donderdag, 10 juni 2004
Doorsturen Doorsturen   Printen Printen

Zijn er nog libertariërs?


Dat is de vraag die ik mij stelde enige tijd geleden, na een discussie tijdens een bijeenkomst van het Libertarisch Centrum België. Deze discussie behelsde de vraag of men het recht zou hebben in een libertarische samenleving kinderen aan hun lot over te laten. Iedere rechtgeaarde libertariër zou moeten zeggen ja; maar tot mijn verbazing hoorde ik van menigeen argumenten dat dit niet het geval zou mogen zijn.

Ik kan natuurlijk begrip opbrengen voor de verontwaardigde gevoelens van degenen die huiverden voor de gedachte dat dit juist wel mogelijk is in een individualistische samenleving. Die huivering zou niet meer mogen betekenen dan dat zijzelf zoiets niet zouden doen, maar niet meer. Daaruit de conclusie trekken dat kinderen een recht hebben op onderhoud zonder meer, is een niet te rechtvaardigen stap. In die lijn van redeneren lag dan ook het besluit van een van de leden dat er belangrijker dingen bestaan, dan de vrijheid, en dit is dan ook de eerste stap tot het collectivisme, want dan kan men al gauw aantonen dat er nog zaken zijn waar de mensen in het algemeen recht op kunnen laten gelden om humane redenen! Dat men zijn kinderen al dan niet aan hun lot overlaat is een zuiver persoonlijke aangelegenheid, en dat de kans op verwaarlozing bestaat heeft te maken met het feit dat inderdaad individuele vrijheid geenszins de nare mogelijkheid uitsluit van onzekerheid betreffende het menselijke bestaan – d.w.z., dat men vrij kan zijn en toch van honger kan omkomen; dit is nu eenmaal een natuurlijke conditie van het menselijke leven. Beiden sluiten elkaar niet uit. Die mogelijkheid moet men erbij nemen, zoniet moet men maar een of andere vorm van socialistische samenleving nastreven. En als men de bestaande socialistische landen nader in ogenschouw neemt, weet men dat men zich niet al te veel illusies moet maken.

Als men zegt dat kinderen recht hebben op onderhoud op grond van welke humanistische overweging ook, dan impliceert dit dat men een individu mag dwingen op dit punt. Maar waar zal dit ophouden? Tot daar waar de humane gevoelens van de meerderheid reiken? Met dezelfde argumenten toch is het begrijpelijk dat men een minimuminkomen voor iedereen garandeert. Gevoelens van persoonlijke ethiek mogen geen begrenzing betekenen voor het begrip vrijheid, welk een ondeelbaar begrip is. Wanneer het zich zou voordoen dat ouders hun kinderen verwaarlozen dan is er slechts één oplossing: niet het inperken van de vrijheid, maar juist op grond van deze vrijheid een ieder de mogelijkheid laten zich over het lot van dit kind te ontfermen.

Uit zulke discussies is duidelijk op te maken dat menigeen bereid is concessies te doen aan het begrip vrijheid als men de emotionele toer opgaat. In dergelijke gevallen lijkt de mens altijd een consolidering van de bereikte positie, van de rust en zekerheid der georganiseerde maatschappij, na te streven; je op grond daarvan naar machtsmiddelen te grijpen om deze te vrijwaren van de “vrijheidsingreep”.

In de menselijke geschiedenis zie ik dan ook dat er in wezen twee antipolen zijn die de stuwkracht zijn van het menselijk handelen, n.l. macht en vrijheid. Daarom alleen al is het voor mij moeilijk in te zien hoe er ooit een anarcho-kapitalistische maatschappij zou mogelijk zijn. Het fenomeen “macht” hangt als een zware schaduw over die mogelijkheid. Als er een vrije en non-agressieve samenleving bestaat is er geen behoefte aan politie en rechtspraak. Als die behoefte er wel is, is het juist omwille van de aanwezige agressie, er is geen voorafgaandelijke vrije markt in de strikte zin van het woord. Maar deze wordt juist verondersteld door de anarchisten; het is n.l. op deze vrije markt dat door competitie de bescherming brengende instituties zouden moeten ontstaan! Er is met andere woorden steeds een a-prioristische politieke dimensie aanwezig in de menselijke relaties wat leidt tot politieke rechtsordening op monopolistische grondslag. In het kader van deze rechtsordening kan een vrije markt functioneren en aan iedereen de keuze gelaten worden zijn eigen ethische waarden na te streven – theoretisch althans, want ik vrees dat onder druk van de meerderheid (macht) de wetten expanderen om bepaalde “waarden”, zoals in het geval met de kinderen, te garanderen. Ik denk dat vanuit dit oogpunt het ontstaan van de welvaartstaat kan worden verklaard. Het cynische bestaat er evenwel in dat het uiteindelijk niet de noodlijdenden zijn die er wel bij varen: “want wie heeft, die zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden” (Mattheüs 13:12).

Zijn er nog libertariërs?

In de vorige Vrijbrief is een commentaar op dit artikel van Gilbert de Bruycker opgenomen. In verband met de grote lengte van het artikel van C. Hosepied moest er een artikel naar een volgend nummer worden verplaatst. Door een abuis heb ik toen bovengenoemd artikel wel, maar het commentaar erop niet laten vervallen. Ik hoop dat iedereen de moeite wil nemen om na deze late plaatsing ook het commentaar nog even in te zien.

W. van Hulten.

 
Waardering: 
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Loading ... Loading ...

Door Bruycker, Gilbert de, topic: Bruycker, Gilbert de, Libertarische theorie, Vrijbrief 97 (maart 1986)
Reacties op dit artikel kunnen gevolgd worden op de RSS 2.0 feed.