag en in de voorafschaduwing van de theorie van de
volksoevereiniteit.



Naar aanleiding van het schisma en de politieke afhankelijkheid van de
paus t.a.v. machtige vorsten kwam ook binnen de kerk een beweging op gang
om de macht van de paus ondergeschikt te maken aan die van de christelijke
geloofsgemeenschap vertegenwoordigd in het algemene concilie van de kerk.
Meer radicale hervormers, Wiclif in Engeland en Jan Hus in Bohemen, komen
in open conflict met de kerk. Zij zijn de onmiddellijke voorlopers van
de Reformatie die in de zestiende eeuw het christendom in twee splijt
(zie het volgende hoofdstuk).


Het einde van een wereld


Aftakeling van pauselijke macht

1303 Filips IV van Frankrijk neemt paus gevangen

1309 Pausdom onder controle van Franse koningen; pauselijke zetel overgebracht
naar Avignon

1323 Thomas van Aquino heilig verklaard

1324 MARSILIUS’ Defensor Pacis voltooid (anoniem gepubliceerd)


1328 Dynastie van de Valois in Frankrijk; Edward III, koning van Engeland,
maakt aanspraak op de Franse troon



De honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland

1328 Begin van de Honderdjarige Oorlog tussen Engelsen en Fransen:
inzet: de Engelse leengoederen in Westen en Zuiden van Frankrijk resulteert
in groeiend nationaal bewustzijn en economische uitputting aan weerszijden
van het kanaal

1346 Slag bij Crécy, overwinning voor de Engelsen; Calais in Engelse handen


1348 De ‘Zwarte Dood’ (builenpest) slaat voor de eerste maal toe, over
de jaren bezwijkt minstens een kwart van de bevolking in Europa

1356 Gouden Bul: bekrachtiging van de interne autonomie van de Duitse
vorsten t.o.v. de keizer, feitelijk einde van het Heilig Roomse Rijk;
in Italië volledige versplintering van politiek gezag

1356 Jean II, koning van Frankrijk, door Engelsen gevangen genomen

1356 Filips de Stoute wordt hertog van Bourgondië, Vlaanderen deel van
Bourgondië

1360 Boerenopstanden in Frankrijk (“Jacqueries”), bloedige onderdrukking


1363 Geboorte van Jean GERSON

1365 Onbetaalde soldatenbendes (“vrije compagnies”) terrorizeren de bevolking,
grote rol in dynastieke twisten en staatsvorming

1370 Schotland onder de Stuarts in opstand tegen Engelse leenheer



Schisma in de Kerk

1377 Schisma in de kerk: twee pausen (Urbanus VI, gesteund door Engeland,
en Clemens VII, gesteund door Frankrijk); verlies van geloofwaardigheid
voor de kerk

1377 Kerkhervormer John Wiclif (Oxford) ageert voor nationale kerk, los
van Rome en Avignon; boerenopstanden

1409 Concilie van Pisa: beide pausen afgezet, verkiezing van paus Alexander
V; resultaat: drie pausen

1417 Concilie van Konstanz: de drie pausen afgezet, verkiezing van Martinus
V; echter geen interne sanering van toestanden in de kerk



Einde van de honderdjarige oorlog

1422 Begin van de eindfase van Honderdjarige Oorlog; Noorden van Frankrijk
onder Engels bewind

1429 Jeanne d’Arc verdrijft de Engelsen uit Frankrijk; dood van GERSON


1431 Jeanne d’Arc op de brandstapel voor hekserij

1459 Rozenoorlog in Engeland (Lancaster tegen York) >


Oorlog en pest. De veertiende eeuw was in vele
opzichten het definitieve einde van de middeleeuwse wereld, in elk geval
van de illusies waarin de spraakmakende gemeenten van die tijd (ridders
en geestelijken) zich hadden gekoesterd. In opeenvolgende golven trok
de ‘Zwarte Dood’ (builenpest) door Europa, waarbij ongeveer één op vier
Europeanen aan de epidemie bezweek. Daarnaast woedde een lange ‘Honderdjarige’
oorlog tussen Engeland en Frankrijk, met als inzet de Engelse leengoederen
op het continent. In de opeenvolgende fasen van dat aanslepend conflict
werden niet alleen grote delen van het Franse grondgebied getroffen door
het oorlogsgeweld en de daarbij horende verwoestingen, ook de adel en
de steden leden zwaar onder de oorlogsinspanningen (mankracht, belastingen).
De economische gevolgen van de oorlogvoering gaven aanleiding tot boerenopstanden
die meestal bloedig onderdrukt werden, en tot de vorming van zogenaamde
“vrije compagnies”, rondtrekkende soldatenbendes onder leiding van charismatische
“kapiteins”. Deze stelden zich als huurlingen ten dienste van ambitieuze
heren in de vele feodale en dynastieke rivaliteiten, of namen er vrede
mee het land te plunderen indien zij geen betaald “emplooi” vonden. In
menig conflict gaven zij de doorslag. Vaak werden zij volledig geïntegreerd
in de uit de puinen verrijzende nieuwe machtsstructuren. De oorlog ging
gepaard met het invoeren van nieuwe wapens (o.a. de kruisboog, en het
buskruit) die de militaire rol van de zwaarbewapende (geharnaste) ridders
ondermijnden, en daarmee ook hun maatschappelijke positie en fiscale vrijstellingen.


Crisis van het pausdom. Ook het pausdom geraakte verwikkeld in
de allesbehalve heilige oorlogen van die tijd. De pauselijke zetel werd
overgebracht naar Avignon in Frankrijk. De paus werd aldus een factor
voor de politieke doeleinden van de Franse kroon. Toen de andere vorsten
in 1377 een tegenpaus aanstelden zakte het prestige van de paus naar een
dieptepunt. Het symbool van de christelijke eenheid verdween volledig
toen op een bepaald moment drie pausen tegelijkertijd hoofd van de ene
kerk beweerden te zijn. De pauselijke suprematie in de kerk werd ter discussie
gesteld door de voorstanders van een conciliaristische opvatting van het
gezag in de kerk: niet de paus, maar het concilie, als rechtstreekse vertegenwoordiging
van alle christelijke gemeenschappen, zou het ultieme gezag in de kerk
constitueren. Hoewel voorlopig nog zonder succes kregen kerkhervormers
(WICLIF in Engeland, Jan HUS in Bohemen) toch meer en meer aanhang. Millennaristische
bewegingen, geïnspireerd door het geloof in het einde van de wereld en
in de nakende wederkeer van Christus, begonnen zich meer en meer te roeren.
Sommige onder hen trokken plunderend en verkrachtend door het land. Zij
achtten zich de vertegenwoordigers van een nieuwe tijd, niet gebonden
door de wetten en zeden van de oude tijd (de zogenaamde antinomisten,
antinomos = tegen de wet).


