zondag, 20 januari 2013
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Heideggers kinderen – Richard Wolin

HeideggeHeidegger stond model voor een groot aantal rechtse intellectuelen die vonden dat liberalisme en democratie in essentie on-Duits waren en dat Duitsland een nationaal-autoritaire oplossing nodig had.

In de jaren twintig van de 20ste eeuw wist de Duitse filosoof Martin Heidegger met zijn charismatische persoonlijkheid een groot aantal jonge intellectuelen aan zich te binden.

Velen van hen waren van joodse origine. Toen Heidegger zich in de jaren dertig voor het nationaal-socialisme uitsprak, zijn joodse collega’s – waaronder zijn leermeester Edmund Husserl – de toegang tot de universiteit verbood en zijn colleges met de Hitlergroet begon, moesten zijn joodse ‘kinderen’ zich of bij zijn politiek keuze neerleggen, of met hem breken. Heidegger heeft zich voor zijn houding nooit verontschuldigd. In Heideggers kinderen gaat Richard Wolin na hoe Heideggers keuze het denken van zijn beroemdste leerlingen heeft beïnvloed. Hannah Arendt, Heideggers studente en korte tijd zijn minnares, werd een van de belangrijkste politieke denkers van haar tijd. Karl Löwith keerde in 1953 terug naar Duitsland en kreeg bekendheid als een van de belangrijkste Duitse filosofen. Hans Jonas maakte naam als milieufilosoof en Herbert Marcuse werd als vertegenwoordiger van de Frankfurter Schule leidsman van de naoorlogse linkse beweging. Ondanks hun verschillende ontwikkelingen en interesses hebben ze in hun werk een antwoord op het verraad van hun geliefde leermeester moeten vinden.

Voor een goed begrip beschrijft de auteur eerst de plaats van de joden in het Duitsland van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Tal van joodse intellectuelen hadden zich in de periode perfect geassimileerd in de Duitse samenleving. Voor de nazi’s de macht grepen werden niet minder dan 13 van de 33 aan Duitsers toegekende Nobelprijzen gewonnen door joden. In de Weimarrepubliek genoten de joden van een volledige maatschappelijke gelijkheid. Ze voelden zich dermate Duits dat velen onder hen actief waren in het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Die assimilatie gaf hen een vals gevoel van geborgenheid en acceptatie en verwijderde hen tegelijk van de joden in de andere, vooral oostelijk gelegen Europese landen. Nochtans bleef het antisemitisme steeds heel nadrukkelijk aanwezig. Mensen als Karl Lueger, de burgemeester van Wenen, Heinrich Class, de president van de Groot-Duitse Bond en Carl Schmitt, de grote rechtsfilosoof, spraken ondubbelzinnige taal over de joden. Zij verwoordden wat de nazi’s later zouden uitvoeren. Toen de maatregelen tegen de joden van kracht werden konden vele geassimileerde joden het niet begrijpen. Ze waren toch eerst Duitser en pas nadien jood? Intussen doceerde een zekere Heidegger met toenemend succes zijn nieuwe filosofische inzichten. En zijn studenten, waaronder heel wat joden, hingen aan zijn lippen.

Hannah Arendt, een jonge talentvolle studente had een verhouding met Martin Heidegger. Ze was zich als geassimileerde joodse niet bewust van haar ‘joods’ zijn. In haar boek The Origins of Totalitarism en Eichmann stelt ze zelfs dat de joden de steeds weerkerende vervolgingen over zichzelf hadden afgeroepen door zich voortdurend voor te stellen als ‘het uitverkoren volk’. Deze stelling kan niet zonder meer worden toegeschreven aan haar relatief jonge leeftijd. Mogelijk speelde hier de invloed van Heideggers’ denken zoals verwoordt in zijn boek Zijn en tijd waarmee hij de basis vormde voor het existentialisme. De kern van zijn filosofie was de noodzaak om met alle overgeërfde filosofische paradigma’s en tradities te breken. In 1933 werd hij rector aan de universiteit van Freiburg. Hij voerde onmiddellijk anti-joodse wetten in en ontzegde zelfs zijn oude joodse leermeester Husserl de toegang tot de bibliotheek (zelf heeft Heidegger dit steeds ontkend als laster, nvdv). “Laat uw bestaan niet leiden door leerstellingen en ideeën. Alleen de Fürher is de huidige en toekomstige Duitse realiteit en wet”, zo luidde zijn stelling. Dergelijke uitspraken moeten alle joden weerzinwekkend hebben geleken, toch minstens op het ogenblik dat ze kennis kregen van de gruwelijke praktijken in de concentratiekampen. Toch verzoende Arendt zich na de oorlog met Heidegger en poogde in haar werk de band tussen Heideggers filosofie en zijn keuze voor Hitler te weerleggen. Zo vertolkte ze in haar boek De banaliteit van het kwaad over Eichmann het standpunt dat de Joodse Raden op één lijn stonden met de nazi-beulen en dat hun schuld dus even groot was.

