dinsdag, 8 november 2005
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

‘Verlichtingsfundamentalisme? – Herman Philipse


bad_religion.jpgNa de moord op Theo Van Gogh op 2 november 2004 moest de Nederlandse politica Ayaan Hirsi Ali onderduiken. De moordenaar had op het lichaam van de bekende cineast en publicist immers een duidelijke boodschap achtergelaten. ‘Ik weet zeker dat jij, O Hirshi Ali, ten onder gaat’, zo schreef de moordenaar Mohammed Bouyeri. Tijdens haar gedwongen afwezigheid verzocht uitgeverij Prometheus een aantal schrijvers, politici, opiniemakers en journalisten om haar een openhartige brief te schrijven. Het resultaat is het boek Brieven aan Ayaan Hirsi Ali een bundeling van uiteenlopende meningen over de problematiek van de islam, de positie van de moslimvrouw, de vrijheid van meningsuiting en vooral de methodes van de politica om via teksten, boeken en films haar standpunten onder de aandacht van het brede publiek te brengen. De brieven bevatten soms scherpe kritiek, maar ook hartverwarmende steun en blijken van medeleven. Een van de briefschrijvers was filosoof en hoogleraar Herman Philipse de auteur van het veelbesproken Atheïstisch manifest. Zijn bijdrage bleef evenwel niet beperkt tot een klassieke brief, maar groeide uit tot een heus manifest dat inmiddels apart verscheen onder de titel Verlichtingsfundamentalisme?

Het boekje is een veertig bladzijden lang pamflet over de Verlichting en het fundamentalisme gericht aan Ayaan Hirsi Ali en tegelijk bestemd voor de huidige Nederlandse christen-democratische Minister van Justitie Piet Hein Donner. Die had de liberale politica in een interview met NRC Handelsblad impliciet gekwalificeerd als een ‘verlichtingsfundamentalist’ en net dat schoot Herman Philipse in het verkeerde keelgat. Volgens Piet Hein Donner is immers elke levensovertuiging, ook die van de Verlichting, een geloof. Aangezien elk geloof fundamentalistisch is valt niet te strijden over wie het bij het rechte eind heeft. Waaruit de auteur concludeert dat er volgens Donner niet valt te discussiëren over zijn eigen christelijk geloof noch over dat van moslimfundamentalisten. Wat Philipse stoort is het verdraaien van woorden, zeker voor mensen die regeringsverantwoordelijkheid dragen. Daarop volgt een gloedvolle verdediging voor de Verlichting en een ontkrachting van het standpunt van de minister waarbij de auteur met een scherp mes de argumentatie van de bewindvoerder fileert tot er niets meer van overblijft, behalve de vaststelling dat de uitspraak van Donner niet alleen dom was, maar tevens gevaarlijk, al was het maar omdat hij indirect in de kaart speelt van diegenen die in naam van heilige teksten de meest barbaarse misdaden begaan.

Donner definieert de Verlichting als ‘de gedachte dat er niet meer is dan je ziet of begrijpt met je verstand’. Een hoogst bizarre definitie want verlichtingsdenkers als Locke, Hume, Voltaire, Diderot en Kant stelden juist ‘dat er ongelooflijk veel is wat we niet zien en niet begrijpen met ons verstand’. De essentie van de Verlichting is net de zelfstandigheid van het eigen denken en werd het best verwoord door Immanuel Kant in zijn opstel Was ist Aufklärung? ‘Verlichting betekent dat de mens zich bevrijdt van de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft’, zo schreef de beroemde filosoof uit Königsberg. Zijn antwoord was dan ook Sapere aude! Durf je van je eigen verstand te bedienen! Het is een houding die diametraal staat tegenover de houding die in de heilige boeken van de monotheïstische godsdiensten bepleit wordt, aldus de auteur. Dat klopt. Terwijl de ‘ware’ gelovige zich kritiekloos overgeeft aan de bepalingen van de Bijbel, de Thora of de Koran, is kritiek, twijfel en scepsis voor een ‘volgeling’ van de Verlichting net essentieel. Dit spoort met de Popperiaanse gedachte dat absolute waarheden niet bestaan, alleen hypotheses en dat de enige correcte houding de falsificatiemethode is waarbij elkeen zijn of haar hypotheses onderwerpt aan de grootst mogelijke kritiek.