Humanisten en hervormers. De ontreddering duurde tot in de vijftiende
eeuw. Op het intellectuele vlak had de crisis van de veertiende eeuw echter
heel wat brokken gemaakt. De behoefte aan nieuwe ideeën was groot. De
humanisten voorzagen slechts gedeeltelijk in die behoefte. Hun denkwereld
werd gedomineerd door een hernieuwde belangstelling voor de Oudheid. Die
belangstelling kon zich vrijer uiten, aangezien de bekommernis de antieke
wijsheid in het licht van de christelijke leerstellingen te bestuderen,
niet langer domineerde. Maar voor de minder intellectueel geïnteresseerde
lagen van de bevolking was precies een hervorming van de kerk en van het
geloof de sleutel tot een reconstructie van de wereld. De hervormers (reformatoren)
zouden uiteindelijk hun slag thuishalen, maar niet dan nadat zij de christelijke
wereld verscheurd hadden in twee vijandige kampen (katholieken en protestanten)
die voor een nieuwe golf van oorlogen zouden zorgen.


Marsilius van Padua (1275-1342)


Strijd tussen keizer en paus om het
gezag in Italië


1275 Geboorte van MARSILIUS van Padua

1303 Filips IV van Frankrijk neemt paus Bonifacius VIII gevangen

1309 Pausdom onder controle van Franse koningen; pauselijke zetel overgebracht
naar Avignon

1313 Marsilius, rector van de universiteit van Parijs

1322 Lodewijk van Beieren door de paus in de ban gedaan

1324 Defensor Pacis voltooid (anoniem gepubliceerd)

1326 Marsilius vlucht naar hof van Lodewijk van Beieren, nadat zijn auteurschap
bekend werd, raadgever aan het hof, neemt deel aan de (vergeefse) campagnes
van Lodewijk om Italië in zijn macht te krijgen; veroordeeld voor ketterij
door Johannes XXII

1342 Dood van MARSILIUS

>


Tegen de paus. De oppositie tegen de wereldlijke
macht van de Kerk nam nog scherpere vormen aan in het geschrift Defensor
Pacis van MARSILIUS van Padua. Daarin wordt niet alleen nadrukkelijk
gesteld dat de paus geen wereldlijk gezag toekomt, maar ook dat hem geen
geestelijk oppergezag toekomt: de kerk is een wereldlijke aangelegenheid
die onder de controle moet staan van de keizer. Deze vertegenwoordigt
als hoogste politieke gezagdrager het gehele volk en dus ook alle gelovigen.
Met deze doctrine opende Marsilius de weg naar een volstrekt seculiere
opvatting van het gezag.


Overgang naar moderne ideeën. Marsilius zit op de grens tussen
de middeleeuwse en de moderne wereld. Enerzijds is de basis van zijn theorie
nog altijd de filosofie van Aristoteles: het natuurlijke doel van al het
menselijke handelen is het, in de volle zin van het woord, goede leven.
Dit is het ultieme criterium van rechtvaardigheid, dat in het bijzonder
het politieke handelen moet leiden.


Positivistische gezagsopvatting. Anderzijds zet Marsilius een
belangrijke stap op de weg naar een louter positivistische opvatting van
het gezag. Anders dan de natuurrechtsdenkers ziet Marsilius de bestaansvoorwaarden
van de samenleving niet zozeer in de handhaving van een pre-legale natuurlijke
orde. Wel noodzakelijk is de handhaving van een wettelijke orde, op effectieve
wijze afgedwongen door het wereldlijke gezag. Het doet er daarbij niet
toe, of die wetten berusten op ware kennis van de samenlevingsvoorwaarden
(rechtvaardigheid en welvaart). Orde per se is noodzakelijk, maar overigens
doet het er niet toe welke orde. Belangrijk is dat orde als voorwaarde
heeft de eenheid van gezag.


Marsilius neemt daarbij aan dat de keizer gebonden is door de wetten
van het volk dat als geheel de drager is van alle wereldlijk gezag. Dit
democratisch beginsel was echter tegen de paus gericht, veel meer dan
tegen de keizer. De staat is als het ware per se democratisch, aangezien
het gezag van de keizer alleen een wereldlijke, politieke basis heeft.
Het belangrijkste argument is, dat mensen toch alleen maar gehoorzamen
aan wetten waarmee ze zelf instemmen.


Soevereiniteit berust bij het volk. Hieruit zou de idee groeien
dat de vorst zich niets hoeft aan te trekken van morele principes en andere
typisch christelijke waarden: hij is geen verantwoording verschuldigd
aan God, maar (in een abstracte zin) aan het volk. Hoewel Marsilius de
toestemming van het volk nog niet formaliseert in de idee van een sociaal
contract, is zij bij hem toch een essentiële factor in de politieke machtsverhoudingen.
Een andere idee die uit zijn theorie zou kunnen afgeleid worden is, dat
effectieve macht zichzelf rechtvaardigt. Immers, als effectieve macht
alleen kan met de steun van het volk, dan is zij zelf het bewijs dat die
steun gegeven wordt, d.w.z. dat het volk instemt met het gevoerde beleid.


Invloed op reformatie. De politieke ideeën van Marsilius van Padua,
in het bijzonder deze die de gemeenschap der gelovigen als hoogste gezag
in de kerk voorstelden (boven de paus) hebben grote invloed gehad op de
vroegere reformatoren, zoals Wiclif en Hus. Hun hervormingsbewegingen
hadden echter geen onmiddellijk gevolg. In een minder extreme vorm zouden
Marsilius’ opvattingen over het gezag in de kerk opnieuw opduiken in de
geschriften van de conciliaristen (verdedigers van het primaat van het
concilie als hoogste vertegenwoordiging van het kerkelijk gezag) naar
aanleiding van het schisma van 1377. Later werden zijn ideeën ook toegepast
op het wereldlijke gezag, in het bijzonder ter bestrijding van het koninklijke
absolutisme.


De conciliaristen


Toen in 1377 het schisma de kerk in een diepe crisis dompelde herleefde
de oude gedachte dat niet de paus, maar het concilie de ultieme leiding
over de kerk zou moeten hebben. Die gedachte was lange tijd door de ambitieuze
pausen onderdrukt, maar bleef toch voortleven in de aanhoudende kritiek
(ook binnen de kerk) op de rol van de paus als kerkelijk en wereldlijk
leider. De voornaamste proponenten van de conciliaristische gedachte waren
de theologen JEAN DE GERSON en NIKOLAS VAN KUËS (ook Cusanus
genoemd, 1401-1464).


Jean Gerson (1363-1429)


Crisis in de kerk. GERSON, rector van de universiteit van Parijs
in 1395, was een van de laatste grote middeleeuwse denkers. Bij hem vindt
men zowel thomistische als Ockhamistische invloeden terug. Tegelijkertijd
is hij in vele opzichten een vernieuwer. Hoewel vooral bekommerd om de
crisis in de kerk, ontwikkelde hij argumenten die bedoeld waren voor alle
politieke gemeenschappen, wereldlijke zowel als geestelijke.