Met zijn boek geeft Wolin een onthutsend beeld van de dubbelzinnigheid van Arendts gedachtegoed. Dat ze geassimileerde joodse in haar jongere jaren sympathie kon opbrengen voor de ideeën van Heidegger is begrijpbaar. Haar latere ‘verschoning’ en ‘minimalisering’ van Heideggers betrokkenheid met het verfoeilijke nazi-regime is dat niet. Vooral de manier waarop ze de schuld tracht te generaliseren en te spreiden over de slachtoffers zelf is zowel ethisch als intellectueel verwerpelijk. Nog erger is evenwel dat Arendt hiermee de basis legde voor de functionalistische beschouwingen over de Endlösung, de theorie dat de holocaust in de eerste plaats een product is van de moderne samenleving. Het functionalisme verwijst hierbij steevast naar de bureaucratisering van het moordapparaat waarin, ondermeer, Eichmann maar een ‘radertje’ was. Deze stelling houdt evenwel geen stand als men weet dat de beruchte Einsatzgruppen, nog voor de ovens in de kampen op volle toeren draaiden, ruim 2 miljoen mensen hadden afgemaakt, moorden die met de blote hand (en kogel) gebeurden en alles behalve bureaucratisch waren. Wolin ondermijnt de functionalistische stelling met de volgende vaststelling: “Wat Auschwitz uniek maakte was niet het bureaucratische beheer, maar het feit dat moderne bureaucratische methoden in dienst werden gesteld van een fanatieke en allesomvattende racistische ideologie.”

Net als Heidegger bekijkt Arendt de ‘vooruitgang’ met argwaan. Volgens haar is het totalitarisme zelfs een uitwas van de moderne maatschappij. Hiermee miskent Arendt de enorme bijdrage van de moderniteit, nl. de universele waarde die men aan begrippen als vrijheid en gelijkwaardigheid gegeven heeft en die aldus neergeschreven staan in de Universele Verklaring. De moderniteit staat immers lijnrecht tegenover het obscurantisme van de uitsluitende maatschappijen die hun eigen cultuur boven elke verdenking plaatsen en vasthouden aan hun zelfverklaarde onwrikbare waarheden. Aldus ontwikkelde Arendt een soort links-Heideggeriaanse koers waarbij ze zich laatdunkend uitsprak over de waarde van parlementaire democratieën, het algemeen kiesrecht ter discussie stelde en opteerde voor een soort politieke elite die, in tegenstelling tot vertegenwoordigers in een democratie, echt begaan zouden zijn met het lot van de wereld.

Heidegger stond model voor een groot aantal rechtse intellectuelen die vonden dat liberalisme en democratie in essentie on-Duits waren en dat Duitsland een nationaal-autoritaire oplossing nodig had. Ze reageerden tegen het nihilisme door op zoek te gaan naar een soort collectieve authenticiteit waarbij het individu handelt overeenkomstig de Gemeinshaft, bestemming, historiciteit of das Volk. Onder hen de Duits-joodse filosoof Karl Löwith. Als goed geassimileerde jood vocht hij gedurende Wereldoorlog I als vrijwilliger in het Duitse leger, raakte gewond en zat drie jaar in een Italiaans krijgsgevangenkamp. Löwith werd pas met zijn joods-zijn geconfronteerd door de wet van 1933 die joden uitsloot van ambtelijke functies zoals lesgeven aan universiteiten. Hij moest dan ook uitwijken naar het buitenland. Volgens Löwith zorgde het moderne leven voor onrust en ontwrichting. Daarom greep hij in zijn denken terug naar de klassieken en verdedigde hij een stoïcijnse onthechting. Hiermee bleef hij dicht bij de latere stellingen van Heidegger rond het begrip Gelassenheit, een vorm van onderwerping aan de mysterieuze beschikkingen van het Zijn. Wolin stelt dat een dergelijke houding als een excuus kan gebruikt worden om in concrete zaken geen stelling in te hoeven nemen. Het komt zelfs gevaarlijk dicht bij onverschilligheid, iets wat Heidegger en vele Duitsers vanaf 1933 demonstreerden ten aanzien van joden en andersdenkenden. Net als Heidegger en Arendt zette Löwith zich af tegen de moderniteit. Hiermee miskent hij prestaties als de zelfbeschikking, de vrouwenrechten en de volkssoevereiniteit die alle ver van epifenomenaal zijn.