Het onredelijk geloof in een absolute en universeel geldende waarheid is net de bron van elk fundamentalisme en vormt een voortdurend gevaar voor het vreedzaam samenleven tussen mensen van uiteenlopende culturen. De aanname van God als een oneindig goed, alwetend en almachtig wezen biedt fundamentalisten de morele penitentie voor gruweldaden. In die zin is ‘geloven’ trouwens een gemakkelijke houding. Mensen die vasthouden aan het monopolie van de moraal die uitgaat van een heilige tekst kunnen elk moreel dilemma uit de weg gaan. De gelovige of volgeling wordt dan immers niet verplicht te kiezen tussen goed en kwaad. Hij kan vluchten in onwetendheid, onverschilligheid of superioriteit waartoe de hem (zelf) opgelegde religieuze moraal de kans biedt. Door het uitschakelen van het persoonlijk geweten in naam van een abstract en alomvattend plan, van absolute en onveranderlijke waarheden, van blind en irrationeel geloof in het Beter-zijn-dan-de-Ander, vonden in de geschiedenis – maar ook vandaag nog – vreselijke drama’s plaats.

Het is vanuit die mentaliteit dat Mohammed Bouyeri zonder scrupules en moreel onbewogen de afschuwelijke moord beging op Theo Van Gogh, net zoals vroeger Mahatma Ghandi werd vermoord door een ‘gelovige’ hindoe, Anwar Sadat door ‘gelovige’ moslims en Yitzhak Rabat door een ‘gelovige’ jood. Net het geloof in die ‘onwankelbare waarheden’ die door diverse godsdiensten gepropageerd en verdedigd worden, zetten hun fanetieke ‘volgelingen’ ertoe aan om de meest afschuwelijke misdaden te begaan. Het zorgt er ook voor dat westerse intellectuelen die de fundamentele grondrechten willen verdedigen en zich keren tegen de uitwassen van het radicale islamisme zelf bedreigd worden op basis van het principe van de vrijheid van godsdienst. Herman Philipse zelf geeft toe dat hij over de koran niets zal zeggen ‘want dan loopt men tegenwoordig in Nederland het risico op bestiale en lafhartige manier afgeslacht te worden door een moslimzeloot’. In diezelfde zin had voordien ook Paul Cliteur al aangekondigd zich niet langer over dit thema publiekelijk uit te laten. Het brengt de auteur tot de schrijnende conclusie dat Ayaan veel moediger is dan hijzelf.

Nog steeds lees en hoor je bij westerse feministen kritiek op Ayaan Hirsi Ali. Ze verwijten haar onrust te stoken, aan politieke carrièreplanning te doen of te handelen uit wraak omwille van de traumatische ervaringen uit het verleden zoals de genitale verminking en het gedwongen huwelijk. Geen enkele van deze beoordelingen klopt met de realiteit. Op haar eigen, enigszins verlegen maar o zo integere manier gaat ze door met haar strijd voor de emancipatie van moslimvrouwen. Sommigen zien in haar een actuele Jeanne d’Arc, maar die vergelijking gaat volgens Herman Philipse niet op. Jeanne d’Arc vocht met het zwaard, Ayaan gebruikt alleen het woord als wapen. En terwijl de Franse strijdster tegen de Engelsen vocht vanuit een goddelijke inspiratie, put Ayaan haar kracht uitsluitend uit haarzelf (de auteur wijst erop dat ze niet alleen door hemelse vaders verlaten is, maar ook door haar echte vader die sinds haar geloofsafval geen enkel contact meer wil met zijn dochter).