De theorie van de twee zwaarden. Zijn definitie van een politieke
gemeenschap is deze van Aristoteles: het is een societas perfecta –
een geordende samenleving, waaraan niets ontbreekt, en die bijgevolg
ook geen behoefte heeft aan iets buiten haarzelf. Autarkie en onafhankelijkheid
zijn haar essentiële kenmerken. Een onmiddellijke consequentie is,
dat de wereldlijke politieke gemeenschappen (vorstendommen) hun eigen
gezag hebben, waarin geen plaats is voor enige hogere kerkelijke jurisdictie.
Kerkelijk en wereldlijk gezag zijn derhalve strikt gescheiden, maar overigens
nagenoeg volledig analoog. Beide hebben weliswaar hun eigen dwangmacht
(“zwaard”), maar kunnen die alleen op hun eigen domein aanwenden, de kerk
ter vrijwaring van het orthodoxe geloof, de vorst ter vrijwaring van de
rust en orde. Het enige verschil is, dat de kerk rechtstreeks door Christus
werd ingesteld, terwijl de wereldlijke gemeenschappen hun oorzaak hebben
in de zondige natuur van de mensen. De zondige natuur belet de vreedzame
coëxistentie. De mensen hebben echter met de zonden leren leven. Zij hebben
in het wereldlijk gezag de middelen gevonden om een relatieve vrede en
orde te handhaven.


Gezagdragers zijn vertegenwoordigers. In elke politieke gemeenschap
berust het gezag bij de lichamen die de gemeenschap vertegenwoordigen.
In de Kerk is dat het concilie, waarin alle delen van de christelijke
geloofsgemeenschap door hun bisschoppen vertegenwoordigd zijn. In de wereldlijke
rijken komt het fundamentele gezag aan de representatieve vergaderingen
toe. Vorsten, in de kerk of daarbuiten, zijn slechts aangestelden die
om praktische redenen nodig zijn. Zij hebben geen eigen oorspronkelijke
recht over de gemeenschap, aangezien dat recht onvervreemdbaar bij de
gemeenschap zelf blijft.


Gezag als mandaat. Met deze opvatting keert Gerson zich tegen
de traditionele interpretatie van de Lex Regia (“wettelijke grondslag
van het koninklijk gezag”). Deze was dat de volksgemeenschap weliswaar
de oorspronkelijke houder van alle gezagsrechten was, maar daarvan afstand
had gedaan in handen van de vorst. Gerson ontkent dat er afstand is gedaan
er is alleen sprake van een herroepbare delegatie. Het koninklijk gezag
berust derhalve niet om een onvoorwaardelijke onderwerping van het volk,
maar op de plichtsgetrouwe uitoefening van het mandaat dat hem wordt toevertrouwd.


Subjectief recht. Onder invloed van de nominalistische en voluntaristische
theologie van Scotus en Ockham ontwikkelde Gerson zijn ideeën niet in
de teleologische termen van een vastgestelde orde der dingen waarop alle
strevingen van nature gericht zijn (in de zin van Aristoteles of Thomas),
maar van een uitoefening van de aan elk subject eigen vermogens (eigenschappen,
eigendommen). Hier zien we het begin van een theorie van de subjectieve
rechten of rechtmatige vermogens die driehonderd jaar later op de voorgrond
van het politieke en juridische denken zou treden. Gerson beriep zich
op deze theorie om de stelling te ontkrachten, als zou de vorst enig eigen
recht (eigendomsrecht) op de zaken van de gemeenschap kunnen laten gelden.



B. HuManisme, Reformatie en Contrareformatie


Synopsis. In de vijftiende en de zestiende eeuw krijgt het nieuwe
ideeëngoed vaste vorm in twee verwante, maar uiteindelijk fundamenteel
anders georiënteerde stromingen: het humanisme en de reformatie.
Hun verwantschap komt tot uiting in hun vlijmscherpe kritiek op de Kerk
van Rome. Maar terwijl de humanisten teruggrijpen naar het antieke (vooral
hellenistische) verleden, blazen de hervormers het augustiniaanse christendom
nieuw leven in. Behalve door de Reformatie wordt de zestiende eeuw echter
vooral getekend door de doorbraak van het vorstelijk absolutisme.
Bijna overal in Europa slagen de vorsten erin de standen (adel, geestelijkheid
en burgerij) en hun vergaderingen onder controle te krijgen of zelfs politiek
uit te schakelen. Tot in de achttiende eeuw blijft de vorst dan ook de
centrale figuur in de politieke wijsbegeerte.



Humanisme. Behalve kritiek op de kerk hebben de humanisten een
verscheiden literatuur voortgebracht waarin de situatie van de mens in
bijna zuiver seculiere termen wordt belicht. Op het politieke vlak had
geen humanist meer invloed dan Niccolo MACCHIAVELLI, wiens Il Principe
nog altijd geldt als het meest beroemde en beruchte voorbeeld van een
machtspolitieke analyse. Andere humanisten gingen een andere, utopische
toer op. Thomas MORUS’ Utopia hield zijn tijdgenoten het beeld
van een ideale samenleving voor die in bijna alle opzichten de ontkenning
was van de heersende toestanden. Waren vele humanisten gewonnen voor een
sterk en aan elke kerkelijke controle onttrokken wereldlijk gezag, de
grondtoon van hun werk was emancipatoir, gericht op een bevrijding van
de mens van alle waandenkbeelden door inzicht in de menselijke situatie.
ETIENNE DE LA BOÉTIE onderzocht de absurditeit van de “alleenheerschappij”,
het geloof dat één man een land kan regeren alsof hij met bovennatuurlijke
gaven begiftigd zou zijn. La Boétie vond de verklaring voor het verschijnsel
in processen die geenszins specifiek zijn voor de alleenheerschappij:
corruptie en coaltievorming.



De Reformatie. In de zestiende eeuw lanceerde Martin LUTHER de
eerste succesvolle hervormingsbeweging. Nog tijdens zijn leven hebben
vele vorsten, vooral in Noord-Europa, zich achter de Lutherse stellingen
geschaard. Luther keerde zich vanuit een augustiniaans standpunt tegen
de wereldlijke tendensen in de kerk. Hij deed een beroep op de vorsten
om het ware geloof te verdedigen. De verinnerlijking van het geloof en
het beroep op de wereldlijke machten zijn de oorzaak van de politieke
dubbelzinnigheid van de Reformatie: enerzijds een doctrine van passieve
gehoorzaamheid, gebaseerd op de Pauliniaanse leer van het gezag, en anderzijds
de idee van een plicht tot opstand tegen geloofsvijandige (katholieke)
vorsten. Een poging tot verzoening van beide standpunten leidde tot een
merkwaardige theorie van de rol van de “lagere magistraten” als de behoeders
van het geloof en vertegenwoordigers van het volk.



Onder impuls van Jean CALVIN worden de reformatorische standpunten in
een veel meer juridische vorm gegoten. Het geloof bleef echter de politiek
domineren. In de protestantse burchten leidde dit tot een theocratische
opvatting van de staat als een instrument van het geloof. In de landen
waar de protestanten in de verdrukking werd geijverd voor religieuze verdraagzaamheid,
of voor een breed front tegen het katholieke absolutisme (o.a. bij de
monarchomachische Hugenoten in Frankrijk).



Deze pogingen leidden op hun beurt tot een vermenging van louter religieuze
met traditionele constitutionalistische en natuurrechtelijke argumenten.
Ook de idee van de individuele subjectieve mensenrechten duikt hier op.
Geleidelijk ruimen aldus de godsdienstige elementen de baan voor meer
humanistische en naturalistische.