De derde figuur is milieufilosoof Hans Jonas. Hij moest door de wet op de ‘sanering van de ambtenarij’ naar het buitenland vertrekken. Hij vocht in het Britse leger voor de bevrijding van zijn geboorteland Duitsland. Maar ook hij bleef onder de invloed van Heidegger en werkte zijn ideeën uit naar de natuur als Zijn-domein. In Das Princip Verantwortung heeft hij het over de ethische implicaties van de moderne technologieën die hij met argusogen ziet opkomen. Zijn belangrijkste kritiek gaat dan ook naar de moderne wetenschap die hij de oorzaak van het moderne nihilisme noemde. De wetenschap had zijn inziens zoveel onttoverd dat voor de mens niets meer overbleef om in te geloven. De natuur werd met de razendsnelle wetenschappelijke ontwikkelingen ondergeschikt gemaakt aan de mens waardoor in hoofde van Jonas een onoverbrugbare kloof ontstond tussen die twee vormen van Zijn. De impact van nieuwe technologieën is zo groot dat de ethische beschouwingen van de voorbije 2.500 jaar achterhaald zijn. Vroeger bleef het menselijk ingrijpen in de natuur beperkt maar nu is het evenwicht tussen mens en natuur in gevaar. Dit belast de mens met een existentiële angst: wie controleert al die ontwikkelingen nog? De mens moet zich volgens Jonas verantwoordelijk gedragen tegenover de natuur omdat het voortbestaan van de mens zelf op het spel staat. Hieruit volgt zijn ‘ethisch imperatief: “Handel zo dat de gevolgen van je handelingen verenigbaar zijn met de duurzaamheid van het waarachtige menselijke leven.”

Het betoog van Jonas voor de natuur verbergt een hang naar autocratisch denken. Zo verzet hij zich tegen het liberalisme dat verbonden is met het technologische tijdperk en de ‘wereldomvattende verwoesting’ die daar het gevolg van zou zijn. Jonas’ kritiek op de superieure houding van de mens tegenover de natuur kreeg evenwel heel wat weerklank binnen de Duitse vredesbeweging. Alleen een opgelegde sociale discipline kan ervoor zorgen dat de te behalen voordelen op korte termijn ondergeschikt worden aan de behoeften op lange termijn, zo luidde de doctrine. Daarmee keerde Jonas zich tegen het kapitalisme. Hij opteerde voor absolute overheidsmacht binnen een vorm van staatssocialisme. Hiermee spoort hij met het antidemocratisch denken van Martin Heidegger. In de plaats van een democratische rechtsorde gelooft Jonas meer in een ‘goed bedoelende en goed geïnformeerde tirannie’ teneinde een (ecologische) wereldramp te vermijden. Deze overtuiging leeft trouwens nog steeds bij fundamentalistische groenen in binnen- en buitenland.

De vierde figuur is de Duitse filosoof Herbert Marcuse die wel bij Heidegger studeerde maar geen volgeling van hem werd. In de jaren twintig poogde hij het existentialisme van Heidegger te verzoenen met zijn marxistische denkbeelden. Tegenover het kapitalisme waarin het element arbeid de mens vernedert, plaatste hij arbeid in zijn marxistische betekenis als een vorm van zelfverwerkelijking en als middel om de natuur te ontginnen. De opstap naar het dubbelzinnige ‘Arbeit macht frei’ komt hier griezelig dichtbij. De steun van Heidegger aan de nazi’s veroorzaakte een definitieve breuk met Marcuse. Over de beweegreden van zijn vroegere leermeester stelde Marcuse later dat ‘de strijd tegen de rede het existentialisme blindelings in handen van de heersende machten drijft’. Zelf verdedigde hij de ‘filosofische rede’. Maar net als de andere ‘kinderen’ ging ook Marcuse in tegen de hedendaagse maatschappij die hij als totalitair bestempelde. In zijn latere werk – ontgoocheld over het uitblijven van de finale revolutie – vond Marcuse, net als zijn vroegere leermeester, dat niet een democratie maar een dictatuur van het intellect het best kon uitmaken wat goed en rechtvaardig is voor de mens.

In overeenstemming met Carl Schmitt en Ernst Jünger bleef Heidegger ervan overtuigd dat het fascisme het enige historische alternatief vormde voor het liberalisme en het nihilisme. Daarbij ging hij te keer tegen het modernisme, de moderne kunst en de moderne literatuur. Ten gronde richtte hij zijn kritiek op alle voorgaande denkers, natuurlijk op Descartes en vooral op Plato die volgens Heidegger de cruciale fout maakte een scheiding te willen maken tussen het zinnelijke en het bovenzinnelijke, een scheiding die de ganse westerse metafysica zou kenmerken. Heidegger nam met zijn filosofie finaal afscheid van het kantiaanse ideaal van de autonomie van de rede en plaatste zich aldus als tegenpool van het liberale denken. Om het liberale denken te verstaan doet men er goed aan deze tegenpool via dit boek te lezen en te doorgronden.

Richard Wolin, Heideggers kinderen, Atlas, 2003

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading...Loading...

Door Dirk Verhofstadt, topic: Diverse
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.