In elk geval valt op hoe deze vrouw met de kracht van haar overtuiging elke dag opnieuw de strijd aangaat tegen onrecht, tegen onmenselijkheid en vooral tegen de onderdrukking van meisjes en vrouwen omwille van culturele en religieuze tradities. In die zin is haar politieke inzet – in weerwil van wat ‘linkse’ kritikasters en feministen ook mogen zeggen – een uitgesproken progressieve strijd. De strijd van Ayaan Hirsi Ali is een strijd voor emancipatie en ligt in het verlengde van de strijd tegen alle vormen van onderdrukking in de vorige eeuw, zoals het verzet tegen de Apartheid in Zuid-Afrika, tegen het kastensysteem in India, tegen de segregatie van de zwarten in Amerika en tegen de jodenvervolging in Duitsland. Het is het logisch gevolg van de Verlichting en de moderniteit om de mens meer autonome vrijheid te verzekeren, meer keuzevrijheid, meer zelfbeschikking. Haar strijd is een liberale strijd. Waarbij elk individu als mens, en niet als lid van een groep of onderdaan van een staat, een eigen plaats heeft. Een strijd die ertoe moet leiden dat elk individu, man of vrouw, blank of zwart, rijk of arm over een aantal onvervreemdbare rechten en vrijheden beschikt. Ayaan Hirsi Ali behoeft geen standbeeld maar wel publieke bescherming en verdediging. Dat zijn we haar vanuit democratisch oogpunt verplicht.

Ayaan Hirsi Ali is geen verlichtingsfundamentalist, gewoon omdat niemand dat kan zijn. Herman Philipse toont overtuigend aan dat de term ‘verlichtingsfundamentalist’ een contradictio in terminis is. ‘De geesteshouding van de fundamentalist (dogmatisch geloof) is namelijk onverenigbaar met de geesteshouding van de verlichte mens (kritisch nadenken)’, zo schrijft hij. Wat Donner doet is de Verlichting kleineren en het fundamentalisme vergoelijken. Het is een harde, maar niet onterechte conclusie. Net de denkhouding van de Verlichting heeft in de westerse wereld geleid tot haar verbluffende welvaart, aldus de auteur, en dat is terecht. Het kritisch rationalisme dat aan de grondslag ligt van het actuele verlichtingsdenken zorgt immers voor creativiteit, wetenschappelijk onderzoek en innovatie. Allemaal elementen die in de islamwereld ontbreken, alhoewel dit volgens Fareed Zakaria het geval is in elk land dat over veel natuurlijke rijkdommen beschikt en derhalve geen enkele stimulans kent en geeft aan ondernemende mensen. Dat neemt niet weg dat Philipse gelijk heeft. Elke onderdrukking van het kritisch denken omwille van religieuze dogma’s leidt onvermijdelijk tot verduistering.

Herman Philipse keert zich niet alleen af van Donner die geen heil ziet in de Verlichting, maar ziet de Verlichting juist als het middel om het fundamentalisme structureel te bestrijden. We moeten de beginselen van de Verlichting publiekelijk onderschrijven, zo schrijft hij, zeker op school bij de kinderen van de immigranten. Terwijl Donner suggereert dat we ons niet moeten mengen in religieuze overtuigingen zegt de auteur net het tegenovergestelde en hij haalt Elsbeth Etty die stelde dat ‘wie de positie van islamitische vrouwen wil verbeteren, moet zich wel met de godsdienst bezighouden’. Al is het maar om de door de mannen in stand gehouden dominantie over de interpretatie van de koran bij te sturen, zoals ook Nahed Selim bepleit. Met dit boekje geeft Herman Philipse een sterk en noodzakelijk signaal naar alle bewindvoerders dat ze hun verantwoordelijkheid moeten nemen en niet mogen wijken voor diegenen die hun opvattingen willen opdringen aan anderen. De auteur verwijst naar Voltaire die in zijn artikel Tolérance een toepasselijke uitspraak deed. ‘Het is duidelijk dat elke privé-persoon die een mens, zijn broeder, vervolgt omdat hij zijn mening niet deelt, een monster is’. Een heel terechte opmerking. Al wie Ayaan Hirsi Ali bedreigt is een monster. Het is aan ons, aan elke mens, om haar tegen die monsters te beschermen.