De Contrareformatie. Ook in de katholieke landen werd het vorstelijke
absolutisme met argwaan bekeken, vooral als een bedreiging voor de eenheid
van de kerk. Hoofdbekommernis van de Contrareformatie was uiteraard de
bestrijding van de Lutherse en Calvinistische ketterijen (o.m. door instelling
van de Inquisitie), maar de aangevoerde argumenten hadden een betekenis
die de zuivere geloofskwesties ver oversteeg. Zij werden vooral aangeleverd
door de voorstanders van een thomistisch réveil, waarin de Spaanse Jezuïeten
spoedig het voortouw namen. Het eerherstel voor de (aangepaste) natuurrechtsleer
van Thomas luidde een periode in van grote vitaliteit op rechtsfilosofisch
vlak. Langzaam aan begonnen zich de contouren af te tekenen van noties
als universele mensenrechten en van het internationale recht als het recht
van de universele “statengemeenschap”.


De humanisten


Boeken, reizen, en absolute vorsten


1450 Boekdrukkunst (Gutenberg, te Mainz)

1453 Constantinopel door Turken ingenomen, einde Byzantijnse (Oostromeinse)
keizerrijk

1461 Louis XI onderwerpt de grote vazallen, begin van koninklijke opperheerschappij
in Frankrijk

1469 Geboorte van MACCHIAVELLI

1473 Geboorte van Copernicus (“Aarde draait rond de zon”)

1477 Dood van Karel de Stoute, hertog van Bourgondië; Bourgondië ingelijfd
bij Frankrijk onder Louis XI, versterking koningschap

1478 Geboorte van Thomas MORUS

1483 Geboorte van Martin LUTHER; Bartolomeo Diaz zeilt om Kaap de Goede
Hoop (Afrika)

1485 Engelse koning Richard III van York verslagen bij Bosworth door Hendrik
Tudor; begin van de Tudor-dynastie in Engeland, versterking koningschap


1492 Columbus ontdekt Amerika

1498 Vasco da Gama bereikt Oost-Indië

1500 Cabral ontdekt Brazilië (Portugal)

1509 Hendrik VIII op Engelse troon, absolutisme in Engeland; geboorte
van Jean CALVIN

1516 Keizer Karel V voert koninklijk absolutisme in in Spanje (als Karel
I van Spanje)

1519 Cortez verovert Mexico (Spaanse Conquista)

1519 Magelhaes vertrekt voor eerste zeereis rond de wereld

1527 Dood van MACCHIAVELLI

1529 Turkse opmars naar het Westen; Sultan Soleiman voor Wenen tot staan
gebracht

1530 Geboorte van Etienne de LA BOÉTIE

1534 Hendrik VIII, na breuk met Rome, hoofd van de nationale anglicaanse
kerk; paus erkent Societas Jesu (Jezuïetenorde, gesticht door Ignatius
van Loyola); begin Contrareformatie

1535 Dood van Thomas MORUS, terechtgesteld door Hendrik VIII, wegens verzet
tegen godsdienstpolitiek

1559 Regering van regentes Catharina de Medici, na dood van echtgenoot
Hendrik II van Frankrijk; conflict met Hugenoten

1563 Dood van Etienne de LA BOÉTIE >


Macchiavelli (1469-1527)


Il Principe. Niccolo MACCHIAVELLI was een ambtenaar in
de stadsregering van Firenze en een echte humanist (kenner van de Oudheid,
talentrijk literator). Hij liet de vraag naar de rechtvaardiging van de
heerschappij terzijde liggen en vestigde de aandacht op het pure machtsfeit.
De strijd om, en het behoud van de macht zijn de enige doelen die in de
politiek tellen. Een sterke staat is een goede staat, want alleen een
sterke staat kan het gevaar van wanorde en onzekerheid afwenden. De idee
achter deze opvatting is dat er geen groter kwaal is dan een door een
politieke machtsstrijd verscheurde gemeenschap. Dat is de Marsiliaanse
grondgedachte (zie IV.A) die Macchiavelli in zijn boekje Il Principe
(“De Vorst”) op een wel heel krasse manier uitwerkt. De macht rechtvaardigt
zichzelf, hoe sterker de staat hoe beter voor de vorst en voor zijn onderdanen,
dus voor iedereen.


Schijn en werkelijkheid in de politiek. De opvattingen van Macchiavelli
wekten veel schandaal. Hij leek de vorsten de raad leek te geven, “te
schijnen, wat zij niet zijn”, want “het volk oordeelt met de ogen, en
niet met het verstand”. Zo zou een vorst in de ogen van de mensen rechtvaardig
en vroom en goedhartig moeten lijken, maar in werkelijkheid een koele
berekenaar moeten zijn die geweld en wreedheid niet schuwt, als dat zijn
ambities ten goede komt. De heerser moet het volk beschouwen als een dom,
maar potentieel gevaarlijk dier. Hij moet beseffen dat het volk niet meer
vraagt dan dat het met rust gelaten wordt. In dat geval is er weinig dat
de vorst niet van het volk gedaan zal krijgen, als hij maar genoeg aanzien
en prestige heeft. Maar wee de vorst die het bij het volk verkerft: het
zal hem afschudden zoals een woest rijdier zijn berijder, en zich gewillig
overleveren aan een andere leider die het wel weet te paaien. Regeren
is de kunst het volk zoet te houden, opdat de vorst zich met des te meer
aandacht zou kunnen toeleggen op het bestrijden van zijn echte vijanden,
zijn politieke rivalen in de strijd om de macht.


Bij dit alles past het te bedenken dat Macchiavelli in zijn boekje uitdrukkelijk
de vraag wilde beantwoorden, hoe iemand de politieke macht kan verwerven
en behouden. Hij profileerde zich aldus als een ‘politiek consulent’ eerder
dan als een politiek filosoof.


Politieke rivaliteit en machtspolitiek. Voor Macchiavelli was
ook duidelijk dat politiek bedrijven een allesopslorpende bezigheid is.
Wie meent dat macht een middel is, waarmee men andere doelen kan bereiken,
komt bedrogen uit. De heerser die het verwaarloost voortdurend zijn machtspositie
te versterken zal spoedig ontdekken dat zijn macht verdwenen is. In een
context waar het bezit van de politieke macht niet verzekerd is, en waar
er verschillende rivaliserende partijen zijn, kan de ambitieuze politicus
niets anders dan de macht als een doel op zich beschouwen. Zijn rivalen
zullen immers elke verslapping van zijn aandacht uitbuiten, en daarbij
niet aarzelen alle oorbare en onoorbare middelen (demagogie, verdachtmakingen,
geweld en bedrog, e.a.) te gebruiken. Dergelijke politieke conflicten
zijn onvermijdelijk zolang niet duidelijk is dat de machtspositie van
de heerser werkelijk onaantastbaar is. Zij leiden bovendien tot chaos
en onzekerheid, wat in niemands belang is. Bijgevolg is het in ieders
belang dat een sterke man orde op zaken stelt. Deze overwegingen vinden
we later terug als uitgangspunten van de politieke theorie van het absolutisme
(Hobbes, Spinoza).


Staatsraison. Machtspolitieke overwegingen kunnen dus niet genegeerd
worden. Zij zijn integendeel van doorslaggevend belang in de politieke
besluitvorming. Het doel heiligt de middelen. Uit deze opvatting
groeit de notie van de ‘staatsraison’, de idee dat omwille van de politieke
stabiliteit de heerser met recht en rede daden mag stellen die moreel
gesproken niet door de beugel kunnen.


Burgerdeugd. Macchiavelli was een man van de nieuwe tijd. Adel
en geestelijkheid zijn voor hem geen noemenswaardige acteurs op het politieke
toneel, tenzij als rivalen voor de heerser, dus als gevaren voor de goede
orde. De politieke gemeenschap is niet langer de middeleeuwse standenmaatschappij,
maar een gepolariseerde samenleving met de heerser aan de ene kant, en
het volk aan de andere. Tussen beide bestaat slechts een utilitaire band:
zij gebruiken elkaar. Deze polariteit laat twee mogelijkheden open. Ofwel
komt de orde in de samenleving voort uit een fundamentele eenheid van
het volk, verenigd in zijn burgerdeugd (het ideaal van de oude Romeinse
republiek toen haar macht nog op haar milities, en niet op huurlingen
en beroepssoldaten, berustte). Ofwel wordt de orde opgelegd door een sterke
heerser die daarvoor beloond wordt met prestige en fiscale macht. Het
ideaalbeeld van het oude republikeinse Rome beschreef Macchiavelli in
zijn Discorsi sopra la prima deca di Tito Livio (“Uiteenzettingen
over de eerste decade van Titus Livius”). Maar hij maakte zich geen illusies
over de kracht van het republikeinse ideaal in het verscheurde, twistzieke
Italië van zijn tijd. Laat het een ideaal zijn dat het verenigde volk
zijn leiders voortbrengt, de realiteit is, dat het de heerser is die het
volk tot eenheid, vrede en welvaart brengt.


Utopische literatuur


Morus: Utopia. Thomas MORUS (1478-1535), humanist en staatsman
onder Hendrik VIII, probeerde in zijn “Utopia” een verhalende beschrijving
te geven van wat hij een model-samenleving noemt. Utopia is een denkbeeldig
eiland waarover Morus tijdens een verblijf in Antwerpen hoort vertellen
door een al even ingebeelde reiziger. Gesticht door de wijze koning Utopus,
wordt Utopia gekenmerkt door een grote mate van godsdienstvrijheid. Daarnaast
heeft het een sterk gereglementeerde economie (productiequota, bevolkingspolitiek),
met nauwelijks enig privébezit, weinig gespecialiseerde arbeidsverdeling
(mensen werken om beurt als ambachtslieden en landbouwers) en geen geldverkeer
(goud wordt gebruikt om kamerpotten te maken). Het strafrecht wordt als
‘humaan’ voorgesteld, met verplichte arbeidsdienst (slavernij) in plaats
van lijf- en gevangenisstraffen. Overigens zijn er nauwelijks wetten,
aangezien iedereen er blijkbaar tevreden is met de gang van zaken. De
mensen leven sober, maar genieten van veel vrije tijd.


Utopia is in sommige opzichten vergelijkbaar met de ideale republiek
zoals Plato die schilderde in zijn boek Over de republiek. Dat
geldt in het bijzonder voor de idee dat elke ware gemeenschap noodzakelijk
op communistische leest moet geschoeid zijn, opdat niemand een motief
zou hebben om zijn eigenbelang te onderscheiden van het algemeen belang
van de samenleving. Dit communistische ideaal was ook al in de christelijke
politieke en sociale theorieën van de middeleeuwen verkondigd, en wel
met een gelijklopende motivering, zij het ook en misschien vooral als
uiting van misprijzen voor wereldse goederen en van lof voor de apostolische
armoede. Bij Morus, zoals bij Plato, wordt het echter gerationaliseerd
als een noodzakelijk structuurelement van elke goede en welvarende samenleving.


Campanella: De stad van de zon. Tomaso CAMPANELLA (1568-1639),
een Dominicaan afkomstig uit Calabrië, ontwierp in zijn Citta del Sole
(“Stad van de Zon”) een nog veel meer gereglementeerde samenleving, gewijd
aan de studie van de wetenschappen en de naastenliefde.


Een moderne versie van de antieke polis. Het voornaamste doel
van deze werken was het leveren van kritiek op de bestaande toestanden,
maar ze getuigden niet van een wetenschappelijke benadering, noch op het
vlak van het recht, noch op het vlak van de economie of de sociaal-psychologie.
Toch hebben ze een grote invloed gehad op de formulering van politieke
idealen. Die invloed werd vooral merkbaar in kringen van intellectuelen,
wier eruditie en wetenschap een centrale rol kregen toegewezen in de organisatie
van de utopische gemeenschap. De utopisten geven een interpretatie van
de in wezen conservatieve basisidee dat een goede samenleving beantwoordt
aan de eisen van eenheid en consensus in een kleine, gesloten en eendrachtige
gemeenschap. De goede samenleving is een kwestie van de juiste communistische
instituties, met sterke centrale controle over alle activiteiten. Daarbij
wordt gesuggereerd (zeker bij Campanella) dat het mogelijk is zo’n samenleving
ook effectief tot stand te brengen. De ideeën van de maakbare samenleving
en van utopian social engineering (de misprijzende term van Karl
Popper) worden gemeengoed. We zijn echter nog ver van de grootschalige
pogingen in de twintigste eeuw (Sovjet Unie, Chinese Volksrepubliek) om
ze in de praktijk te brengen.


Etienne de la Boétie (1530-1563)


Het raadsel van de alleenheerschappij. Etienne de LA BOÉTIE
was een vriend en beschermeling van MONTAIGNE (1533-1592), de schrijver
van de bekende Essais. Toen hij nauwelijks twintig was publiceerde
La Boétie een korte verhandeling onder de titel De la servitude volontaire
ou Contr’un (“Over de vrijwillige slavernij”). Deze verhandeling
was een scherpe humanistische analyse van het fenomeen van de alleenheerschappij
en het opkomend absolutisme. Hoe komt het, vroeg La Boétie, dat de mens,
die toch geen groter goed heeft dan zijn vrijheid, zich met zoveel overtuiging
overgeeft aan de onderdanigheid aan een meester? Hoe is het mogelijk dat
één man, die toch ook maar twee ogen, twee handen en twee benen heeft,
in staat is honderdduizenden, miljoenen mensen te regeren en naar zijn
pijpen te doen dansen?


Vrijwillige slavernij. De kracht en persoonlijke vermogens van
de alleenheerser kunnen het verschijnsel van de tirannie niet verklaren.
Deze vaststelling brengt La Boétie bij zijn centrale thesis: De oorzaak
en de kracht van het absolutisme ligt niet aan de top van de machtspiramide,
maar aan de basis. Er is tirannie en absolutisme omdat de mensen deze
dulden en aanvaarden. Mensen zijn knechten of slaven omdat zij dat willen
zijn. In de aanvang was er misschien wel een gewelddadige machtsgreep,
maar die kan alleen maar in een beperkte kring effect hebben gehad. De
berusting in die oorspronkelijke machtsgreep, versterkt door gewenning
aan het machtsfeit, heeft op termijn geleid tot een verandering in de
geesten. Mensen zijn gaan denken dat het zo hoort, dat de ene heerst terwijl
de anderen lijdzaam ondergaan. De berusting in de overmacht is overgegaan
in een toewijding aan de macht. Blind voor haar oorspronkelijke onrecht,
is men de heerschappij gaan vereren als bron van recht.