Herman Philipse, Verlichtingsfundamentalisme?, Bert Bakker, 2005

Dit artikel verscheen eerder op: liberales.gif

Liberales verstuurt wekelijks een gratis nieuwsbrief met interviews, essays en boekbesprekingen. Inschrijven kan op www.liberales.be.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Dirk Verhofstadt, topic: Religieuze Onderdrukking
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.
Reacties
  1. J v d Kleij schreef op : 1

    Donner en consorten zijn pluchocraten,bang voor plucheverlies
    ons kabinet heet de “Verlichting” uitgedaan en bevindt zich in een schemergebied een vaag beleid er op nahoudend.Transparantie staat hoog in het vaandel bij het kabinet,evenals normen en waarden maar het rapportcijfer is behoorlijk laag hetgeen duidelijk te zien is,dus in ieder geval transparant

  2. Martijn Abrams schreef op : 2

    “Terwijl de ‘ware’ gelovige zich kritiekloos overgeeft aan de bepalingen van de Bijbel, de Thora of de Koran, is kritiek, twijfel en scepsis voor een ‘volgeling’ van de Verlichting net essentieel. Dit spoort met de Popperiaanse gedachte dat absolute waarheden niet bestaan, alleen hypotheses en dat de enige correcte houding de falsificatiemethode is waarbij elkeen zijn of haar hypotheses onderwerpt aan de grootst mogelijke kritiek.”

    Wellicht is verlichtingsfundamentalist niet de goede benaming. Bij mij komt meer de term fundamentalistisch atheïst op: “Wat niet bewezen is, is niet waar.” Eigenlijk een even onevenwichtige houding als die van bijvoorbeeld creationisten. Zo die wetenschap afwijzen, wijzen deze ‘verlichtten’ alle geloof af, want geloof is immers kritiekloos.

    Ik zie in dit stuk ook niet zo zeer een strijd vóór de waarden van de verlichting, of vóór liberalisme, maar meer een strijd tegen geloof en gelovigen.

    Liberaal zou ik het allemaal niet willen noemen. . .

    Martijn

  3. Boesje schreef op : 3

    Terwijl de ‘ware’ gelovige zich kritiekloos overgeeft aan de bepalingen van de Bijbel, de Thora of de Koran, is kritiek, twijfel en scepsis voor een ‘volgeling’ van de Verlichting net essentieel.

    Gelukkig zijn er ook vel “ware gelovigen die wel kritisch zijn tegenover de Bijbel, Thora of de Koran.

  4. Koerbagh schreef op : 4

    Met fundamentalisme hoeft niets mis te zijn als de fundamenten waar men zich op beroept in orde zijn.
    Donner karikaturiseert Verlichting in het citaat ten onrechte als een kortzichtig en zelfgenoegzaam empirisme en rationalisme, terwijl Kant, Philipse en Verhofstadt haar ophemelen als het volmaakte kritisch denken.
    Er is echter ook een meer historische benadering mogelijk, die, iets concreter, secularisatie (tolerantie, pluralisme en individuele vrijheid en gelijkheid) centraal stelt, feitelijk een sine qua non voor een multiculturele samenleving.
    In welk geval de term Verlichtingsfundamentalisme niet zozeer absurd wordt als wel een geheel andere inhoud krijgt, en aangeeft dat Nederland afgedwaald is van de gezonde beginselen van liberalisme en socialisme: godsdienst is privé, kerk en staat moeten gescheiden.
    De Schoolstrijd werd bijna een eeuw geleden beslecht met het subsidiëren van godsdienstig onderwijs, wat Nederland een verzuilde samenleving bezorgde: kinderen werden zelfs op school geïndoctrineerd met de nestgeur van ouders en familie, en afgezonderd van andersdenkenden, wat heel wat vooroordelen opgeleverd heeft.
    Gelukkig is het goed afgelopen, niet dankzij maar ondanks de christelijke ‘vrijheid van onderwijs’, ofwel de subsidiëring van het bijzonder onderwijs, dankzij het gezond verstand en de massale ontkerkelijking van de mensen zelf: in 1917 hadden de confessionelen nog een parlementaire meerderheid die ze in de jaren ’60 kwijtraakten om nu nog maar een derde van alle zetels over te hebben.
    Daarmee is bijzonder onderwijs een politiek anachronisme geworden dat Paars verzuimd heeft op te ruimen, laf gedogend als steeds.
    Eigenlijk is de kwalificatie ‘Verlichtingsfundamentalist’ dus geen verdachtmaking maar een compliment: trouw aan de beginselen van het moderne Europese staatsrecht vindt hij dat de overheid neutraal moet zijn, boven de partijen moet staan en geen godsdiensten moet subsidiëren.
    Ook en juist in het onderwijs moet objectiviteit verplicht zijn, vindt AHA, en precies dat steekt Donner die zijn zuiltje wil verdedigen.

    Heel anders komen de zaken te liggen als de fundamenten waar men zich op beroept minder fraai, vreedzaam en humanitair zijn.
    Beroepen bijvoorbeeld christenen zich op hun Nieuwe Testament dan hoeft er nog niet zo veel mis te zijn, maar als ze het Oude Testament letterlijk willen nemen komen ze toch zaken tegen waar de honden geen brood van lusten.
    En zoals we dagelijks in de media mogen vernemen is de barbaarse rampzalige Koran, in letter en geest, ook nu nog een chronische bron van haat, geweld, criminaliteit, oorlog en moordpartijen.
    Juist de islam heeft de term fundamentalisme de laatste jaren zo’n negatieve, extremistische, intolerante en gewelddadige connotatie bezorgd, en door nu te spreken van Verlichtingsfundamentalisten suggereert Donner dat het gaat om extremisten die intolerant zouden zijn ten aanzien van godsdienst, hoewel ze hoogstens vinden dat zoiets subjectiefs privé is en niet in het onderwijs thuishoort.
    Inderdaad kun je bij een combinatie van secularisatie en intolerantie (tegenover godsdiensten) wellicht spreken van Verlichtingsfundamentalisme (Franse en Russische revoluties, Stalin en Mao), als godsdiensten en bijgeloof in naam van rede en wetenschap worden verboden en onderdrukt zonder dat ze anderen last bezorgen.
    Dat is uiteraard volstrekt niet aan de orde: de minister van justitie is schandalig aan het demoniseren, en ziet revolutionaire spoken waar ze niet zijn, al zal ook en juist hij, uit hoofde van zijn functie, moeten erkennen dat er wel degelijk zwaarwegende maatschappelijke redenen kunnen zijn om vijandige, haatzaaiende, criminele, gewelddadige of oorlogszuchtige ideologiëen en bewegingen te onderdrukken of verbieden.
    De islam vereert nu eenmaal een roverhoofdman en massamoordenaar als profeet, die kritische dichters liet afmaken door sluipmoordenaars, en eeuwige jihad preekte, dus godsdienstcriminaliteit is helaas weer aan de orde van de dag, vers geïmporteerd uit het zielige Azië en Afrika, gastvrij als we zijn.
    Maar geen enkele godsdienst staat boven de wet, en intolerantie en fascisme moeten we altijd bestrijden.
    Wie dat niet doet is een laffe, opportunistische appeaser.