Medeplichtigheid en angst. Toch is de heerser in zichzelf machteloos,
een reus op lemen voeten. Zijn macht ligt in de bereidheid van anderen
hem te gehoorzamen. Als die bereidheid verdwijnt, dan verdwijnt ook zijn
macht. Het volstaat dat het volk de vrijheid wil opdat het die zou herwinnen.
Het is dus de afwezigheid van een wil tot vrijheid die de tirannie verklaart.
In plaats van die wil ziet men echter overal een slaafse onderwerping.
Deze berust, volgens La Boétie, op medeplichtigheid en angst.


Verdelen om te heersen. Het probleem voor de heerser is dat hij
zwakker is dan de verenigde krachten van zijn onderdanen. Maar het is
geen onoverkomelijk probleem. Het volstaat dat hij steeds sterker is dan
elk van zijn onderdanen en dan elke coalitie die in hun rangen zou kunnen
ontstaan. Daartoe moet hij een ‘verdeel en heers’-politiek toepassen.
Hij moet dus bestaande tegengestelde belangen uitbuiten of nieuwe tegenstellingen
creëren. In ruil voor een vergoeding of een tegenprestatie steunt hij
de enen tegen de anderen, waarbij hij er steeds voor zorgt dat degenen
die geen rechtstreeks belang bij die particuliere kwestie hebben een motief
hebben om zijn partij te steunen, althans niet tegen te werken. Dit kan
hij doen door hen te laten delen in de buit, of door hun zijn steun in
hun projecten te beloven. Door deze ‘verdeel en heers’-politiek op alle
niveaus van de samenleving toe te passen en te bevorderen, ontstaat een
piramidaal netwerk van leiders, ondergeschikten en volgelingen die allemaal
afhankelijk zijn van de heerser voor het behoud en de uitbreiding van
hun maatschappelijke status en voordelen. Door zich van de medeplichtigheid
van een meerderheid te verzekeren kan hij aldus elke groep en elk individu
voldoende angst inboezemen opdat zij zich zonder verzet naar zijn wil
zouden schikken. Zijn positie wordt onaantastbaar wanneer de mensen het
besef van hun medeplichtigheid en angsten verdringen en vervangen door
de idee dat zij een hogere plicht vervullen wanneer zij zich onderwerpen.


De realiteit van de heerschappij. Zoals Macchiavelli, zo begint
ook La Boétie zijn analyse bij de feiten en niet bij bespiegelingen over
de plichten van de burger of onderdaan. Wat hij ziet is de realiteit van
het politieke systeem: de uitbuiting, roof, knechting, het geïnstitutionaliseerde
geweld, de intimidatie. Hij wil verklaren hoe zo’n systeem kan bestaan,
en waarom mensen (en politieke theoretici) het met zoveel eerbied en ontzag
beschouwen. Tweehonderd jaar na de Contr’un verscheen in Frankrijk
Rousseau’s Du contrat social. Dat boek begint met de vaststelling
dat de mens vrij geboren is, maar zich overal in ketenen bevindt. Rousseau
is niet geïnteresseerd in de verklaring van deze toestand; hij wil alleen
onderzoeken onder welke voorwaarden hij legitiem zou kunnen zijn. Het
contrast met La Boétie is duidelijk. Voor La Boétie is wat om een verklaring
vraagt juist die wil om een rechtvaardiging te vinden voor wat evident
niet te rechtvaardigen is.


Invloed. De analyse van La Boétie heeft later veel invloed gehad
op anarchistische politieke theorievorming. Zij kan inderdaad gemakkelijk
uitgebreid worden naar alle vormen van heerschappij. Want alhoewel La
Boétie ogenschijnlijk alleen de alleenheerschappij in het vizier neemt,
toont hij aan dat deze in feite niet bestaat. Zelfs de zogenaamde
alleenheerschappij is een collectief verschijnsel, waarin tot uiting komt
hoe nagenoeg iedereen deelneemt in het spel van de macht en van de uitbuiting
van de medemens.


De reformatie


Begin van de reformatie

1483 Geboorte van Maarten LUTHER

1509 Geboorte van Jean CALVIN

1517 Luther maakt zijn ’95 stellingen’ (grieven tegen de misbruiken in
de kerk) bekend op de deur van de slotkapel te Wittenberg

1518 Zwingli begint reformatie in Zwitserland

1519 Luther breekt met Rome

1520 Luther zoek steun bij de Duitse vorsten in conflict met de paus over
toestanden in de kerk; idee van ‘reformatie van bovenaf’

1520 Wederdoper Thomas MÜNTZER predikt theocratisch communisme;


1521 Luther geëxcommuniceerd; veroordeeld op de Rijksdag te Worms door
Karel V (Edict van Worms); Duitse bijbelvertaling

1526 Eerste Rijksdag van Spiers: vorsten beslissen zelf over godsdienst;
boerenopstanden, o.l.v. Götz von Berlichingen, bloedig onderdrukt (met
instemming van Luther)

1529 Tweede rijksdag van Spiers: reformatorische vorsten protesteren tegen
uitvoering van het Edict van Worms)

1530 Rijksdag van Augsburg: geloofsbelijdenis van de protestanten

1531 Hendrik VIII van Engeland breekt met Rome, koning hoofd van anglicaanse
kerk; Scandinavische vorsten gaan over tot protestantisme

1533 Ivan IV de Verschrikkelijke, tsaar van Rusland

1534 Münster in handen van de Wederdopers onder Jan Matthys van Haarlem
en Jan Beuckelszoon van Leiden, experiment in theocratisch communisme,
terreur na mislukking, bloedige represaille

1534 Calvin vlucht uit Frankrijk naar Zwitserland

1536 Publicatie van Calvin’s Instituten van het christelijke geloof




Reactie van de katholieke vorsten: de godsdienstoorlogen

1540 Frans I, Edict van Fontainebeau: vervolging van protestanten

1541 Jean Calvin voert reformatie in te Genève; stadsbestuur in handen
van calvinisten; strenge religieuze controle op dagelijks leven

1545 Begin Concilie van Trente: sanering van de kerk, versterking pauselijke
macht, vaststelling van katholieke dogma’s

1546 Dood van LUTHER; verspreiding van protestantisme in Schotland, Polen
en Hongarije

1547 Edward VI, protestanten aan de macht in Engeland; instelling van
episcopale kerk; Keizer Karel V verslaat Duitse protestanten (de Schmalkaldische
Liga) te Mülhberg; Henri II, koning van Frankrijk, richt Chambre Ardente
op (uitzonderingsrechtbank voor vervolging van ketters)

1553 Mary (‘Bloody Mary’) op Engelse troon, herstel van katholicisme

1555 Godsdienstvrede van Augsburg: vorst bepaalt godsdienst (“wiens gebied,
diens godsdienst”)

1556 Filips II, opvolger van Karel I van Spanje; Spanje eerste macht in
Europa, grote culturele bloei, leider van de Contrareformatie: Spaanse
Inquisitie (politie-terreur tegen protestanten)

1557 Geboorte van Johannes ALTHUSIUS; Edict van Compiègne, van Henri II,
doodstraf voor ketters

1558 Elizabeth I op de Engelse troon; herstel van protestantisme (Anglicaanse
kerk)

1559 Dood van Henri II, militante katholieken onder Hertog van Guise controleren
regering in Frankrijk

1564 Dood van CALVIN

1568 Begin Tachtigjarige Oorlog: Noordelijke Nederlanden in opstand tegen
Filips II van Spanje

1572 Bartholomeusnacht in Frankrijk



Consolidatie op het continent

1602 Begin van de ‘Hollandse Gouden Eeuw’, handel, kunst, koloniale expansie
zuidelijke Nederlanden blijven Spaans

1638 Dood van ALTHUSIUS

1648 Vrede van Munster: consolidatie van de politieke grenzen, erkenning
van de Republiek der Nederlanden>


Augustiniaans uitgangspunt. Met Martin Luther
komt de Reformatie pas goed op gang. Zij keert zich bij hem niet alleen
tegen wereldse tendensen in de kerk, maar tegen alle wereldlijkheid in
het algemeen. Vanuit een augustiniaans standpunt bestrijdt hij het ook
in de kerk goed ingeburgerde humanisme en bepleit hij een volledige overgave
van de mens aan Gods wil zoals geopenbaard in de boodschap der evangeliën.
Die directe dienstbaarheid aan God is de enig waardevolle relatie waartoe
de mens in staat is. De ware christen moet zich, letterlijk, afkeren van
de wereld en zijn meesters.


Pessimistische visie op de mens. Humanisten en protestanten, hoewel
verenigd in hun kritiek op de toenmalige kerk, vertegenwoordigen twee
tegengestelde visies op de mens. Voor de humanisten geldt het adagium
van Protagoras: de mens is de maat van alle dingen. Hun geloof in de menselijke
rede is groot. De mens vindt waarheid en waarde in en uit zichzelf. Bijgevolg
kan de met vrije wil begaafde mens op eigen benen het goede leven en redding
van zijn ziel bereiken. Bij de protestanten is deze optimistische kijk
op de mensheid aanvankelijk afwezig. In een reactie op ERASMUS’ verhandeling
over de vrije wil, schrijft LUTHER dat de menselijke wil de gevangene
is van zijn zondige natuur. Verlaten door God is de mens “gekluisterd,
ontredderd, gevangen, ziek en dood”. De zonde, de opstand tegen Gods gezag,
gaat niet straffeloos. De vrije wil van de zondige mens kan alleen maar
zondigen, en zal derhalve zondigen ook wanneer hij zich toelegt op wat
in de ogen van de mensen deugdzaam lijkt. De subjectieve intenties van
de mensen zijn van geen tel: de zonde bepaalt het objectieve karakter
van het menselijke leven. De mens wordt gestraft om wat hij is, niet om
wat hij doet. Hij is gedoemd tot eeuwige hellepijn, ongeacht zijn persoonlijke
deugd. God is almachtig, er gebeurt niets in deze wereld wat niet door
Hem werd bevolen. Hoe kan de mens begrijpen waarom alle ellende die hem
te beurt valt past in het Goddelijke plan? De rede is machteloos, want
Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Niet zijn rede, maar de onvoorwaardelijke,
kritiekloze overgave aan Gods wil is de enige hoop voor de mens.



Figuur 0.1 Maarten Luther>


Sola fides, sola gratia, sola Scriptura. Het alternatief voor
de rede is het geloof (fides). Het geloof, en alleen het geloof,
kan de mens redden. Geloof is vertrouwen: het vertrouwen in Gods wijsheid
en goedheid, in Zijn bereidheid de zondige mens vergiffenis (gratia)
te schenken. Zo wordt de vergiffenis schenkende God het enige lichtpunt
voor de in duisternis dwalende mens. En tegelijkertijd verzekert de totale
onderwerping in vertrouwen aan God een spirituele gemeenschap met Christus,
waardoor de mens, hoe zondig ook, deel heeft aan Gods genade. Gods woord,
zoals uitgedrukt in de Heilige Schrift (Scriptura), is de enige
autoriteit voor de mens.


Tegen de kerkelijke hiërarchie. Deze opvatting laat geen ruimte
voor de zichtbare kerk en een afzonderlijke geestelijkheid in het bewerkstelligen
van de redding van de menselijke ziel. De kerkelijke hiërarchie, de bedelorden
en het kloosterleven zijn waardeloos vanuit het oogpunt van het geloof.
De ware kerk wordt bij Luther niets anders dan een gemeenschap (congregatio)
van gelovigen die haar leden heeft in alle rangen en standen van de
wereldlijke maatschappij. In zoverre deze ware kerk een zichtbare vorm
(organisatie) heeft behoort deze tot de wereld, en niet tot het geloof.
Men ziet dat Luther niet zozeer ageerde tegen misbruiken in de
katholieke kerk als wel tegen de aanspraak dat er buiten haar geen heil
is. Als gemeenschap van gelovigen heeft de kerk geen behoefte aan specifieke
wereldlijke machten noch aan een eigen recht en rechtspraak (canoniek
recht). De organisatie van het wereldlijke leven is geen zaak van het
geloof het wordt volledig aan de wereldlijke heersers overgelaten. Bij
Luther verdwijnt de kerk als tegenhanger van de wereldlijke macht. In
die zin is hij een wegbereider van het vorstelijk absolutisme.


Het individuele geweten. In de leer van Luther verdwijnt de idee
van het natuurrecht als een cognitieve onderneming gericht op kennis van
de objectieve bestaansvoorwaarden van de samenleving. In de plaats daarvan
komt de idee van een natuurlijk gevoel voor rechtvaardigheid uitgedrukt
door de stem van het individuele geweten, dat wil zeggen van het individuele
vertrouwen in God. Die nadruk op het individuele geweten zal een grote
rol gaan spelen in de ontwikkeling van politieke overtuigingen, wanneer
het gewetensbezwaar een rechtvaardigingsgrond wordt voor ongehoorzaamheid
en dienstweigering aan, en zelfs opstand tegen het wereldlijke gezag.


Alle macht is van God. Bij Luther is de politieke betekenis van
het individuele geweten eerder dubbelzinnig. Met niet aflatende heftigheid
bestreed hij de wederdopers (anabaptisten) die de stem van het geweten
een overwegend gewicht toekenden. Met evenveel vuur keerde hij zich tegen
de opstandige boeren die in Thuringen aan het plunderen waren geslagen.
Tegen hen wierp hij op dat alle macht van God komt, en dat aan de machthebber
daarom gehoorzaamheid verschuldigd is. Deze opvatting, die in de
eerste fase van de reformatie de kern uitmaakt van haar politieke leer,
is gebaseerd op de vermaning van de apostel PAULUS in zijn Brief aan
de Romeinen (13:1-7):


De Pauliniaanse leer.> Iedereen moet onderworpen zijn aan het hogere gezag; want alle gezag
komt van God, en ook het thans bestaande gezag is verordend door God.
Wie zich verzet tegen het gezag, verzet zich tegen de verordening van
God en de weerspannigen zullen hun veroordeling krijgen.

Want de overheid is niet te duchten bij een goed, maar wel bij een slecht
gedrag. Wilt ge dus niets te vrezen hebben van het gezag? Gedraag u dan
behoorlijk, en ge zult zijn goedkeuring verwerven: het is immers een dienaar
van God tot uw eigen welzijn. Maar ge moet vrezen wanneer ge u onbehoorlijk
gedraagt; want het voert het zwaard niet voor niets; want als dienaar
van God is het met de bestraffing van de misdadiger belast. Het is dus
noodzakelijk dat men zich onderwerpt, niet alleen om de straf, maar ook
uit plichtsbesef.

Om dezelfde reden ook moet gij belasting betalen; want de overheid is
beambte van God, en is voortdurend in beslag genomen door haar taak. Geeft
dus aan allen wat hun toekomt: belasting aan wien gij belasting, tol aan
wien gij tol, ontzag aan wien gij ontzag, eer aan wien gij eer verschuldigd
zijt.>


Passiviteit. Anderzijds stelde Luther nadrukkelijk dat de vorst
geen aanspraak op gehoorzaamheid kon maken wanneer zijn beleid indruist
tegen de eisen van het geloof. Dan moet de onderdaan zijn geweten volgen,
aangezien niemand de plicht heeft kwaad te doen. Van een contradictie
is echter geen sprake. Actieve medewerking aan een goddeloos bewind is
verboden, evenals actief verzet tegen een tiran. Lijden onder een tirannie
is een vorm van boetedoening tirannie is een straf voor de zonde.


Rol van de politieke autoriteiten in de verspreiding van het geloof.
Luther heeft bij herhaling steun gezocht bij de Duitse vorsten om
het “ware geloof” te verdedigen, niet alleen met het zwaard, maar ook
met het inrichten van scholen die de jongeren zouden moeten beschermen
tegen het verderf van hun ziel, dus tegen de invloed van katholieken en
humanisten. De principiële afkeer van de politiek als een louter wereldse
aangelegenheid wordt bij hem op een merkwaardige wijze doorkruist door
een opportunistische bereidheid de wereldlijke heersers een vitale rol
toe te bedelen in de verspreiding en vrijwaring van zijn geloofsleer.


Macht en geloof. In tegenstelling met vele politieke auteurs verhult
Luther zijn ideeën niet in een republikeins kleedje: hij heeft het zonder
complexen over heersers, meerderen, en onderdanen, minderen – niet over
magistraten en burgers. De wereldse aangelegenheden van de politiek zijn
machtsrelaties. Dat is een punt waarin zij zich onderscheiden van de spirituele
gemeenschappen van gelovigen, die Luther zich voorstelt als wezenlijk
vrije associaties van gelovige individuen op voet van gelijkheid. In de
praktijk is Luther echter bereid te erkennen dat de lokale kerkelijke
hiërarchie door de lokale politieke heersers kan worden aangesteld. De
reden is dat heersers, bij Luther zoals bij Macchiavelli en vele modernen,
noodzakelijk zijn voor de rust en orde in het aardse leven. Zolang de
heerser enige mate van rust en orde verzekert is hij voor Luther aanvaardbaar.
De controle van de vorsten over de zichtbare kerken leidde in de protestantse
gebieden snel tot de inrichting van lokale kerkelijke hiërarchieën (Landeskirchen).
De universele pauselijke controle over de geloofsgemeenschappen wijst
Luther uiteraard ten stelligste af.


De heerser heerst omdat hij de machtigste is; hij vervult zijn rol in
de door God gewilde orde als hij zijn macht doet gelden om de goddelijke
orde te handhaven. Voor het overige zijn al zijn pretenties holle frasen.
De gelovige leeft weliswaar in de aardse wereld in een politieke
gemeenschap, maar hij leeft voor God, niet voor de wereldse aangelegenheden.
Hij is dus niet in geweten gebonden door de beschikkingen van een goddeloze
vorst.


Dubbelzinnigheid. In die zin is de Lutherse leer dubbelzinnig:
enerzijds komt de boodschap naar voor dat de heersers niets van de ware
christenen te vrezen hebben, anderzijds wordt elke aanspraak op een inherente
eerbiedwaardigheid van het politieke gezag van meet af aan de grond ingeboord.
Zo kon onder invloed van Luthers leer zowel een passieve aanvaarding van
het politieke gezag ontstaan als een anarchistische en/of revolutionaire
gezindheid die elke vorm van heerschappij desnoods met geweld bestrijdt.
Deze dubbelzinnigheid bood later de mogelijkheid een protestantse verzetstheorie
te ontwikkelen die men tegen de katholieke vorsten kon inroepen.


Latere systematisering. MELANCHTON (1497-1560), een Zwitsers humanist
die zich tot het Lutheranisme bekeerde, systematiseerde de politieke opvattingen
van Luther in zijn Gemeenplaatsen van de theologie (1555). Alle
gezag komt van God; dus is het een gewetenszaak voor elke gelovige zijn
wereldlijke superieuren te gehoorzamen. Anderzijds hebben de vorsten hun
macht alleen om Gods uitdrukkelijke wil uit te voeren, en niet om hun
eigen wil door te drukken. Men moet dus een onderscheid maken tussen regelingen
die het ware geloof en de redding van de menselijke ziel betreffen, en
regelingen van zaken die vanuit dat oogpunt onverschillig zijn. De eerstgenoemde
regelingen vormen de kern van de vorstelijke opdracht; de andere regelingen
zijn afkeurenswaardig aangezien zij zaken betreffen die God klaarblijkelijk
liever niet geregeld wilde zien. Bovendien verklaarde Melanchton dat de
vorst geen aanspraak kan maken op de eigendomsrechten van zijn onderdanen,
aangezien deze deel uitmaken van de goddelijke ordening. Het gebod, “Gij
zult niet stelen”, geldt ook voor de vorsten.


Passiviteit t.o.v. de heerschappij. Deze plichten van de vorst
laten hem niet veel bewegingsvrijheid. Maar zij maken van het Lutheranisme
geen liberale politieke theorie. De plichten die op de heersers wegen
zijn immers niet in rechte afdwingbaar, terwijl de gehoorzaamheid van
de onderdanen dat wel is. Zelfs tegen de goddeloze heerser mag geen actief
verzet gepleegd worden, aangezien ook zij slechts instrumenten zijn van
God die de mensheid straft voor hun zonden. Men moet de tiran weliswaar
elke medewerking weigeren, maar men moet ook lijdzaam zijn eventuele straf
en wraak ondergaan. Dit is een doctrine van burgerlijke (on)gehoorzaamheid
avant la lettre.


Absolutistische tendensen. Andere Lutheranen beklemtoonden de
herinterpretatie van de kerk als een loutere geloofsgemeenschap, en daarmee
de onrechtmatigheid van de aanspraken van de Kerk van Rome op politiek
gezag en jurisdictie. Deze implicatie was de vorsten uitermate welgevallig,
aangezien zij er een rechtvaardiging in vonden om de politieke en fiscale
privilegies van de geestelijkheid af te schaffen en haar goederen te confisqueren.


Alles bij elkaar genomen gaf de oorspronkelijke Lutherse leer steun aan
de naar absolutisme strevende vorsten. Ondanks hun strikte leer over de
plichten van de vorst, haalden de Lutheranen de voornaamste tegenmacht
van de vorstelijke ambities, namelijk de Kerk, onderuit, terwijl zij weigerden
deze te vervangen door een recht van verzet in hoofde van de onderdanen.
Als er nog van e

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Frank van Dun, topic: Rechtsfilosofie
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.